Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI3969

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
HD 200.006.624
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO4936, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO4936
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SB

zaaknr. HD 200.006.624

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zesde kamer, van 28 april 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 24 april 2008, hersteld bij exploot van 20 mei 2008,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

niet verschenen,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 12 februari 2007 tussen appellant - [X.] - als eiser in reconventie, en geïntimeerde - [Y.] - als verweerster in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 81232/ HA ZA 07-621)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het tussenvonnis van 17 oktober 2007.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis in reconventie waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van de vordering van [X.] in reconventie.

2.2. [X.] heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de feiten, zoals door de rechtbank onder 2 van het vonnis van 13 februari 2008 vastgesteld. Het hof zal van diezelfde feiten uitgaan. Voorts staan nog enkele andere feiten als enerzijds gesteld en anderzijds niet gemotiveerd betwist vast. Het hof zal hierna een overzicht van de relevante feiten geven.

a. [X.] is de zoon van [Y.].

b. [X.] dreef vanaf 1992 samen met zijn vader, [Z.] sr. en [A.], een schoonzoon van [Z.] sr., in de vorm van een vennootschap onder firma een automobielbedrijf. In 2001 is deze vennootschap onder firma omgezet in een besloten vennootschap, het huidige Car Center [vestigingsnaam] B.V. (hierna: Car Center). De drie voormalige vennoten werden ieder voor een derde deel aandeelhouder van Car Center.

c. In de periode van 1995 tot 2000 heeft [X.] in opdracht van zijn vader de aankoop verzorgd van een drietal oldtimers, namelijk een Jaguar XJS (hierna: Jaguar), een Mercedes en een Jaguar Daimler (hierna: Daimler). De koopprijs is telkens door [Z.] sr.. betaald en de kentekens van die auto’s stonden op naam van [Z.] sr..

d. Op 26 juli 2004 is [Z.] sr.. onverwacht overleden.

e. [X.] heeft toen zelf er voor gezorgd dat de kentekens van (in ieder geval) de Jaguar en de Mercedes op naam van [Y.] kwamen te staan.

f. Op 20 april 2007 zijn de kentekens van in ieder geval de Jaguar en de Mercedes buiten medeweten van [Y.] op naam van [X.] gezet.

g. De auto’s bevonden zich in het bedrijfpand van Car Center. [Y.] heeft op 19 juli 2007 conservatoir beslag laten leggen op die drie oldtimers.

h. [Y.] heeft in de onderhavige procedure in eerste aanleg in conventie van [X.] gevorderd de afgifte van de drie oldtimers en medewerking aan overschrijving van de kentekens op haar naam. De rechtbank heeft in het vonnis in conventie deze vordering toegewezen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

4.2 In eerste aanleg in reconventie heeft [X.] gesteld dat [Y.] ongerechtvaardigd is verrijkt ten laste van Car Center, omdat op kosten van Car Center de Jaguar en de Mercedes zijn gerestaureerd en opgeknapt; de restauratie van beide auto’s was in 2000 gereed. Voorts zijn alle oldtimers bij Car Center (deels verwarmd) gestald geweest, zonder dat hier enige vergoeding voor is betaald.

Car Center heeft de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking volgens [X.] aan hem heeft gecedeerd en heeft aan [Y.] mededeling van deze cessie gedaan (prod. 3 en 4 akte overlegging producties d.d. 14 november 2007).

Op die grond vordert [X.] thans schadevergoeding van Nieksens ten bedrage van € 36.705,-- excl. btw ter zake van restauratiekosten van de oldtimers en een bedrag van € 44.500,-- voor stallingkosten van deze oldtimers.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de genoemde bedragen onvoldoende waren onderbouwd en heeft de vordering in reconventie afgewezen.

Hiertegen richt zich de grief van [X.] in het onderhavige appel.

4.3 In eerste aanleg heeft [Y.] deze vordering gemotiveerd betwist.

4.4 Ook in hoger beroep dient deze vordering afgewezen te worden wegens gebrek aan deugdelijke onderbouwing, zij het op enigszins andere gronden dan de rechtbank heeft genoemd.

Voor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is van belang dat door degene die daar een beroep op doet, uiteengezet wordt waaruit de verrijking van de ander, in casu [Y.], bestaat en waaruit de verarming van in casu Car Center bestaat, en ten slotte dat deze verrijking ongerechtvaardigd is.

