Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI2414

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
20-000980-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM6919, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BM6919
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof legt twaalf jaar gevangenisstraf op voor verkrachting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000980-08

Uitspraak : 28 april 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 29 februari 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-811719-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in PI Achterhoek - Gev. Ooyerhoekseweg te Zutphen,

waarbij:

- de verdachte voor de primair ten laste gelegde verkrachting werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 10 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging werd opgelegd.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat:

- primair het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging;

- subsidiair de verdachte van de gehele tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 10 september 2006 te Breda door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, zijn penis en/of tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn vinger in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] geduwd en/of zijn penis in/tegen de vagina en/of anus van die [slachtoffer] geduwd en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) in de woning en/of de slaapkamer van die [slachtoffer] is binnengedrongen en/of tegen die [slachtoffer] heeft gezegd – zakelijk weergegeven – dat ze niets mocht vertellen en/of niet mocht roepen, anders zou hij, verdachte, iedereen dood maken en/of een jurkje over haar gezicht/ogen heeft gelegd en/of door zijn (fysiek en/of psychisch) overwicht voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair

hij op of omstreeks 10 september 2006 te Breda, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, zijn penis en/of tong in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn vinger in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] geduwd en/of zijn penis in en/of tegen de vagina en/of anus van die [slachtoffer] geduwd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

1. de onschuldpresumptie stelselmatig is geschonden, waardoor sprake is van ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak en er niet meer kan worden vertrouwd op de betrouwbaarheid en juistheid van de in het dossier gepresenteerde bewijsmiddelen;

2. de verbaliseringsplicht als bedoeld in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering door de politie is geschonden;

3. aan de verdediging de stukken die betrekking hebben op het DNA-onderzoek van sporenmateriaal, aangetroffen in de woning van het slachtoffer, alsmede de verzochte contra-expertise is onthouden.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

B.

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 1. gestelde:

B.1

Aan het verweer dat de onschuldpresumptie stelselmatig zou zijn geschonden is allereerst ten grondslag gelegd dat politie en NFI hebben nagelaten onderzoeken, waarvan de uitkomst ontlastend voor verdachte zou kunnen zijn, te verrichten.

B.1.1

Uit het dossier blijkt omtrent het verloop van het opsporingsonderzoek, voor zover hier van belang, het volgende.1

Op 10 september 2006 om 08.45 uur ontving de afdeling zeden van de districtsrecherche Breda de melding dat [slachtoffer] die ochtend door een onbekende man in haar ouderlijke woning seksueel was misbruikt.2 [slachtoffer] had haar moeder onder meer verteld dat zij door een onbekende man was gedwongen zijn penis in de mond te nemen, dat zij iets vies in haar mond kreeg en dat ze dit heeft uitgespuugd op de grond naast haar bed.3 Tijdens het studioverhoor heeft zij dit herhaald.4

In de woning waar het ten laste gelegde zich zou hebben voorgedaan werd op 10 september 2006 een technisch onderzoek ingesteld. Daarbij werd onder meer een stuk vloerbedekking uitgesneden en voor nader onderzoek veiliggesteld.5 Op dat stuk vloerbedekking werd door het NFI een spermaspoor aangetroffen. Daaruit werd een DNA-profiel verkregen dat overeenkwam met het DNA-profiel van verdachte.6

B.1.2

Nog daargelaten dat technisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar de wijze waarop de dader de woning van het slachtoffer aan de [straat] in Breda is binnengekomen7 en dat een uitgebreid buurtonderzoek is uitgevoerd8 kan het hof – in aanmerking genomen het positieve onderzoeksresultaat als hierboven sub B.1.1. weergegeven alsmede de omstandigheid dat er van geen enkele aanwijzing is gebleken, dat bij het onderhavige misdrijf meer dan één dader zou zijn betrokken – de verdediging niet volgen in haar stelling dat nader onderzoek op de plaats delict of elders verricht had dienen te worden, doch in strijd met de belangen van verdachte achterwege is gebleven.

B.2

Namens de verdachte is voorts aangevoerd dat van meet af aan bij de politie de gedachte had postgevat dat verdachte de dader was, als gevolg waarvan op de Aanvrage onderzoek, waarmee bovenbedoeld stuk vloerbedekking aan het N.F.I. is opgestuurd, de naam van verdachte reeds was vermeld.

B.2.1.

[Verbalisant 3] heeft in een aanvullend proces-verbaal onder meer het volgende gerelateerd:

“De vermoedens die niet alleen ik had richting voornoemde [verdachte] maar met mij diverse andere collegae, heb ik aan collega [verbalisant 4] doorgegeven.

De reden hiervoor was dat het NFI dan mogelijk “gerichter” en sneller het aangetroffen sporen materiaal kon vergelijken met het in de DNA databank aanwezige DNA van [verdachte], zodat ook mogelijk sneller bekend was of [verdachte] als verdachte aangemerkt of juist uitgesloten kon worden.”9

B.2.2.

[Verbalisant 4] heeft in een aanvullend proces-verbaal onder meer het volgende gerelateerd:

“De spoedaanvraag werd door mij op 12 september 2006 telefonisch besproken met de spoedcoördinator van het NFI en geaccepteerd. In de aanvraag aan het Nederlands Forensisch Instituut, door mij opgemaakt d.d. 12 september 2006, werden op de gebruikelijke plaats, waar indien bekend de naam van een verdachte kon worden ingevuld, de gegevens vermeld van [verdachte], die op dat ogenblik als een mogelijke verdachte door het tactisch team werd aangemerkt.”10

B.2.3.

De deskundige Blom van het NFI heeft ter terechtzitting in eerste aanleg onder meer verklaard:

“Met het feit dat de naam van verdachte al op 12 september 2006 werd vermeld doe ik niets. De uitslag van het onderzoek gaat gewoon naar de databank als altijd. Mocht er geen match gevonden worden, dan vragen wij het OM of er nader onderzoek moet worden verricht. De onderzoekers van de referentiemonsters en de sporen weten die naam evenmin. Zij werken in afzonderlijke ruimtes en worden bewust niet in kennis gesteld.”11

B.2.4.

Het hof begrijpt uit hetgeen als bovenweergegeven is gerelateerd door [verbalisant 4] en [verbalisant 3] dat op de onderzoeksaanvraag aan het NFI de naam van verdachte niet om een andere reden was vermeld dan om kenbaar te maken dat deze bij de politie op grond van ambtshalve bekendheid met hem, dan wel met de van hem bekende modus operandi als mogelijke verdachte bij het tactische team in beeld was gekomen.

Voor zover in het verweer de suggestie daarvan besloten ligt, overweegt het hof nog dat er aldus van enige onjuiste vorm van sturing door de politie geen sprake is geweest. Blijkens de evenweergegeven verklaring van de deskundige Blom is het DNA-onderzoek daardoor ook niet (kunnen worden) beïnvloed.

