Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI3339

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
HD 103.005.413
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid in spelsituatie.

Ongeval tijdens tennisles

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2009, 81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. KM

zaaknr. HD 103.005.413

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

derde kamer, van 7 april 2009,

gewezen in de zaak van:

1. [A.,

wonende te [woonplaats],

2. NEWAYS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats A.],

appellanten bij exploot van dagvaarding van 16 mei 2007,

advocaat: mr. M. Hulstein,

tegen:

[B.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 21 februari 2007 tussen appellanten – [A.] en Neways - als eisers en geïntimeerde - [B.] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 145140/HA ZA 06- 1431)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgaand tussenvonnis van 27 september 2006.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven hebben [A.] en Neways zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van hun vordering.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [B.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna hun standpunten doen bepleiten ter terechtzitting van dit hof van 9 februari 2009, zulks aan de hand van pleitnotities. Daarbij trad voor [A.] en Neways op mr. M. Hulstein en voor [B.] mr. S.M. Christiaan.

Tijdens het pleidooi hebben [A.] en Neways twee producties in het geding gebracht.

2.4. Partijen hebben vervolgens de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven strekken ten betoge dat de rechtbank de vordering van [A.] en Neways ten onrechte heeft afgewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Op 1 juni 2004 heeft zich een ongeval voorgedaan tijdens een tennisles op de tennisbaan te [vestigingsplaats B.] waarbij [A.] oog- en hersenletsel heeft opgelopen. Tijdens de tennisles, gegeven door [C.] (trainer), stonden 4 cursisten op de tennisbaan. Er werd gespeeld in tweetallen (enerzijds [A.] met als tegenspeler [D.] en anderzijds [B.] met een andere tegenspeler), waarbij de opzet was dat op de baan tegelijkertijd twee spellen werden gespeeld. De instructie van de trainer hield in dat de bal vanaf de baseline over en weer met topspin schuin over het speelveld (diagonaal) naar de tegenspeler werd geslagen en dit spel zo lang mogelijk gaande werd gehouden.

b. Op enig moment heeft de tegenspeler van [B.] een bal geslagen die vrij kort over het net kwam. [B.] is toen naar het net gesprint en heeft de bal, die eerst nog op de grond stuitte, in zijn loop rechtdoor in de richting van [A.] geslagen. [A.] was op dat moment achter de baseline van de baan ballen aan het rapen. Toen [A.] vanuit gebukte houding omhoog kwam en zijn gezicht naar het net draaide, kreeg hij de door [B.] geslagen bal in het gezicht op het oog. Hij is even buiten bewustzijn geweest. In het ziekenhuis werd aanvankelijk alleen oogletsel vastgesteld. Later bleek [A.] ook hersenletsel te hebben opgelopen.

c. Neways is werkgever van [A.].

4.2. [A.] en Neways hebben – kort samengevat – gevorderd a. een verklaring voor recht dat [B.] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het tennisongeval, en veroordeling van [B.] tot betaling van schadevergoeding;

b. veroordeling van [B.] tot betaling van een voorschot van € 10.000,- op de schadevergoeding, van buitengerechtelijke kosten van € 1.158,- en van alle netto-loonschade die Neways lijdt als gevolg van het tennisongeval tot een totaal bedrag van

€ 49.096,76.

4.3. Bij vonnis van 21 februari 2007 heeft de rechtbank de vordering afgewezen.

4.4. De rechtbank heeft – kort samengevat – het volgende overwogen:

a. Het verwijt van [A.] dat [B.] in strijd met de instructies naar het net is gelopen en de bal vervolgens met een harde aanvallende slag in de richting van [A.] heeft geslagen, slaagt niet (rov. 4.9. en 4.10.).

b. Niet aannemelijk is dat [B.] de bal met opzet in de richting van [A.] heeft geslagen (rov. 4.11.).

Wel staat vast dat [B.] de bal hard heeft geslagen, maar niet staat vast dat [B.] de bal opzettelijk hard heeft geslagen. Veeleer is er sprake geweest van een misslag als gevolg van onvoorzichtigheid en onkunde van de zijde van [B.] (rov. 4.12. en 4.13.).

c. Ook als [B.] de bedoeling heeft gehad de bal hard te slaan in de richting van zijn tegenspeler [D.], was er nog onvoldoende grond om te concluderen tot onrechtmatig handelen van [A.]. Het slaan van harde ballen maakt immers deel uit van het normale tennisspel. (rov. 4.14.)

d. Er is ook geen sprake van het “met opzet wegslaan van de bal”, zoals bedoeld in de gedragsregels van de KNLTB, zonder zich om de gevolgen daarvan te bekommeren.

