Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI2464

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
20-000023-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2007:BC1031, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ6562, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ6562
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 245 (meermalen gepleegd)

1. Gelet op de in het arrest weergegeven, ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde, verklaringen van het slachtoffer is het hof van oordeel dat het slachtoffer het seksueel handelen van verdachte dat zij op 4 juli 2006 in haar slaapkamer in de woning van haar moeder te Eersel heeft ervaren onvoldoende heeft kunnen duiden om op grond daarvan te kunnen komen tot een bewezenverklaring van hetgeen verdachte ten laste is gelegd onder het derde streepje van het primair ten laste gelegde.

2. Verwerping van het verweer dat er minstgenomen kan worden getwijfeld aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de aangifte en de overig in het geding zijnde verklaringen van het slachtoffer, nu deze kort gezegd innerlijke tegenstrijdigheden zouden bevatten en geen steun zouden vinden in overige bewijsmiddelen.

3. Verwerping van het verweer dat het aannemelijk is dat het slachtoffer ten gevolge van jaloezie dan wel uit wraakgevoelens een valse aangifte tegen verdachte heeft gedaan.

4. Straf: gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000023-08

Uitspraak : 24 april 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 december 2007 in de strafzaak met parketnummer 01/820161-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1949],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, waarbij verdachte van het ten laste gelegde is vrijgesproken, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren, met dien verstande dat het hof verdachte van hetgeen ten laste is gelegd onder het derde gedachtestreepje van het primair ten laste gelegde zal vrijspreken, en verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren, zal opleggen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2006 tot en met 13 februari 2007 te Eersel en/of te Leende, in elk geval in Nederland, met

[slachtoffer], geboren op [1992], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal,

- die [slachtoffer] gestreeld over haar borsten en/of vagina en/of

- die [slachtoffer] gevingerd en/of

-zijn verdachtes, penis en/of vinger(s) gebracht in de vagina en/of anus van die [slachtoffer];

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2006 tot en met 13 februari 2007 te Eersel en/of te Leende, in elk geval in Nederland, met

[slachtoffer], geboren op [1992], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hebbende

verdachte meermaals, althans eenmaal,

- die [slachtoffer] gestreeld over haar borsten en/of vagina en/of

- die [slachtoffer] gevingerd en/of

- zijn verdachtes, penis en/of vinger(s) gebracht in de vagina en/of anus van die [slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof begrijpt dat de steller van de tenlastelegging met hetgeen ten laste is gelegd onder het derde gedachtestreepje van het primair en het subsidiair ten laste gelegde kennelijk doelt op hetgeen volgens aangeefster [slachtoffer] op 4 juli 2006 in haar slaapkamer in de woning van [moeder slachtoffer] te Eersel is voorgevallen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 februari 2006 tot en met 4 juli 2006 te Eersel met [slachtoffer], geboren op [1992], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer], hebbende verdachte meermalen

- die [slachtoffer] gestreeld over haar vagina en

- die [slachtoffer] gevingerd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de vrijspraak van hetgeen verdachte ten laste is gelegd onder het derde gedachtestreepje van het primair ten laste gelegde, overweegt het hof in het bijzonder nog het navolgende.

[slachtoffer] heeft in haar aangifte, voor zover hier van belang, verklaard niet te weten of verdachte met zijn geslachtsdeel in haar vagina of in haar anus is geweest.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij dienaangaande, voor zover hier van belang, verklaard:

“Ik voelde zijn geslachtsdeel tussen mijn benen. (…) [toevoeging hof: Ik] wist niet of hij in mijn vagina of in mijn anus was geweest. Ik had nog nooit seks gehad, dus wist niet hoe het voelt als een man met zijn geslachtsdeel in je vagina komt. ’s Avonds had ik rond mijn vagina veel pijn. Ik dacht daardoor dat hij in mijn vagina was geweest, maar dat weet ik nog steeds niet zeker. Mijn anus deed ’s avonds geen pijn. Daarom dacht ik dat hij in mijn vagina was geweest.”