B.3

Naar het oordeel van het hof zijn geen omstandigheden gesteld of (anderszins) aannemelijk geworden die de stelling zouden kunnen rechtvaardigen dat de onschuldpresumptie (stelselmatig) is geschonden.

C.

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 2. gestelde:

C.1

Aan het verweer dat de verbaliseringsplicht zou zijn geschonden is ten grondslag gelegd dat geen proces-verbaal is opgemaakt van telefoongesprekken die de politie heeft gevoerd met de raadsman en met de moeder van verdachte teneinde de verblijfplaats van de [verdachte] te achterhalen.

C.2

Voor zover die gesprekken hebben plaatsgehad, zijn deze kennelijk niet geverbaliseerd. In aanmerking genomen dat in ieder geval niet is gebleken dat die resultaat hebben gehad bij de pogingen om de verdachte op te sporen, levert dat niet een zodanig ernstig verzuim op dat dat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging.

D.

Met betrekking tot het hiervoor onder A. 3. gestelde:

D.1

Aan het verweer dat de verdediging stukken, die betrekking hebben op het DNA-onderzoek van sporenmateriaal aangetroffen in de woning van het slachtoffer, en de verzochte contra-expertise zijn onthouden is – onder meer - ten grondslag gelegd dat:

- de deskundige Blom ter terechtzitting in eerste aanleg het bewijs gaf dat stukken die de verdediging worden onthouden cruciale informatie kunnen bevatten;

- de verdediging zowel ter terechtzitting in eerste aanleg, bij appèlschriftuur als ter terechtzitting in hoger beroep heeft verzocht om een volledige contra-expertise.

D.2

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 1 november 2007 zijn door de deskundige Blom het aanvraagformulier van 12 september 2006, het waarnemingsblad en een setje foto’s, waarop het slipje van [slachtoffer] en de vloerbedekking te zien zijn, aan de verdediging overgelegd. Voor het overige stelt het hof vast dat stukken die gebruikelijk met betrekking tot DNA-onderzoeken worden opgemaakt in het strafdossier aanwezig zijn en aan de verdediging ter beschikking zijn gesteld. De stelling dat er buitendien nog relevante stukken nopens het DNA-onderzoek aanwezig zijn, is door de verdediging desgevraagd niet gespecificeerd kunnen worden. Aldus is niet aannemelijk geworden dat aan de verdediging stukken zijn onthouden. In het licht daarvan wijst het hof tevens het verzoek om te gelasten dat deze stukken alsnog aan het dossier worden toegevoegd af.

D.3

In de onderhavige strafzaak is door de rechtbank ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 november 2007 het verzoek van de verdediging om een tegenonderzoek, inhoudende een volledig sporenonderzoek, waarbij het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek gebruik zou moeten maken van het stuk vloerbedekking en de helft van het extract, afgewezen. Zij heeft wel een ander tegenonderzoek gelast; naar aanleiding daarvan is door het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek uit het extract van het spermaspoor opnieuw een DNA-profiel verkregen en vergeleken met het DNA-profiel verkregen uit een nieuw referentiemonster van verdachte. Deze DNA-profielen kwamen volledig overeen.12 In aanmerking genomen de omstandigheid dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat het onderzoek van het stuk vloerbedekking en het aantreffen daarop van een spermaspoor niet lege artis heeft plaatsgehad, is het hof niet gebleken van enige omstandigheid die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging.

E.

Tot dat gevolg kunnen naar s’-hofs oordeel op grond van het bovenoverwogene de stellingen van de verdediging op zich noch in samenhang met elkaar bezien leiden. Evenmin zijn overigens gronden daartoe aannemelijk geworden.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

Vaststaande feiten

Het hof stelt het volgende vast.

[slachtoffer] is geboren op [geboortedatum] 1997. Ten tijde van het ten laste gelegde woonde zij op het [adres] te Breda.13

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

F.

Op 10 september 2006 is door [moeder slachtoffer] als wettelijk vertegenwoordigster van [slachtoffer] aangifte gedaan van verkrachting. Deze aangifte houdt – zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:

“Het was tussen 08.00 uur en 08.30 uur die zondagochtend 10 september 2006 toen ik [slachtoffer] op mijn slaapkamer hoorde. [slachtoffer] kwam naar mij toe gelopen en zij ging op haar hurken op de grond zitten voor mijn bed. Ik zag dat zij aan het huilen was.

Ik vroeg haar wat er was. [slachtoffer] kwam op bed zitten en vertelde mij toen dat er een man op haar kamer was geweest en dat zij aan zijn piemel moest zuigen, dit vond zij vies en dat had zij uitgetuft (het hof begrijpt: uitgespuugd).

[slachtoffer] bleef ook zeggen dat de man had gezegd dat zij niets mocht vertellen anders zou hij iedereen dood maken. Ik ben met [slachtoffer] naar haar slaapkamer gegaan. Zij heeft mij aangewezen waar zij getuft had. Ik zag dat daar inderdaad een nat plekje was.

[slachtoffer] vertelde verder dat zij niet had geroepen omdat dit niet mocht van de man en als zij dat wel deed dat hij dan iedereen dood zou maken.”14

G.

Op 11 september 2006 is [slachtoffer] gehoord in de kindvriendelijke verhoorstudio van de politie. Het proces-verbaal van dat studioverhoor houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

“V = verhoorder

[initiaal slachtoffer] = [naam slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer])

[slachtoffer]: Gisteren om vijf (5) uur 's ochtends kwam een man in mijn kamer en die, eerst dacht ik dat het mijn moeder was, alleen omdat die man de hele tijd een vinger voor zijn mond deed (doet voor) toen dacht ik dat kan mijn moeder niet zijn. En toen zei hij allemaal dingen wat ik moest doen. Anders zou hij mij dood maken. En toen moest ik mijn ondergoed uit doen en moest ik met hem zoenen en toen moest ik ook op zijn piemel zuigen. Ik moest allemaal dingen doen wat hij zei. En toen hij weg ging toen zei hij tegen mij: je zegt het tegen niemand anders vermoord ik jullie gezin.

Alleen toen ik aan zijn piemel moest zuigen dat was op het laatste moment had ik het uitgespuugd in mijn kamer. Ik durfde mijn kamer niet meer uit te gaan, ik was bang om hem tegen te komen en dus de politie heeft dat stukje hebben ze er uit gehaald wat ik heb uitgetuft en dat hebben ze meegenomen naar het politiebureau. Hij heeft ook nog een jurk van mij heeft hij op mijn ogen gelegd.

V: Hoe weet jij dat het vijf (5) uur 's ochtends was?

[slachtoffer]: het was ongeveer om vijf uur 's ochtends want ik word heel vroeg wakker en toen hij wegging toen stond vijf uur vijfentwintig (5:25) op mijn wekker.

V: toen hij wegging toen stond er vijf uur vijfentwintig op jouw wekker. En toen hij kwam wat stond er toen op jouw wekker.