4.5. In grief 6 beklagen [A.] en Neways zich erover dat de rechtbank slechts heeft getoetst aan de risico’s die aan de (tennis)sport eigen zijn en verzuimd heeft een onderscheid te maken tussen een tenniswedstrijd en een tennisles, en daarmee verzuimd heeft het doel van de tennisles en de verdere omstandigheden van het geval mee te wegen bij de beoordeling van de vraag wat partijen in een dergelijke spelsituatie over en weer van elkaar hebben te verwachten.

4.5.1. In de toelichting op de grieven 1 tot en met 5 lichten [A.] en Neways hun standpunt als volgt nader toe.

a. [B.] handelde wèl in strijd met de instructie van de trainer door op te lopen naar een korte bal, nu vaststaat dat de trainer had gezegd dat dat niet de bedoeling was, dit gezegd is met het oog op de veiligheid van de spelers en [B.] zich daarvan bewust was.

Uit de verklaringen van [B.] en [A.] die zij als getuigen hebben afgelegd in het kader van het voorlopig getuigenverhoor en ter comparitie in eerste aanleg blijkt voorts dat [B.] de bal, die tamelijk hoog was, hard heeft geslagen en dat [B.] naar de grond wilde slaan met de bedoeling om te scoren. Er was dus sprake van een aanvallende slag, een smash, en niet een misslag. (grief 1)

Bovendien (grief 2) handelde [B.] in strijd met het doel van de opgedragen spelvorm, te weten een tennisles waarbij de spelers het spel rustig vanachter de baseline gaande moeten houden door de ballen diagonaal met topspin over en weer te slaan. Het onderscheid tussen een tenniswedstrijd en een tennisles is van wezenlijk belang en de rechtbank besteedt daar ten onrechte geen aandacht aan.

Bij deze spelvorm behoefde [A.] het smashgedrag van [B.], een gevorderde speler, niet te verwachten.

b. Het gedrag van [B.] was in de gegeven omstandigheden grof onzorgvuldig. [B.] heeft verklaard dat hij, toen hij naar het net sprintte, niet heeft gezien of [A.] aan het tennissen was dan wel met iets anders bezig was. Daaruit kan worden afgeleid dat [B.] in het wilde weg heeft geslagen zonder zich om de gevolgen te bekommeren. Dit is onrechtmatig, zelfs als er sprake zou zijn van een misslag (grief 3). [B.] heeft ook erkend dat hij de bal bewust en hard heeft geslagen. [B.] was een ervaren en vergevorderde speler. Van onkunde was geen sprake, maar veeleer van opzettelijk ruw, onbesuisd spel dat totaal niet paste bij de opgedragen spelvorm. Daarom behoefde [A.] deze gedraging van [B.], ook als het een misslag zou zijn, niet te verwachten (grief 4).

4.6. Het hof oordeelt als volgt.

4.7. Gedragingen die buiten de spelsituatie als onvoorzichtig en daarom onrechtmatig zijn aan te merken, behoeven binnen een spelsituatie niet als zodanig te worden beschouwd omdat de deelnemers aan het spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede, onvoldoende doordachte handelingen of andere gedragingen waartoe het spel uitlokt van elkaar hebben te verwachten (HR 20 februari 2004, NJ 2004, 238).

4.8. Het hof is van oordeel dat de in dit geding omstreden gedraging van [B.] is aan te merken als een gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede en onvoldoende doordachte handeling waartoe het spel, in dit geval het tennisspel, uitlokt. Derhalve is die gedraging jegens [A.] niet aan te merken als een onrechtmatig handelen.

