Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI2753

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
20-002134-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 26 Afvalstoffenverordening gemeente Maastricht 2005. Verdachte sorteert thuis afval en gooit het afval in de daarvoor bestemde bakken op het milieuperron. Daarna gooit verdachte een per abuis van huis meegenomen plastic zak, gevuld met plastic verpakkingsmateriaal, in het straatcontainertje nabij het milieuperron. Definitie van 'straatafval' a.b.i. de Afvalstoffenverordening. Symbolische strafoplegging: veroordeling tot een voorwaardelijke geldboete van EUR 3,- met een proeftijd van één dag.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 10.23
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2009, 40K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002134-08

Uitspraak : 29 april 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Maastricht van 3 juni 2008, parketnummer 03-800088-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1949],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroepen vonnis zal worden vernietigd en dat het hof, opnieuw rechtdoende, verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van EUR 45,- met een proeftijd van twee jaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 18 september 2006, in de gemeente Maastricht, een plastic zak, gevuld met plastic verpakkingsmateriaal en/of klein huishoudelijk afval, zijnde andere afvalstoffen dan straatafval, heeft achtergelaten in een van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen, te weten een straatcontainertje.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 18 september 2006, in de gemeente Maastricht, een plastic zak, gevuld met plastic verpakkingsmateriaal, zijnde andere afvalstoffen dan straatafval, heeft achtergelaten in een van gemeentewege geplaatste of voorgeschreven bak, of soortgelijk voorwerp, te weten een straatcontainertje.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

A1

Ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is van de zijde van de verdediging vrijspraak bepleit.

Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de inleidende dagvaarding ten aanzien van het ten laste gelegde niet genoegzaam is gespecificeerd, hetgeen – in de visie van de raadsman - tot vrijspraak dient te leiden. Ter adstructie heeft de raadsman voorts betoogd dat onder de tenlastelegging een wetsartikel is opgenomen, uit welk artikel (artikel 10.23 Wet milieubeheer) niet blijkt wat het verwijt is dat verdachte wordt gemaakt.

A2

Het hof stelt vast de tenlastelegging is toegesneden op het bepaalde in artikel 26 tweede lid van de Afvalstoffenverordening gemeente Maastricht 2005. Het hof overweegt voorts dat op grond van het bepaalde in art. 10.23 Wet milieubeheer de gemeenteraad gehouden is om een afvalstoffenverordening op te stellen alsmede dat in de wet economische delicten in art. 1a sub 3 strafbaar zijn gesteld overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens art. 10.23 wet milieubeheer. Hieruit volgt dat de verwijzing onder de tenlastelegging naar art. 10.23 Wet Milieubeheer niet onjuist is. Dat het wellicht duidelijk was geweest (ook) art. 26 van de Afvalstoffenverordening van de gemeente Maastricht te vermelden, doet daar niet aan af.

A3

Voorts overweegt het hof dat de tenlastelegging, gelezen tegen de achtergrond van het dossier, een voldoende duidelijke, aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen beantwoordende opgave van het tenlastegelegde bevat.

Het dossier houdt in dat verdachte verweten wordt dat zij een plastic zak, gevuld met plastic verpakkingsmateriaal en/of klein huishoudelijk afval, zijnde andere afvalstoffen dan straatafval, heeft achtergelaten in een van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen, te weten een straatcontainertje. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg en uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het verdachte volstrekt duidelijk was waartegen zij zich diende te verweren.

A4

Het hof verwerpt het verweer.

B1

Ter terechtzitting in hoger beroep is van de zijde van de verdediging aangevoerd dat de plastic zak gevuld met plastic verpakkingsmateriaal die verdachte in het straatcontainertje heeft achtergelaten, dient te worden aangemerkt als straatafval. Bij een dergelijke vaststelling dient verdachte te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

B2

Het hof overweegt als volgt.

Aan verdachte wordt ten laste gelegd overtreding van artikel 26, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Maastricht 2005.

Artikel 26 van de Afvalstoffenverordening gemeente Maastricht 2005 luidt:

1. Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.

2. Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.

Artikel 1 van voornoemde afvalstoffenverordening luidt, voor zover van belang:

1. In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan:

(…)

j. zwerfafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde klein gevaarlijk afval, ontstaan buiten een perceel.

B3

In de toelichting op artikel 26 van de Afvalstoffenverordening gemeente Maastricht 2005 wordt, voor zover van belang, het volgende opgemerkt:

Straatafval

In artikel 1 van deze verordening wordt een definitie gegeven van straatafval: “huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een perceel” (Het hof: Een definitie van straatafval is echter niet in dat artikel 1 opgenomen).

Bij het begrip straatafval gaat het in feite om afval ‘dat onderweg ontstaat’, buiten een perceel, dat niet als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht dient te komen en waarvoor je de burger (in dit geval ook toeristen) de mogelijkheid wilt bieden om zich ter plekke ervan te ontdoen (voorzover van zeer beperkte omvang en gewicht). Klein gevaarlijk afval is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving. Dit afval dient in alle gevallen via de daartoe opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd. In de definitie van straatafval wordt uitdrukkelijk gesproken over “buiten een perceel ontstaan”. Een huishoudelijke afvalstof, ontstaan op of binnen het perceel, moet worden aangeboden volgens de bepalingen uit de paragraaf over het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen (regels voor de burger over de aanbieding van huishoudelijke afvalstoffen).

In de artikelsgewijze toelichting bij “Artikel 1 Begripsomschrijvingen’’ staat vermeld:

‘Het verschil tussen straatafval en zwerfafval is dat straatafval dat niet in een prullenmand wordt achtergelaten, maar in de openbare ruimte terecht komt, zwerfafval wordt.’’