Gelet op deze verklaringen is het hof van oordeel dat [slachtoffer] het seksueel handelen van verdachte dat zij heeft ervaren onvoldoende heeft kunnen duiden om op grond daarvan te kunnen komen tot een bewezenverklaring van hetgeen ter zake ten laste is gelegd.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Van de zijde van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, een en ander nader uitgewerkt in de pleitnota, dat er minstgenomen kan worden getwijfeld aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de aangifte en de overige in het geding zijnde verklaringen van [slachtoffer], nu deze kort gezegd innerlijke tegenstrijdigheden bevatten en geen steun vinden in overige bewijsmiddelen.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Uit hetgeen [slachtoffer] tegenover de politie heeft verklaard komt naar voren dat verdachte in de periode van 1 februari 2006 tot en met 4 juli 2006 in de woning van haar moeder te Eersel meermalen haar vagina heeft betast en haar meermalen heeft gevingerd. Ter terechtzitting in hoger beroep is [slachtoffer] als getuige onder ede daarbij gebleven.

Anders dan door de raadsman is betoogd, acht het hof de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen, voor zover tot het bewijs gebezigd, ook gelet op de omstandigheid dat [slachtoffer] ter terechtzitting van het hof bij een confronterende en uitgebreide ondervraging ook over intieme aangelegenheden - voor zover hier van belang - in de kern onverkort is gebleven bij hetgeen zij tegenover de politie heeft verklaard, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Het hof heeft daarbij voorts in aanmerking genomen dat de verklaringen van [slachtoffer] steun vinden in de (over de fysieke contacten tussen [slachtoffer] en verdachte) door [moeder slachtoffer] bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank

’s-Hertogenbosch, en de door [oma slachtoffer] tegenover de politie afgelegde verklaringen, zoals daarvan blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Hetgeen door de raadsman is aangevoerd doet daaraan naar ’s hofs oordeel niet af.

Uit de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer] volgt dat verdachte in zijn seksuele toenadering steeds verder ging en daarbij gebruik maakte van gelegenheden die zich voordeden. Anders dan door de raadsman van verdachte is betoogd is het hof niet gebleken dat [slachtoffer] haar verklaringen omtrent die seksuele toenaderingen heeft aangedikt.

Het hof verwerpt het verweer.

Van de zijde van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep voorts aangevoerd, een en ander nader uitgewerkt in de pleitnota, dat het aannemelijk is dat [slachtoffer] ten gevolge van jaloezie dan wel uit wraakgevoelens een valse aangifte tegen verdachte heeft gedaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

[slachtoffer] heeft ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover hier van belang, verklaard:

“De aangifte die ik heb gedaan en mijn verklaring van heden hebben niets te maken met mijn relatie met [naam vriend slachtoffer]. Ik weet dat mijn moeder en [verdachte] niet wilden dat ik [naam vriend slachtoffer] zoveel zag en sprak en dat mijn moeder er niet achter staat dat ik een relatie met [naam vriend slachtoffer] heb, maar dat is voor mij geen reden om een valse aangifte te doen. Ik mag [verdachte] absoluut niet, maar ik ga niet zomaar aangifte doen tegen iemand die ik niet mag. Ik heb ook geen aangifte gedaan tegen [verdachte], omdat hij een relatie met mijn moeder heeft. De relatie tussen mij en mijn moeder is nooit echt goed geweest. De relatie met mijn moeder zou niet ineens goed worden als zij geen relatie meer met [verdachte] zou hebben. Ik heb ook geen aangifte gedaan tegen [verdachte], omdat ik [naam vriend slachtoffer] niet meer mocht zien. Ook als ik geen aangifte tegen [verdachte] had gedaan, had ik nu een relatie met [naam vriend slachtoffer] gehad en had ik geen contact meer gehad met mijn moeder. Omdat ik tegen de wil van mijn moeder en [verdachte] een relatie heb met [naam vriend slachtoffer], hebben mijn moeder en [verdachte] mij sowieso laten vallen. Ik heb ook geen aangifte gedaan, omdat ik wraak wilde. Ik heb aangifte gedaan, omdat [naam vriendin slachtoffer] en [naam vriend slachtoffer] mij ervan hebben overtuigd dat [verdachte] niet zomaar aan mij had mogen zitten. Ik zit hier niet voor mijn lol. Ik heb tegenover de politie en heden ter terechtzitting naar waarheid verklaard. Ik heb verklaard wat ik mij herinner en heb er niets bij verzonnen en heb mijn verhaal ook niet aangedikt. Ik vind het echt niet leuk om te vertellen dat iemand aan mij heeft gezeten en schaam me ook voor veel dingen. Ik ben niet voor niets in behandeling bij een psychiater. (…) Ik zou nooit aangifte tegen iemand doen, terwijl die persoon niets verkeerds heeft gedaan. Ik zou er niet mee kunnen leven als [verdachte] wordt gestraft voor iets dat hij niet heeft gedaan.”