[slachtoffer]: dat kon ik niet zien

[slachtoffer]: ik denk wel dat het vijf uur was

V: en hoe komt het dat je dat niet kon zien

[slachtoffer]: omdat hij meteen al een jurk op mijn ogen legde

[slachtoffer]: Die man die zei stilte je moet stil zijn, doe alles wat ik zeg, anders vermoord ik je

[slachtoffer]: En toen zei hij tegen mij van je moet heel stil zijn en doe alles wat ik zeg anders vermoord ik je

V: dus je zegt van als ik wakker werd dan ligt het dekbed ligt nog op jou en dan, wat gebeurt er dan als die meneer zegt van jou moet blijven liggen

[slachtoffer]: toen ging hij naar me toe, een paar minuten later, en toen zei hij tegen mij: doe je ondergoed uit, anders schiet ik je dood, dus dat heb ik gedaan en toen

V: en wat bedoel je met jouw ondergoed? Wat had je uitgedaan?

[slachtoffer]: mijn onderbroek

V: oké. En hoe zat het toen met het dekbed

[slachtoffer]: toen heeft die meneer die heeft dat weggelegd. Heeft hij zo daar heen gedaan.

V: teruggeslagen

[slachtoffer]: knikt ja

V: en die onderbroek van jou hè, waar is die gebleven?

[slachtoffer]: die heeft de politie nu

V: die heeft de politie nu. Maar jij trekt jouw onderbroek uit zeg je tegen mij [slachtoffer] en waar laat je die onderbroek dan

[slachtoffer]: die had ik toen hier zo naast mij neergelegd

V: oké. En nou heb je jouw onderbroek uitgedaan en dan wat doet die meneer dan als jij jouw onderbroek heb uitgedaan

[slachtoffer]: ja toen deed hij met zijn vinger ergens

V: met zijn vingers ergens. En waar deed hij met zijn vingers

[slachtoffer]: waarmee ik plas en poep

V: waar jij mee plast en poept. En wat deed hij dan met zijn vinger

[slachtoffer]: daar ging hij daarin, toen deed hij zo (maakt draaiende bewegingen met een vinger)

V: en waar ging hij in?

[slachtoffer]: dat weet ik niet

V: Ging hij in waar jij altijd mee plast of ging hij in waar je altijd mee poept

[slachtoffer]: dat weet ik niet meer

V: Hoe komt het dat je dat niet meer weet

[slachtoffer]: omdat ik toen heel erg bang was en ik heb het gisteren ook al verteld en ik ben sommige dingen ben ik ook wel vergeten

V: stond die meneer of zat die meneer

[slachtoffer]: hij stond

V: hij stond. En wat zei hij toen?

[slachtoffer]: hij zei helemaal niks

V: Jij zei strakjes van hij had een jurkje van jou over jouw ogen gelegd

[slachtoffer]: knikt ja

V: en wanneer was dat?

[slachtoffer]: toen ik wakker werd

V: toen je, meteen toen je wakker werd

[slachtoffer]: ja. Niet meteen maar toen hij dat zei toen heeft hij dat jurkje op mijn hoofd gelegd, op mijn ogen

V: Die meneer is een paar keer naar de deur geweest. Had jij toen dat jurkje op jouw ogen?

[slachtoffer]: nee

V: Die meneer heeft gezegd van doe je ondergoed uit. Had je toen, toen die meneer dat zei, had je toen dat jurkje op je ogen?

[slachtoffer]: ja

V: die man die stond zeg je en toen deed hij met zijn vinger in waar jij plast en waar jij mee poept zeg je. En dan deed hij met zijn vinger zo op en neer, dan maakt je rondjes met jouw vinger hè

[slachtoffer]: knikt ja

V: en wat voelde je?

[slachtoffer]: dat deed pijn

V: En toen? Wat gebeurde er toen?

[slachtoffer]: toen zei hij tegen mij dat ik moest zoenen en toen zei hij op het laatst dat ik aan zijn piemel moest zuigen

V: dus hij zei dat jij hem moest zoenen en wat heb je toen gedaan?

[slachtoffer]: dus dat heb ik gedaan. Ik ben heel erg bang voor de dood en toen hij wegging toen heb ik meteen, uh ik heb hierzo (wijst op de tekening aan) voetjes, dit is blauw, dit is rood, aan deze kant en hier zo ook blauw en ik zo rood en bij deze laatste blauwe poot Naast het blauwe voetje heb ik het uitgespuugd

V: naast het blauwe voetje had je het uitgespuugd zeg je hè

[slachtoffer]: ja

V: jij moest hem zoenen. En hoe ging dan dat zoenen?

[slachtoffer]: dat weet ik niet meer

V: dat weet je niet meer. Ik bedoel toen jij, want jij ligt op jouw rug denk ik zoals ik jou begrepen heb. Daar ga ik even verder over praten. En die meneer die staat. Hoe kan die meneer hoe kan jij dan met die meneer zoenen?

[slachtoffer]: die meneer zei tegen mij dat ik op bed moest zitten

[slachtoffer]: toen zei hij tegen mij dat ik met hem moest gaan zoenen

[slachtoffer]: die meneer die ging toen ook op mijn bed zitten

V: en toen?

[slachtoffer]: toen zei hij tegen mij wat ik moest doen

V: zoende hij jou op jouw hoofd of op jouw wang of op jouw oor of ergens anders

[slachtoffer]: gewoon bij mijn lippen

V: gewoon bij jouw lippen. En wat voelde je toen toen hij met jou ging zoenen

[slachtoffer]: hij zei tegen mij dat ik verder moest gaan met mijn tong hij zei dat dat moest van hem anders schoot hij mij dood. Dus dat moest ik toen doen. Dat heb ik ook gedaan. Ik ben heel erg bang voor de dood. Toen zei hij ja hou maar op en toen stond hij weer op

V: en toen die meneer weer ging staan wat gebeurde er toen

[slachtoffer]: toen moest ik aan zijn piemel zuigen

V: En hoe weet je dat je dat moest doen?

[slachtoffer]: dat heeft hij tegen mij gezegd

V: En hoe zei hij dat

[slachtoffer]: hij zei tegen mij dat ik moest kiezen

V: dat je moest kiezen?