B4

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof ten aanzien van het tenlastegelegde de volgende feiten en omstandigheden vast.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 maart 2007 van de regiopolitie Limburg-Zuid, proces-verbaalnummer 18.09.2006.1915.8423, werd op 18 september 2006 omstreeks 19.15 uur door verbalisant [naam verbalisant] (bijzonder opsporingsambtenaar) waargenomen dat verdachte [verdachte] een plastic zak, gevuld met plastic verpakkingsmateriaal, deponeerde in het straatcontainertje dat stond aan [straatnaam] te Maastricht. Hierop is proces-verbaal tegen verdachte opgemaakt.

Uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 september 2008, opgemaakt door [naam verbalisant] van de gemeente Maastricht, Domein Stadsontwikkeling Economie en Beheer, Sector Vergunnen, Toezicht en Handhaven, Team Handhaven, proces-verbaalnummer 18.09.2006.1915.8423, volgt dat het afval dat door verdachte in de gemeentelijke afvalbak werd gedeponeerd, door haar van huis was meegenomen. Verdachte heeft hierover blijkens dat aanvullend proces-verbaal verklaard: “ik heb al het afval van huis meegenomen”.

Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 3 juni 2008 heeft verdachte verklaard dat zij op 18 september 2006 te Maastricht een plastic zak met meerdere plastic zakjes erin in een straatcontainer heeft gegooid. Verder verklaart zij dat zij thuis al het afval heeft gesorteerd en dat zij (het hof begrijpt: op het milieuperron aan [straatnaam] te Maastricht) het afval in de daarvoor bestemde bakken heeft gedaan, waarna zij de kleine zakjes heeft weggegooid in het straatcontainertje. Voorts verklaart zij bij die gelegenheid: “Ik had de zakjes van huis meegenomen, samen met het andere afval.” Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2009 heeft zij deze verklaring in zijn geheel bevestigd.

B5

Gelet op het voorgaande, in het bijzonder gelet op de toelichting die op artikel 26 van de afvalstoffenverordening worden gegeven, kan naar het oordeel van het hof het door verdachte in het straatcontainertje gedeponeerde afval niet worden aangemerkt als straatafval, aangezien het betreffende huishoudelijk afval niet onderweg, maar binnen het perceel van verdachte zelf is ontstaan. Derhalve kan het tenlastegelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 26 van de Afvalstoffenverordening gemeente Maastricht 2005, juncto artikel 10.23 Wet milieubeheer, juncto artikel 1a, aanhef en onder 3° van de Wet op de economische delicten, juncto artikel 2, derde lid, van de Wet op de economische delicten, en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 4° van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft er op 18 september 2006 - om voor haar moverende redenen - voor gekozen om een per abuis van huis meegenomen plastic zakje, gevuld met plastic verpakkingsmateriaal te deponeren in een straatcontainertje, zoals is bewezen verklaard. Door deze (praktische) keuze te maken heeft de verdachte zich buiten het door de gemeentelijke wetgever vastgestelde kader geplaatst. Het hof is van oordeel dat een dergelijke handelwijze in beginsel niet toelaatbaar is en dat zulks daarom straf verdient.

Anderzijds is naar het oordeel van het hof volstrekt invoelbaar dat verdachte - in haar beleving naar beste eer en geweten - heeft gehandeld, zoals zij onder de gegeven omstandigheden heeft gedaan. Verdachte heeft een kleine hoeveelheid huishoudelijk afval, nl plastic tasjes, in een straatcontainer gedeponeerd.

De Afvalstoffenverordening stelt een dergelijke handelwijze strafbaar, maar tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat dit een gedraging van geheel andere aard is dan het (meer klakkeloos) op straat gooien van afval of het deponeren van grote hoeveelheden huishoudelijk afval in straatcontainers, teneinde bijvoorbeeld kosten voor het ophalen van dat afval te voorkomen of verminderen. Van zo een misbruik van gemeentelijke voorzieningen is in casu niet gebleken. Het zal voor verdachte dan ook niet, althans zeer lastig, te begrijpen zijn waarom zij - onder de gegeven omstandigheden - ter zake van overtreding van dit bagateldelict (tot in hoger beroep) wordt vervolgd, laat staan dat zij hiervoor wordt veroordeeld.

Het hof zal deze aspecten mee wegen in de op te leggen straf. Het hof acht een symbolische strafoplegging in het onderhavige geval passend.

Door de op te leggen geldboete wordt de uiterst geringe ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt tevens geaccentueerd dat zowel de samenleving als de betrokkene in deze zaak belang hebben bij een efficiënte en doelmatige handhaving van de afvalstoffenverordening alsmede het hanteren van een juiste prioritering daarbij.

Het hof ziet op grond van het voorgaande reden om een geldboete op te leggen van een hoogte die gelijk is aan het wettelijk bepaalde minimum voor geldboetes. Voorts ziet het hof aanleiding om de op te leggen geldboete geheel voorwaardelijk op te leggen.

Bij wijze van symboliek zal het hof de proeftijd bepalen op één dag.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, artikel 26 van de Afvalstoffenverordening gemeente Maastricht 2005 en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.23 Wet milieubeheer

(artikel 26 van de Afvalstoffenverordening gemeente Maastricht 2005).

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 3,00 (drie euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis.

Bepaalt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 1 (één) dag aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend en mr. N.J.M. Ruyters,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.A. van Ham, griffier,

en op 29 april 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.