Voorts heeft [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep verklaard:

“Voordat mijn moeder een relatie kreeg met [verdachte] was ze bijna altijd chagrijnig. Ze liep vaak te schelden op mijn vader, omdat die de alimentatie niet betaalde. Ook had ze vaak ruzie op haar werk en dat kreeg ik dan te horen. Verder klaagde ze altijd dat ze nergens geld voor had. Toen [verdachte] in haar leven kwam, veranderde ze en daarmee veranderde de sfeer bij ons thuis. Ik zag dat ze gelukkig met hem was. Ik was bang dat als ik mijn moeder zou vertellen wat [verdachte] bij mij deed, zij de relatie met [verdachte] zou verbreken en alles weer zou worden zoals het daarvoor was. Dat wilde ik niet. Ik wilde dat mijn moeder gelukkig was en kreeg toen zij net een relatie met [verdachte] had ook best een goede relatie met haar. Dat wilde ik zo houden.”

Het hof acht deze verklaringen invoelbaar, nu deze weergeven in welke moeilijke positie [slachtoffer] verkeerde. De verklaringen zijn naar het oordeel van het hof ook hier authentiek en consistent. Dat de relatie van [slachtoffer] met haar moeder en de relatie van [slachtoffer] met [naam vriend slachtoffer] een rol zou hebben gespeeld bij haar afwegingen om tegen verdachte aangifte ter zake van seksueel misbruik te doen, acht het hof, gelet op voornoemde verklaringen, onaannemelijk. Hetgeen door de raadsman overigens ter zake is aangevoerd, doet daaraan naar ’s hofs oordeel niet af. Het hof verwerpt ook dit verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Met een straf als door de advocaat-generaal is gevorderd kan naar ’s hofs oordeel niet worden volstaan, omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte ernstig misbruik heeft gemaakt van de omstandigheid dat [slachtoffer] zich in een afhankelijke positie ten opzichte van hem bevond en weinig weerbaar was;

- de mate van het leed dat verdachte met zijn bewezen verklaarde handelen [slachtoffer] heeft aangedaan, te weten een ernstige aantasting van haar lichamelijke integriteit en haar persoonlijke levenssfeer.

In strafmatigende zin heeft het hof rekening gehouden met het tijdsverloop sedert het bewezen verklaarde en de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 14 januari 2009 niet eerder is veroordeeld.

Nu het hof verdachte geen deels voorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, behoeft het strafmaatverweer van de verdediging dat het hof bij de bepaling van de hoogte van een eventueel op te leggen vrijheidsbenemende straf acht dient te slaan op de werking van de huidige Wet voorwaardelijke invrijheidstelling, omdat deze huidige wet effecten heeft op de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf, geen bespreking.

Anders dan door de verdediging is betoogd ziet het hof geen aanleiding aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Het hof acht de hierna op te leggen straf, zowel wat betreft strafsoort als strafmaat, het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is gepleegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. H. Eijsenga, voorzitter, mr. M.J.H.J. de Vries - Leemans en

mr. J.G. Sillevis Smitt,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier,

en op 24 april 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.G. Sillevis Smitt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.