[slachtoffer]: alleen, toen, of in mijn gaatje of in mijn mond. Alleen met zijn vinger in mijn gaatje dat deed al pijn. Dus toen moest ik het in mijn mond doen

V: jij mocht

[slachtoffer]: ik moest

[slachtoffer]: Alleen, toen, dat was op het laatst en toen hij wegging toen heb ik het ook weer uitgespuugd

V: toen heb je dat spul uitgespuugd. En hoe zat het met zijn kleren dan toen jij de piemel in jouw mond

[slachtoffer]: toen heeft hij op mijn kussen gelegd

V: welke kleren

[slachtoffer]: Alleen zijn broek, dus hierzo (L wijst het aan op de tekening). Ik lig altijd heel laag op mijn kussen en hij heeft het toen hierzo gelegd

V: dus als ik jou goed begrijp heeft hij zijn broek uitgedaan, helemaal uitgedaan en die broek die heeft hij op jouw kussen gelegd net boven waar jij altijd met jouw hoofd ligt

[slachtoffer]: ja

V: En toen hij die broek uit deed, ging hij toen staan of zat hij toen nog op jouw bed

[slachtoffer]: toen stond hij

V: En toen, toen moest jij die piemel in jouw mond doen zeg je hè

[slachtoffer]: knikt ja

V: en hoe zag die piemel er uit

[slachtoffer]: die kon ik niet zien

V: Hoe weet je dan dat het een piemel was die in jouw mond kwam

[slachtoffer]: omdat als het zijn mond of zijn vinger is dan krijg je niet van dat spul in je mond

V: toen jij die piemel van die man in jouw mond had waar waren de handen van die man toen

[slachtoffer]: dat kon ik niet zien

V: En wat deed hij met die piemel in jouw mond

[slachtoffer]: niks. Hij zei dat ik er aan moest zuigen en toen heb ik het spul uitgespuugd. Hij had die jurk die had hij steeds op mijn ogen gelegd toen zei hij: je mag nog niet kijken, pas als ik weg ben, want anders, en je mag het ook tegen niemand zeggen, want anders schiet ik iedereen hierzo dood. Dus toen hij weg ging heb ik het meteen uitgespuugd hierzo (wijst de plek op de tekening aan)

V: En jij zegt van ik kreeg spul in mijn mond. En wat voor spul was dat

[slachtoffer]: dat weet ik niet

V: En hoeveel spul was dat

[slachtoffer]: weet ik niet

V: En hoe proefde dat spul

[slachtoffer]: heel vies

V: Toen je het uitgespuugd had wat zag je toen

[slachtoffer]: ik heb bijna niks gezien. Alleen wel dat tuf van mij, ook nog, want ik had ook nog heel veel tuf in mijn mond dus dat heb ik ook nog uitgespuugd

V: dat heb je er ook bij uitgespuugd. En die man die ging weg en hij zei toen van, je mag het tegen niemand vertellen, anders vermoord ik iedereen hier. Heb ik het zo goed begrepen?

[slachtoffer]: ja

V: en heeft hij er nog bij verteld wie dat hij zou vermoorden

[slachtoffer]: nee, maar hij zei wel iedereen, iedereen in huis gaat vermoorden

V: En hoe is die meneer nou weggegaan

[slachtoffer]: ik had nog een deken op mijn hoofd en ik hoorde alleen maar mijn deur dicht gaan

V: En je had toen een deken op jouw hoofd zeg je

[slachtoffer]: nog die jurk

V: En voor dat die meneer wegging, we waren nog dat hij zijn broek nog uit had hè, wanneer heeft hij nou zijn broek weer aangedaan dan? Of heeft hij die broek meegenomen dat hij het ergens anders aan gedaan heeft

[slachtoffer]: heeft hij weer aangedaan

V: heeft hij weer aangedaan

[slachtoffer]: ja, in mijn kamer

V: en toen is hij weggegaan, toen heb je alleen jouw deur gehoord

[slachtoffer]: ja

V: en verder heb jij niks gehoord

[slachtoffer]: nee

[slachtoffer]: de volgende ochtend ben ik om acht uur of zoiets opgestaan. Toen ben ik meteen naar papa en mama gegaan

[slachtoffer]: en toen heb ik ook alles verteld

V: Je vertelde dat die man het jurkje op jouw gezicht had gelegd

[slachtoffer]: alleen op mijn ogen

V: alleen op jouw ogen. En toen moest jij gaan zitten zei je, want jij moest met hem zoenen. En wat gebeurde er toen met dat jurkje

[slachtoffer]: dat heeft hij er afgehaald

V: heeft hij er afgehaald. Dus toen jij aan het zoenen was toen heeft het jurkje niet bij jouw ogen gezeten

[slachtoffer]: schudt nee

V: begrijp ik dat zo goed?

[slachtoffer]: knikt ja

V: dan had je aan mij verteld hè, dat die meneer met zijn vinger in jouw gaatje waar je uit plast en waar je uit poept had gezeten, vertelde je, en dat je met hem had moeten zoenen en dat je zijn piemel in jouw mond moest doen en er op moest zuigen, vertelde je hè

[slachtoffer]: knikt ja

V: en heeft die man, is er verder nog iets gebeurd wat die man bij jou gedaan heeft of geprobeerd heeft om te doen of iets anders. Iets waar we nog niet over gehad hebben

[slachtoffer]: hij probeerde zijn piemel in mijn gaatje te doen, ik weet ook niet meer welke, alleen dat lukte niet

V: En hoe ging dat, de piemel proberen in jouw gaatje te doen

[slachtoffer]: dat weet ik niet

V: Hoe lag jij toen, toen die meneer ging proberen zijn piemel in jouw gaatje te doen

[slachtoffer]: ik moest van hem op mijn buik liggen

V: En kun jij dat met de pop voordoen?

[slachtoffer]: (pakt een pop) ik moest toen zo (op de buik) gaan liggen

V: En toen, wat gebeurde er toen

[slachtoffer]: en toen probeerde hij zijn piemel in mijn gaatje te doen

V: hoe kon hij er bij dan

[slachtoffer]: dat had hij geprobeerd. Alleen een heel klein stukje

V: Toen die man probeerde om zijn piemel in jouw gaatje te doen bleef hij toen staan of niet

[slachtoffer]: dat weet ik niet want ik had het jurkje op mijn ogen

V: Voelde je iets op het bed

[slachtoffer]: nee

V: Wat voelde je dan?

[slachtoffer]: ik voelde alleen zijn piemel ergens maar waar weet ik niet

V: En je zegt van: ging er een stukje in

[slachtoffer]: een heel klein stukje

V: En wat zei die man toen

[slachtoffer]: hij zei niks. Toen moest ik er aan zuigen toen hij wegging toen heb ik het meteen uitgespuugd

V: Dus hij zei niks zeg je, alleen het lukte niet en toen moest je er aan zuigen

[slachtoffer]: knikt ja

V: daar strakjes zei je tegen mij dat die man had gezegd dat je mocht kiezen

[slachtoffer]: ja. Eerst moest ik er aan zuigen toen zei hij tegen mij dat ik moest gaan liggen op mijn buik, toen heeft hij dat geprobeerd.

V: dus eerst zei hij tegen jou van dat je daaraan moest zuigen

[slachtoffer]: toen zei hij tegen mij dat ik op mijn buik moest liggen en toen moest ik er aan zuigen

V: en toen zei hij tegen jou dat jij op jouw buik moest gaan liggen, en toen probeerde die man die probeerde zijn piemel er in te stoppen zeg je, dat lukte niet. En toen moest je weer aan zuigen. En toen kreeg je dat spul in je mond en dat heb je toen uitgespuugd toen die man weg was.

[slachtoffer]: knikt ja”15

H. Met betrekking tot de verklaring van [slachtoffer]

H.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om [slachtoffer] als getuige te horen, onder verwijzing naar de gronden die aan datzelfde verzoek ter ‘s-hofs terechtzitting van 22 januari 2009 ten grondslag waren gelegd.

