Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI2766

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
HV 200.021.645
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curatele boven bewind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

JN

28 april 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer HV200.021.645/01

Zaaknummer eerste aanleg 490616 OV 08-2224

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat mr. M.C.H.M. van Beurden,

t e g e n

[Y.],

en

[Z.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat mr. M.P.Y. Verhagen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg, hierna: de rechtbank, van 2 oktober 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie van het hof op 24 december 2008, heeft appellante verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog het verzoek tot ondercuratelestelling af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 februari 2009, hebben geïntimeerden verzocht appellante niet ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- appellante, bijgestaan door mr. Van Beurden;

- geïntimeerden, de vader en de moeder van appellante, bijgestaan door mr. Verhagen;

- de curator, de heer M.F.G.M. Ketelaars.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de zittingen in eerste aanleg op 23 juni 2008,

7 augustus 2008 en 10 september 2008;

- de brief met bijlagen van 23 januari 2009 van mr. Van Beurden;

- de brief met bijlagen van 5 maart 2009 van mr. Van Beurden.

3. De beoordeling

3.1. Bij de beschikking waarvan beroep, heeft de rechtbank appellante onder curatele gesteld op de grond dat appellante wegens een geestelijke stoornis, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt haar belangen behoorlijk waar te nemen (artikel 1:378 lid 1 aanhef en sub a BW), met benoeming van de heer M.F.G.M. Ketelaars tot curator. De rechtbank heeft zich daarbij gebaseerd op zowel de inhoud van de stukken als op het verhandelde op de zittingen in eerste aanleg.

3.2. Appellante kan zich met deze beschikking niet verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen. Appellante voert in haar beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - aan dat zij zeer veel zaken zelf regelt. Zij betwist dat zij ten gevolge van haar beperkingen wordt bemoeilijkt om (geheel) zelfstandig haar belangen behoorlijk waar te nemen, hetgeen zij met een recente medische verklaring zal onderbouwen. Appellante betwist de door de rechtbank uitgesproken vrees dat zij zich teveel laat leiden door derden. Voorts voert appellante aan dat het bij het verzoekschrift behorende verslag van het psychologisch onderzoek verouderd is. Tenslotte meent appellante dat de heer [A.] van de stichting Prisma geen medisch deskundige is en derhalve geen uitlatingen kan doen over de inhoud van de rapportage.

3.3. Geïntimeerden hebben in hun verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting,

- kort samengevat - gesteld dat zij jarenlang direct bij appellante betrokken zijn geweest. Appellante heeft geen inzicht in haar handelen en kent haar grenzen niet. Zodra zij een relatie heeft, geeft zij zich daar volledig aan over, zowel materieel als immaterieel. Het ingebrachte psychologisch rapport bevat objectieve informatie omtrent het hersenletsel na de geboorte. Het is niet aannemelijk dat de intelligentie van appellante sinds 2003 relevant zou zijn toegenomen of het hersenletsel zou zijn hersteld. Ook ten aanzien van de emotionele ontwikkeling zijn geïntimeerden met de heer [A.], appellantes begeleider bij de stichting Prisma, van mening dat het rapport onverminderd actueel is. Appellante heeft zelf haar voorkeur uitgesproken voor raadpleging van de heer [A.] door de kantonrechter. Teneinde appellante te beschermen zagen geïntimeerden geen andere keus dan de rechtbank te verzoeken appellante onder curatele te stellen.

3.4. Het hof overweegt als volgt.

3.4.1.Ingevolge artikel 1: 378 lid 1 aanhef en sub a BW kan een meerderjarige door de kantonrechter onder curatele worden gesteld wegens een geestelijke stoornis, waardoor de gestoorde, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Het hof is van oordeel dat hier sprake van is en overweegt daartoe het volgende.

3.4.2. Uit het verslag van psychologisch onderzoek van 23 juni 2003 blijkt dat appellante bij de geboorte een hersenbloeding heeft gehad, die heeft geleid tot een hersenbeschadiging in de linker hersenhelft. Dit wordt in de door appellante in hoger beroep overgelegde brief van 27 februari 2009 van de psychiater dr. [B.] bevestigd. In deze brief (overigens opgesteld in het kader van een inventarisatie van epileptische aanvallen met mogelijk een psychogene oorsprong en niet in het kader van een ondercuratelestelling) spreekt dr. [B.] tevens met betrekking tot appellante van ‘verstandelijke beperkingen’ en van een ‘intelligentie van laag gemiddeld tot licht beneden gemiddeld bij summiere inschatting’, welke constatering in grote lijnen overeenkomt met de resultaten van de in het verslag van 23 juni 2003 genoemde IQ testen, te weten een totaal IQ van 84 resp. van 57. Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat appelante wegens vroeg niet-aangeboren hersenletsel verstandelijk gehandicapt is in de zin dat er sprake is van een structureel tekort van haar verstandelijke vermogens, hetgeen is te kwalificeren als een geestelijke stoornis in de zin van de wet.