4.5 Allereerst heeft [X.] onvoldoende uiteengezet waarom [Y.] verrijkt is tengevolge van de restauraties van de Jaguar en de Mercedes, terwijl die restauraties plaats hebben gevonden in de periode dat [Z.] sr.. nog leefde en de auto’s nog op diens naam stonden en [X.] niet heeft gesteld dat deze auto’s in die periode al eigendom van [Y.] waren. Kennelijk zijn deze auto’s pas na het overlijden van [Z.] sr.. eigendom van [Y.] geworden; op welke wijze heeft [X.] in het geheel niet gesteld. Dit is ook niet voldoende af te leiden uit het kennelijk door de raadsman van [Y.] als bijlage 1 bij het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag overgelegde verslag van een bespreking tussen [Y.], Starmans en de notaris met betrekking tot de erfrechtelijke gevolgen van het overlijden van [Z.] sr..

Ditzelfde geldt uiteraard voor de kosten van stalling van de oldtimers in de periode tot aan het overlijden van [Z.] sr..

4.6 [X.] heeft verklaard (zie onder meer zijn schriftelijke verklaring bij de memorie van grieven), dat de kosten van de restauraties van de oldtimers bewust niet aan zijn vader in privé in rekening zijn gebracht omdat volgens [X.] de meeropbrengst van die auto’s in Car Center zou worden geïnvesteerd. Of dit in de vorm van een lening van zijn vader aan de vennootschap zou geschieden, of op andere wijze, heeft [X.] daarbij overigens niet vermeld, terwijl dit in casu wel relevant kan zijn.

De omstandigheid, dat deze investering door het onverwachte overlijden van [Z.] sr.. niet heeft plaatsgevonden, heeft mogelijk te maken gehad met de erfrechtelijke afwikkeling van de nalatenschap van [Z.] sr.., waarbij de zaken anders zijn uitgepakt dan [X.] voorstond, maar dit brengt niet zonder meer mee dat dan [Y.] door de restauraties en de bespaarde stallingkosten vóór het overlijden van [Z.] sr.. is verrijkt.

4.7 Ten slotte is niet zonder meer duidelijk waarom [Y.] is verrijkt omdat zij na het overlijden van [Z.] sr.. geen stallingkosten heeft behoeven te betalen. Voor het aannemen van een dergelijke verrijking lijkt in beginsel nodig dat het hier om door [Y.] bespaarde kosten gaat, hetgeen inhoudt dat [Y.] anders elders betaalde stalling zou hebben moeten regelen. Ter zake is evenwel niets gesteld.

4.8 Met betrekking tot de verarming van Car Center ten gevolge van de stallingkosten geldt dat in beginsel slechts sprake is van een verarming als Car Center de stallingruimte anders op financieel voordelige wijze had aangewend en die specifieke verwarmingskosten anders niet zou hebben gemaakt. Ook in dat opzicht is door [X.] onvoldoende gesteld. [X.] lijkt er voorts van uit te gaan dat de kosten, die Car Center bij een willekeurige klant die opdracht tot stalling van zijn auto’s had gegeven in rekening zou hebben gebracht, gelijk staan aan het bedrag der verarming van Car Center. Ook in dit opzicht is de verarming onvoldoende onderbouwd.

4.9 Ten slotte is het ongerechtvaardigde van de veronderstelde verrijking in dit specifieke geval niet voldoende onderbouwd. In een familiebedrijf als het onderhavige, waarin de familieleden destijds kennelijk een goede onderlinge relatie hadden, valt niet zonder meer uit te sluiten dat het gratis stallen van de oldtimers viel onder de in de familiesfeer gebruikelijke diensten, die men zonder verwachting op financiële vergoeding over en weer voor elkaar verricht. Dit geldt met name in de periode na het overlijden van [Z.] sr.. Het hof wijst in dit kader op de opmerking van [Y.] in haar conclusie van antwoord in reconventie, waarin zij stelt dat nooit afgesproken is dat er stallingkosten betaald zouden worden. De omstandigheid, dat de relatie later is verslechterd, doet niets af aan een dergelijke intentie in het verleden.

4.10 Op bovengenoemde gronden, die ieder voor zich voldoende zijn, is het hof van oordeel dat [X.] ook in hoger beroep zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Derhalve gaat het hof voorbij aan zijn bewijsaanbiedingen.

4.11 De grieven van [X.] kunnen derhalve niet slagen en het beroepen vonnis in reconventie dient bekrachtigd worden. Het hof zal [X.] derhalve veroordelen in de kosten van de appelprocedure.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 13 februari 2008 van de rechtbank Roermond, voor zover in reconventie gewezen;

veroordeelt [X.] in de kosten van de appelprocedure, welke kosten het hof tot op heden aan de zijde van [Y.] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. Rothuizen-van Dijk, Vermeulen en Antens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 april 2009.