Op grond van de inhoud van een op zijn last door de deskundige Neissen dienaangaande uitgebracht rapport16 heeft het hof op zijn terechtzitting van 22 januari 2009 geoordeeld dat het gegronde vermoeden bestond dat de gezondheid of het welzijn van [slachtoffer] door het afleggen van een verklaring in gevaar zou komen en dat het voorkomen van dit gevaar in het onderhavige geval zwaarder moest wegen dan het belang van de verdediging bij haar ondervraging. Het hof heeft het verzoek dan ook afgewezen. Door of namens de verdachte zijn aan het nadere verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd die zouden kunnen nopen tot een andere beslissing. Aangezien daarvan ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af

H.2

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat deze dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgehad. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de onder G. weergegeven verklaring van [slachtoffer], het enige bewijsmiddel waaruit het bewijs ten aanzien van de ten laste gelegde gedragingen kan volgen, dient te worden uitgesloten van het bewijs, omdat:

a. de verdediging haar ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl geen sprake is van een werkelijke compensatie voor het ontbreken van de mogelijkheid tot ondervraging;

b. de verklaring niet voldoende betrouwbaar is.

Subsidiair is door de verdediging verzocht om, mocht het hof tot een ander oordeel komen, prof. dr. Van Koppen als deskundige te horen.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

H.3

Met betrekking tot het hiervoor onder H.2 a. gestelde:

H.3.1

Wanneer de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, hoeft artikel 6 EVRM niet in de weg te staan aan het gebruik tot bewijs van het proces-verbaal van politie, waarin die verklaring is opgenomen, mits aan de verdediging een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie is geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot (rechtstreekse) ondervraging van het slachtoffer.

H.3.2

In het strafdossier ligt een verbatim verslag van het studioverhoor van [slachtoffer]. Aan de verdediging is voorts de gelegenheid geboden – en daarvan heeft zij ook gebruik gemaakt – om kennis te nemen van de audiovisuele opname van dat studioverhoor. Ten slotte is door de daarvoor door de verdediging aanbevolen deskundige prof. dr. P.J. van Koppen een rapport opgemaakt nopens een door hem ingesteld onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer].

Het hof is van oordeel dat aldus aan de verdediging voldoende compensatie is geboden voor het niet als getuige kunnen horen van [slachtoffer]. Daarbij heeft het hof betekenis toegekend aan de omstandigheid dat deze in haar verklaring niet de persoon van verdachte heeft aangewezen en dat de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde volgt uit andere bewijsmiddelen.

H.4

Met betrekking tot het hiervoor onder H.2 b. gestelde:

H.4.1

Het rapport d.d. 12 maart 2009 van de deskundige Van Koppen houdt als zijn conclusie in:

“De verdachte is gevonden door een match tussen het sperma dat [slachtoffer] uitspuugde naast haar bed en verdachtes DNA-profiel in de databank van het Nederlands Forensisch Instituut. In het dossier wordt omschreven waarom verdachtes DNA-profiel in de databank zat. Dat misdrijf, zo beweert de politie, vertoont gelijkenis met hetgeen [slachtoffer] zegt dat haar is overkomen. Aldus is er een bewijsketen die bestaat uit: 1. Het verhaal van [slachtoffer]; 2. Het uitgetufte (het hof begrijpt: uitgespuugde) sperma dat past in het verhaal van [slachtoffer]; 3. De match die is gevonden met het DNA-profiel van de verdachte; 4. De kennelijke veroordeling van de verdachte voor een soortgelijk delict. Nu de koppeling tussen het verhaal van [slachtoffer] en het delict waarvoor de verdachte eerder is veroordeeld, gemaakt wordt langs een weg – namelijk de DNA-match – die inhoudelijk los staat van de verhalen van die misdrijven kan wat er bij het andere misdrijf is gebeurd wellicht gebruikt worden als toets voor het verhaal van [slachtoffer]. Als de gebeurtenissen bij beide misdrijven sterk op elkaar gelijken, valideert dat het verhaal van [slachtoffer]. De omschrijving in het dossier van het andere misdrijf is echter te beperkt om dat als zinvolle toets te gebruiken.

Voor het overige heb ik op grond van het dossier en het studioverhoor geen argumenten kunnen vinden op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de verklaring van [slachtoffer] over wat zij zegt dat haar is overkomen.”17

H.4.2

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de deskundige bij zijn onderzoek ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van bepaalde presumpties in het dossier en de daarin genoemde bewijsmiddelen, zoals de presumptie dat de onderzoeksresultaten met betrekking tot het DNA-materiaal juist zijn. Het hof kan de verdediging in deze stelling niet volgen, gelet op hetgeen hierna onder I. wordt overwogen met betrekking tot het op de plaats delict aangetroffen sperma en het DNA-bewijs.

Hetgeen namens de verdachte voor het overige is opgemerkt met betrekking tot het rapport, zoals dat Van Koppen de signalementskenmerken die [slachtoffer] tijdens het intakegesprek heeft gegeven en de verklaringen die mensen uit de omgeving van [slachtoffer] over haar hebben afgelegd buiten beschouwing zou hebben gelaten, kan daaraan niet afdoen. De deskundige heeft immers bij zijn onderzoek de beschikking gehad over een afschrift van het volledige strafdossier, inclusief de door de verdediging bedoelde onderdelen.

In het licht van dit één en ander is het hof van de noodzaak om Van Koppen nader te horen niet gebleken. Het wijst het daartoe strekkende verzoek dan ook van de hand.

H.4.3

Het hof volgt de conclusies van Van Koppen en legt die ten grondslag aan zijn beslissing. Op basis daarvan, mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet van feiten en omstandigheden is gebleken op grond waarvan aan de geloofwaardigheid van de verklaring zou moeten worden getwijfeld, acht het hof de even weergegeven verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar.

H.5

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

I. Met betrekking tot het onderzoek van het stuk vloerbedekking en het DNA-onderzoek

I.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat deze dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij het ten laste gelegde heeft begaan. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet kan worden bewezen dat het op de vloerbedekking aangetroffen celmateriaal sperma was en niet kan worden uitgesloten dat dit celmateriaal op de vloerbedekking is aangebracht of door contaminatie in het onderzoek terecht is gekomen, omdat:

a. analoog aan de overwegingen in het arrest van de Hoge Raad als gepubliceerd in NJ 1987, 607, de betwiste verslagen van de deskundige Blom van het NFI van het bewijs dienen te worden uitgesloten nu verdachte het recht op een contra-expertise met betrekking tot de vloerbedekking is onthouden;

b. enkel uit het waarnemingsblad blijkt dat er sprake is van een spermaspoor;

c. het stuk vloerbedekking op 10 september 2006 door de technische recherche uit de woning is gehaald en pas twee dagen later in een niet afgesloten zak aankomt bij het NFI;

d. het NFI beschikt over spermasporen van verdachte.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

I.2

Uit het dossier blijkt omtrent het in de onderhavige zaak uitgevoerde technisch onderzoek en sporenonderzoek, voor zover hier van belang, het volgende.