4.9. Het hof licht dit oordeel als volgt nader toe.

4.9.1. De trainer [C.] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor als getuige het volgende verklaard:

“De spelvorm waarin ik op dat moment instructie gaf bracht met zich mee dat er vanuit het achterveld moest worden geslagen. Ik heb geen instructie gegeven ballen die half court komen te laten lopen. De bedoeling is dat de ballen die half court komen te gaan halen en vervolgens weer terug te gaan naar de baseline. Voor wat betreft ballen die kort over het net komen, heb ik ook geen speciale instructies gegeven. Ik kan mij herinneren dat de heer [B.] op het moment dat ik omkeek in het servicevak stond; ik denk een meter voor de servicelijn richting het net.”

Bij het afleggen van deze verklaring zijn [A.] en [B.] aanwezig geweest, zodat op de voet van art. 192, lid 1 Rv deze getuigenverklaring tussen hen dezelfde bewijskracht heeft als die welke op de gewone wijze in een aanhangig geding is afgelegd. Neways was niet bij het voorlopig getuigenverhoor aanwezig of vertegenwoordigd, maar er is geen grond om deze verklaring van [C.] in het geding tussen Neways en [B.] buiten beschouwing te laten.

Uit deze verklaring van [C.] blijkt dat [B.] door op te lopen naar het net om de – kort over het net komende – bal terug te slaan niet in strijd met enige instructie heeft gehandeld, doch integendeel het spel gaande heeft willen houden zoals de bedoeling was.

4.9.2. Er zijn voorts geen gronden om te concluderen dat [B.] vervolgens de bal met een aanvallende slag, een smash, heeft teruggeslagen met de bedoeling om te scoren. [B.] heeft uitdrukkelijk verklaard dat dat niet het geval was. De trainer [C.] kan daarover niets verklaren omdat hij met zijn rug naar de baan stond waarop [B.] speelde. Er is dus onvoldoende bewijs om aan te nemen dat [B.] heeft gesmasht.

Gelet op het feit dat de door [B.] geslagen bal rechtdoor ging, richting [A.], en niet diagonaal, richting [D.], en gelet op het feit dat de bal [A.] in het oog raakte toen hij zich oprichtte terwijl hij ruim achter de baseline stond, is duidelijk dat [B.] – in aanmerking genomen het doel van de training – de bal heeft teruggeslagen op een wijze die niet met dat doel overeenkwam. Echter ook de onderhavige training is een tennisspel. Ook dit spel lokt uit tot handelingen of andere gedragingen zoals hierboven in rov. 4.8. genoemd. Onderdeel van dergelijke handelingen of gedragingen kunnen zijn dat een bal hard wordt teruggeslagen.

Uit het feit dat in casu de bal hard was geslagen en dat [B.], toen hij sloeg, niet wist of [A.] “op dat moment aan het tennissen was, de bal opraapte of iets dergelijks”, zoals [B.] als getuige heeft verklaard, kan niet worden afgeleid dat [B.] de bal onbesuisd heeft weggeslagen zonder zich om de gevolgen daarvan te bekommeren. Niet gebleken is dus van handelen in strijd met de gedragsregel van de KNLTB met betrekking tot het “met opzet wegslaan van de bal”.

4.9.3. Het hof komt daarom tot de conclusie dat het door [A.] gestelde grof onzorgvuldig handelen van [B.] niet is komen vast te staan.

De grieven 1 tot en met 6 falen dus.

4.10. In grief 7 stelt [A.] dat de rechtbank niet heeft meegewogen dat [B.] de spel/gedragsregel van de KNLTB heeft overtreden, te weten “Spelers mogen niet binnen de tennisaccommodatie een tennisbal heftig of uit woede wegslaan, schoppen of gooien. Onder “met opzet wegslaan van de bal” wordt verstaan: het opzettelijk buiten de baan slaan van een bal zonder met de gevolgen rekening te houden”.

4.10.1. Deze grief mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft dat wel meegewogen, zoals blijkt uit rov. 4.14. slot van het beroepen vonnis. Ook het hof heeft dat hierboven onder rov. 4.9.2. slot meegewogen. De grief faalt.

4.11. Nu alle grieven falen, dient het beroepen vonnis te worden bekrachtigd en dienen [A.] en Neways te worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 21 februari 2007, waarvan beroep;

veroordeelt [A.] en Neways in de kosten van dit geding, welke kosten, voorzover aan de zijde van [B.] gevallen, worden begroot op € 1.136,- wegens griffierecht en op € 4.893,- wegens salaris van de advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Zweers-Van Vollenhoven en Van Veen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 april 2009.