3.4.3. Voorts dient te worden vastgesteld of de geestelijke stoornis een beletsel voor appellante vormt voor een behoorlijke behartiging van haar belangen.

Ter zitting van het hof is onweersproken komen vast te staan dat het in het verleden noodzakelijk was dat geïntimeerden alle financiële zaken van appellante regelden en dat appellante alleen een bankpas had waarmee zij geld kon opnemen van haar zakgeldrekening.

Verder hebben geïntimeerden ter zitting van het hof verklaard dat appellante, nadat zij met haar huidige vriend is gaan samenwonen, kort gezegd, al haar schepen achter zich heeft verbrand. Zo heeft appellante alle contact verbroken met haar gehele familie (ouders, broer, oma), met haar neuroloog in Epilepsiecentrum Kempenhaeghe en met de stichting Prisma, de instelling voor zorg- en dienstverlening aan mensen met een verstandelijke handicap, waar appellante jaren is begeleid. Geïntimeerden hebben gesteld dat dit een terugkerend probleem is nu dit in het verleden diverse keren heeft plaatsgevonden. Iedere nieuwe vriend is ‘de ware’ met wie appellante telkens direct wil samenwonen en trouwen. De relaties van appellante in het verleden hielden niet lang stand en na verbreking daarvan kwam appellante weer terug bij geïntimeerden, die genoodzaakt waren alle door appellante gepleegde (rechts)handelingen zoveel mogelijk ongedaan te maken, met de nodige nadelige financiële gevolgen van dien. Appellante heeft dit alles ter zitting niet ontkend.

Tenslotte heeft de heer [A.] in zijn brief van 14 augustus 2008 vermeld dat appellante intensieve, regelmatige ondersteuning behoeft om op tijd te kunnen signaleren wanneer zaken dreigen fout te lopen en dat tijdige bijsturing dan escalaties kan voorkomen. Het door appellante in haar beroepschrift gestelde dat de heer [A.] geen uitlatingen kan doen over het aan het verzoekschrift gehechte verslag van 23 juni 2003, gaat naar het oordeel van het hof niet op nu appellante ter zitting bij de kantonrechter zelf heeft gekozen voor rapportage door appellantes begeleider bij de stichting Prisma, de heer [A.], nadat de kantonrechter appellante voor de keus had gesteld om óf een externe deskundige óf de heer [A.] te raadplegen. Het hof acht zich met het verslag van 23 juni 2003 en met de brief van 14 augustus 2008 van de heer [A.] alsmede met de brief van 27 februari 2009 van dr. W.P. Dirksen voldoende voorgelicht.

Op grond van al het bovenstaande is het hof van oordeel dat appellante, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is dan wel bemoeilijkt wordt om zowel haar vermogensrechtelijke als haar niet-vermogensrechtelijke belangen naar behoren waar te nemen. Het hof heeft in zijn beoordeling mede betrokken de vraag of een onderbewindstelling van appellante voldoende zou zijn en deze vraag ontkennend beantwoord. Nu naar het oordeel van het hof ook de niet-vermogensrechtelijke belan¬gen van appellante dienen te worden beschermd is de ondercuratelestelling geïndiceerd en zou appellante met een onderbewindstelling onvoldoende beschermd zijn.

3.4.4. Het hof voegt daar het volgende aan toe.

De psychiater dr. [B.] stelt in zijn brief van 27 januari 2009 onder meer dat appellante meerdere keren heeft laten blijken dat zij haar cognitieve beperkingen erkent en hiermee rekening lijkt te houden in haar motivaties en doen en laten en dat appellantes oordeels- en kritiekfuncties ongestoord over komen tijdens gesprek. Dit bevestigt de indrukken die het hof ter zitting van appellante heeft opgedaan, namelijk dat appellante in staat is zich zodanig te presenteren dat haar geestelijke stoornis niet (gemakkelijk en/of altijd) herkenbaar is. Het verzoek tot ondercuratelestelling moet worden beoordeeld in het licht van de belangen van appellante en haar bescherming in het rechtsverkeer. Nu de stoornis niet (gemakkelijk en/of altijd) voor derden herkenbaar is, bestaat ingeval van een onderbewindstelling de reële mogelijkheid dat derden die met appellante in het rechtsverkeer handelen als bedoeld in artikel 1: 439 BW zullen worden beschermd. Aldus zal het vermogen van appellante onvoldoende zijn beschermd en heeft de ondercuratelestelling van appellante naar het oordeel van het hof ook om die reden de voorkeur boven een onderbewindstelling.

3.4.5. Het vorenstaande brengt met zich dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Breda, sector kanton, locatie Tilburg van 2 oktober 2008;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregister een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Breda;

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Milar, Van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2009.