I.2.1

Op 10 september 2006 werd in de woning gelegen aan het [adres] te Breda een technisch onderzoek ingesteld. Daarbij werd onder meer een stuk vloerbedekking uitgesneden en voor nader onderzoek veiliggesteld. Dit stuk vloerbedekking, voorzien van spoornummer PL2034/06-243425/003/008, werd vervolgens voorzien van identiteitszegel DBA805 en aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut.18 Op 11 september 2006 is door de officier van justitie een deskundige van het NFI benoemd met de opdracht DNA-onderzoek te verrichten op onder meer dit stuk vloerbedekking.19 Op 12 september 2006 werden de te onderzoeken goederen en voorwerpen, waaronder het stuk vloerbedekking en DNA-referentiemateriaal te weten een bloedmonster van het slachtoffer [slachtoffer] (spoornummer PL2034/06-2434425/003/001), afgeleverd bij het NFI.20

I.2.2

Op 13 september 2006 is een Waarnemingsblad – SVO – Algemeen met zaaknummer 20060912077 opgemaakt, dat – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Verpakking: vensterzak

open

SVO-omschrijving: Vloerbedekking

SVO-nummer: 1008

DNA-zegelnummer: DBA805

TR-nummer: 003/008

Het betreft een stuk vloerbedekking van ± 36 x 85 cm.

Het stuk vloerbedekking is visueel onderzocht op opvallende vlekken en details. Het stuk vloerbedekking is verder onderzocht m.b.v. crimescope 455 nm op fluorescerende vlekken. Enkele zwak – en 1 grote sterk fluorescerende vlekken waargenomen.

Alle fluorescerende vlekken fosfatesmo getest. Alleen de grote vlek test sterk positief en de rest negatief. Van de grote vlek is een preparaat gemaakt t.b.v. microscopisch onderzoek: 4 spermakoppen KPV, enkele met staart per telveld 40x vergroting. Voldoende celmateriaal.

De grote vlek (3,5 x 2,5 cm) is geheel uitgesneden en veiliggesteld in monsterzakje #1 op sperma.”21

I.2.3

Op 23 november 2006 is door dr. I.E.P.M. Blom een deskundigenrapport opgemaakt dat – kort weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

Op 12 september 2006 is door het NFI onder meer een stuk vloerbedekking met TR-nummer 003/008 en identiteitszegel DBA805 en een referentiemonster bloed van het slachtoffer [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997) met TR-nummer 003/001 en identiteitszegel RBC 194 ontvangen van de Technische Recherche Midden- en West-Brabant.

De bemonstering van het stukje vloerbedekking en het referentiemonster bloed van het slachtoffer [slachtoffer] zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek.

Het stuk vloerbedekking is onderzocht op de aanwezigheid van sperma en dat is ook aangetroffen. Het spermaspoor is bemonsterd en deze bemonstering is veiliggesteld als [DBA805]#1 voor een DNA-onderzoek. De bemonstering [DBA805]#1 is vervolgens onderworpen aan een DNA-onderzoek. Bij de isolatie van het DNA uit het spermamonster is gebruik gemaakt van differentiële lysis. Deze celscheidingstechniek resulteerde in een fractie met de mannelijke spermacellen en een tweede celfractie met overige cellen.

Van de fractie met de spermacellen werd een DNA-profiel verkregen van een onbekende man A. Van de fractie met de overige cellen is een DNA-mengprofiel verkregen. Daarin werden de DNA-kenmerken van [slachtoffer] en van de onbekende man A waargenomen.

Het DNA-profiel van het spermaspoor werd op 15 september 2006 opgenomen in de DNA-databank en vervolgens vergeleken met de andere in de databank aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van het spermaspoor [DBA805]#1, namelijk het DNA-profiel van verdachte.22

I.2.4

De deskundige Blom van het NFI heeft ter terechtzitting in eerste aanleg onder meer verklaard:

“Op 12 september 2006 heb ik op verzoek van technisch rechercheur [verbalisant 4] van de politie Midden- en West Brabant een spoedonderzoek verricht op een stuk vloerbedekking. Als eerste is dit getest op de aanwezigheid van sperma. Dit is gebeurd via een zure fosfasetest en vervolgens onder de microscoop. Wij noemen het pas sperma als wij onder de microscoop spermacellen hebben aangetroffen. Dat bleek zo te zijn.

Daarna volgt een onderzoek volgens de differentiële lysistechniek methode.

Uit de fractie met spermacellen is een volledig DNA-profiel verkregen. Uit de fractie met de overige cellen is een mengprofiel verkregen. Via de piekprofielen zijn wij gaan vergelijken. Het sperma bleek te matchen met het DNA van [verdachte].

Op de vraag van de raadsman of ik het hele onderzoeksmateriaal heb onderzocht kan ik vertellen dat zo niet wordt gewerkt. Een medewerker van het laboratorium onderzoekt de biologische sporen en pas daarna komt het materiaal naar het DNA-lab. De betreffende onderzoeker omschrijft het materiaal op waarnemingsbladen en fotografeert alle sporen als stukken van overtuiging. Dit wordt naar mij gestuurd.

Zoals de raadsman opmerkt ging het om het stuk met nummer DB805. Dat bestond niet uit meerdere stukken vloerbedekking. Het was één geheel met als afmeting 36 bij 85 cm. De vooronderzoeker heeft dat stuk uitgepakt. Het zat opgerold in een papieren vensterzak, zoals is voorgeschreven. Op die zak zat een DNA-zegel en de sticker van de politie. Onze afdeling plakt daarop dan een sticker met het zaaknummer van het NFI.

Op grond van het biologisch onderzoek was mijn collega tot de conclusie gekomen dat het aangetroffen materiaal sperma betrof. Daarna kreeg ik de waarnemingsbladen, de foto’s en de nummers en heb ik een DNA-onderzoek ingesteld. Voor mijn onderzoek gebruikte ik het door de collega aangedragen sporenmateriaal en heb daarop de differentiële lysistechniek toegepast.

Wij troffen per veld vier spermakoppen aan. Dat moet met vierhonderd vermenigvuldigd worden en is redelijk veel. Het kan, afhankelijk van leeftijd, vruchtbaarheid, lichamelijke conditie e.d., oplopen naar 10 spermakoppen per veld. Een kop per veld is echter al onderzoekbaar.

Ik toon het waarnemingsblad met betrekking tot het onderzoek naar het stuk vloerbedekking. Dat vond plaats met een crime scope, waarmee fluorescerende vlekken zichtbaar werden. Dat waren enkele zwak fluorescerende vlekken en een grote, sterk fluorescerende vlek. Alle oplichtende vlekken zijn getest met de zure fosfatasetest. Alleen de grote bleek sterk positief. Die grote vlek is door de vooronderzoeker uitgeknipt en via de microscoop onderzocht op de aanwezigheid van sperma. Vervolgens zijn de cellen ten behoeve van het lysis-onderzoek van de vloerbedekking afgewassen.

Op de vraag van de raadsman naar de kwaliteit van het sperma kan ik meedelen dat het sperma droog was. Na de test met de crime scope lichtte een vlek, de grote, bij de fosfatasetest sterk op en was deze dus sterk spermapositief. De andere waren negatief. Daarom is alleen die grote vlek getest. Het microscopisch onderzoek had al geëlimineerd dat er valse spermasporen konden zijn. Vervolgens bleek dus uit het sperma een volledig DNA-profiel te verkrijgen. Dat bleek met het DNA van [verdachte] te matchen.”23

I.3

Met betrekking tot het hiervoor onder I.1 a. en b. gestelde:

I.3.1

Het hof stelt voorop dat de stelling dat betwiste verslagen van deskundigen slechts dan tot het bewijs mogen meewerken indien de verdachte in de gelegenheid is geweest een tegenonderzoek te laten verrichten, in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht.

1.3.2.

In de onderhavige zaak doet zich niet de situatie voor zoals die ten grondslag heeft gelegen aan het arrest waarnaar de raadsman heeft verwezen. Immers, in die zaak had de rechter-commissaris het resultaat van het onderzoek door een deskundige niet aan de verdachte meegedeeld waardoor deze geen gebruik had kunnen maken van de hem in de artikelen 231 en 232 van het Wetboek van Strafvordering toegekende bevoegdheden.

Voorts heeft, zoals het hof reeds onder D.3 heeft overwogen, wel degelijk een tegenonderzoek plaatsgevonden door vergelijking van het spermaspoor met een nieuw referentiemonster van de verdachte. Dat het onderzoek van het stuk vloerbedekking en het aantreffen daarop van een spermaspoor niet lege artis zou hebben plaatsgehad is bij het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

1.3.3.

Alles in aanmerking genomen is het hof niet gebleken van omstandigheden waardoor in casu het deskundigenrapport van Blom niet tot het bewijs mag meewerken. Het hof volgt de verdediging dan ook niet in de stelling dat het deskundigenrapport van Blom van het bewijs dient te worden uitgesloten. Gelet op de inhoud van dat rapport alsmede op de verklaring van Blom afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg bevindt het hof geen grond om eraan te twijfelen dat op het stuk vloerbedekking dat is veiliggesteld in de slaapkamer van [slachtoffer] sperma is aangetroffen. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat Blom niet zelf het gehele onderzoek heeft verricht.

I.4

Met betrekking tot het hiervoor onder I.1 c. en d. gestelde:

I.4.1.

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep voorts betoogd dat het stuk vloerbedekking op 10 september 2006 door de technische recherche uit de woning is gehaald en pas twee dagen later in een open zak is gearriveerd bij het NFI, terwijl voorgeschreven is dat de zak afgesloten moet zijn, en het NFI ook over spermasporen van verdachte beschikte, zodat niet kan worden uitgesloten dat dit celmateriaal op de vloerbedekking is aangebracht of door contaminatie in het onderzoek terecht is gekomen.

I.4.2.

De deskundige Blom heeft, zoals hiervoor onder I.2.4. weergegeven, verklaard dat het stuk vloerbedekking op de juiste wijze was verpakt. Voorts zijn omstandigheden gesteld noch (anderszins) aannemelijk geworden op basis waarvan aannemelijk zou kunnen worden dat niet op een juiste wijze is gehandeld met het stuk vloerbedekking tussen het moment waarop het is veiliggesteld en het moment waarop het door het NFI is onderzocht.

I.4.3.

[moeder slachtoffer] heeft, blijkens haar evenweergegeven aangifte, op 10 september 2006 bij de politie verklaard dat [slachtoffer] haar heeft aangewezen waar zij de substantie, die zij in haar mond gekregen had, heeft uitgespuugd en dat zij zag dat daar inderdaad een nat plekje was.

Dat is het gedeelte van de vloerbedekking dat is uitgesneden en op DNA is onderzocht.

Van doorslaggevend belang acht het hof dat daarop, gelijk hiervoor onder I.2.3. is overwogen, zowel een spermaspoor van verdachte als DNA-kenmerken van [slachtoffer] zijn aangetroffen.

I.5

Uit het hiervoor overwogene, in het bijzonder het verloop van het sporenonderzoek als weergegeven onder I.2.1. en het onder I.2.3. weergegeven deskundigenrapport, trekt het hof het gevolg dat op het stuk vloerbedekking van de slaapkamer van [slachtoffer] sperma is aangetroffen dat van verdachte afkomstig is.

Voor zover in de namens de verdachte betrokken stellingen de suggestie besloten ligt dat het sporenmateriaal is gemanipuleerd in die zin dat van bij het N.F.I. aanwezig spermamateriaal van de verdachte is gebruik gemaakt om voor de onderhavige zaak een spoor te “construeren”, wijst het hof die als volstrekt onaannemelijk van de hand.

I.6

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

J. Met betrekking tot de aanhouding van verdachte

J.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was, omdat deze het rechtstreekse gevolg is van het landelijke opsporingsbericht dat een inbreuk maakte op de privacy en het portretrecht van verdachte, terwijl deze inbreuk niet gelegitimeerd was. Dit zou moeten leiden tot uitsluiting van het bewijs van al hetgeen het resultaat is van deze schending. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat voornoemde inbreuk onder voorwaarden gelegitimeerd kan zijn, maar of aan de voorwaarden is voldaan is – doordat de stukken met betrekking tot de aanvraag van het landelijk opsporingsbericht en de verkregen toestemming van de daartoe bevoegde instantie zich niet in het dossier bevinden – niet controleerbaar en toetsbaar gebleken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de inbreuk niet gelegitimeerd was.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

J.2

Uit het dossier blijkt dat de verdachte is aangehouden nadat tegen hem een redelijk vermoeden van schuld aan het thans ten laste gelegde misdrijf was gerezen naar aanleiding van het aantreffen van zijn DNA op de plaats des misdrijfs. Tevens blijkt daaruit dat van opsporing van de verdachte op de gebruikelijke wijze resultaat uitbleef. De verdenking betrof voorts een zwaar misdrijf.

Onder al die omstandigheden acht het hof het gegispte gebruik van een landelijk opsporingsbericht niet buitenproportioneel. Voorts is het hof niet gebleken van enige onrechtmatigheid in het kader van de aanhouding. Het valt derhalve niet in te zien waarom de aanhouding van verdachte als onrechtmatig zou moeten worden aangemerkt, nog daargelaten de vraag of daarvan het namens de verdachte gestelde, namelijk bewijsuitsluiting, het gevolg zou moeten zijn geweest.

J.3

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

K. Met betrekking tot de overige door de verdediging (voorwaardelijk) gedane verzoeken

K.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep, op de gronden als vermeld in de pleitnota, verzocht om de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] als getuige te horen.

Ter terechtzitting van 24 oktober 2008 heeft het hof dat verzoek afgewezen. Door of namens de verdachte zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld die zouden kunnen nopen tot een andere beslissing. Aangezien daarvan ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af onder verwijzing naar de beslissing van 24 oktober 2008.

K.2

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht te bepalen dat een onderzoek wordt gedaan naar de herkomst van het DNA-materiaal aan de hand van de RNA-merkers.

Gelet op het onder I. overwogene omtrent het aantreffen van het spermaspoor en het DNA-onderzoek acht het hof nader onderzoek niet noodzakelijk, zodat het verzoek wordt afgewezen.

K.3

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om een tegenonderzoek van sporenmateriaal op de in de kamer van [slachtoffer] veiliggestelde vloerbedekking.

Ter terechtzitting van 5 augustus 2008 heeft het hof dat verzoek afgewezen. Door of namens de verdachte zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld die nopen tot een andere beslissing. Aangezien daarvan ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af onder verwijzing naar de beslissing van 5 augustus 2008.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, vervat in hetgeen hierboven is weergegeven in de kolommen “Vaststaande feiten” en “Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs” en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 10 september 2006 te Breda door feitelijkheden en bedreiging met geweld [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1997) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, zijn penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en zijn vinger in de vagina of anus van die [slachtoffer] geduwd en zijn penis in de vagina of anus van die [slachtoffer] geduwd en bestaande die feitelijkheden en die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) in de woning en de slaapkamer van die [slachtoffer] is binnengedrongen en tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat ze niets mocht vertellen en niet mocht roepen, anders zou hij, verdachte, iedereen dood maken en een jurkje over haar gezicht/ogen heeft gelegd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

A.

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van de negen jaar oude [slachtoffer].

De eerste rechter heeft de verdachte voor dat feit een gevangenisstraf voor de tijd van 10 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep (subsidiair, te weten: indien het hof tot een veroordeling zou komen) bepleit dat de maatregel van terbeschikkingstelling niet kan worden opgelegd. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het rapport van Van Soest de stelling, dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, niet kan dragen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht, mocht het hof van oordeel zijn dat het rapport van Van Soest wel tot de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling kan bijdragen en het hof overweegt deze maatregel op te leggen, Van Soest als getuige zal worden gehoord.

B.

Het hof ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of in het onderhavige geval de gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling moet dan wel kan worden opgelegd. Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof in aanmerking genomen de inhoud van de zich in het dossier bevindende rapporten nopens de geestvermogens van verdachte, te weten:

- een de verdachte betreffende brief aan de officier van justitie mr. J. van Aken, d.d. 7 december 2006, afkomstig van D.H.J. Boeykens, forensisch psychiater, die – kort weergegeven – inhoudt dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een psychiatrisch onderzoek maar dat persoonlijkheidspathologie, bijvoorbeeld in de antisociale of narcistische sfeer, zeker niet uitgesloten kan worden;

- het de verdachte betreffend rapport, d.d. 14 december 2006, opgemaakt door drs. J.W.G.M. van Soest, psycholoog, dat – kort weergegeven – inhoudt dat bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een narcistische persoonlijkheidsstoornis, een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis en een parafilie-pedofilie;

- het de verdachte betreffend rapport van het Pieter Baan Centrum, d.d. 27 juli 2007, opgemaakt door A.T. Spangenberg, klinisch psycholoog, en M.D. van Ekeren, psychiater dat – kort weergegeven – inhoudt dat door verdachtes weigering om medewerking aan het onderzoek te verlenen de onderzoekers onvoldoende onderzoek hebben kunnen verrichten naar de geestvermogens van verdachte en men niet in staat is antwoord te geven op de gestelde vragen.

Naar het oordeel van het hof bieden deze rapporten onvoldoende zwaarwegende argumenten om de conclusie te wettigen dat bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarbij heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de conclusie van Van Soest dat bij de verdachte sprake was van een parafilie-pedofilie slechts is afgeleid uit de eerdere veroordelingen van verdachte op dit gebied, terwijl diens overige conclusies zijn gebaseerd op een éénmalig, circa twee uur durend gesprek met verdachte.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het bestaan van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte evenmin overigens kunnen worden vastgesteld.

Op grond van dit één en ander komt het hof tot het oordeel dat het bewezen verklaarde feit de verdachte volledig dient te worden toegerekend. Het zal daarom niet de door de advocaat-generaal gevorderde maatregel, doch uitsluitend straf opleggen.

C.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is gedurende de nachtelijke uren het huis waar [slachtoffer] woonde, binnengedrongen. Vervolgens heeft hij haar in haar eigen slaapkamer gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam door verdachte.

Verdachte heeft aldus de lichamelijke en geestelijke integriteit van het zeer jeugdige slachtoffer (ten tijde van het bewezen verklaarde was zij slechts negen jaar oud) op brute wijze geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan later zeer nadelige psychische en lichamelijke klachten kunnen ondervinden.

Verdachte heeft zich van het bovenstaande kennelijk geen enkele rekenschap gegeven en zich kennelijk slechts bekommerd om bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte er in het geheel geen blijk van gegeven het verwerpelijke van zijn handelen in te zien.

Dergelijke feiten leiden voorts tot verontwaardiging en onrust in de maatschappij.

Ten slotte heeft het hof nog rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2009. Daaruit blijkt dat verdachte drie maal is veroordeeld ter zake van zedenmisdrijf, namelijk feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Verdachte is laatstelijk door dit hof in 2003 ter zake van een zodanig feit veroordeeld tot de maximaal daarop gestelde straf, te weten acht jaar gevangenisstraf. Het is het hof ambtshalve bekend dat in die zaak het slachtoffer eveneens een negen jaar oud meisje was.

Voorts heeft het hof ten aanzien van de persoon van verdachte acht geslagen op

- de inhoud van voormelde deskundigenrapporten;

- de inhoud van het de verdachte betreffend milieurapport, d.d. 13 december 2006, opgemaakt door mevrouw A.C.M. Akkermans;

- de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Op grond van al het vorenoverwogene, rest het hof naar zijn oordeel niets anders dan in het belang van bescherming van de samenleving te kiezen voor de maximaal voor het bewezenverklaarde misdrijf op te leggen straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Verkrachting.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. H.D. Bergkotte, voorzitter,

mr. J. Huurman-van Asten en mr. A.M.G. Smit,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 28 april 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s van ambtsedige processen-verbaal van politie, opgenomen in het proces-verbaal van politie Midden en West Brabant, Team Grootschalige Opsporing, dossiernummer 06-012726, d.d. 12 december 2006, opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie.

2 Zie het ambtsedig proces-verbaal van politie, d.d. 12 december 2006, dossiernr. 06-012726, dossierpagina 9, opgemaakt door [verbalisant 1], voornoemd.

3 Zie het ambtsedig proces-verbaal van aangifte, d.d. 11 september 2006, mutatienr. PL2030/06-243425, dossierpagina 47, opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagente van politie, en [verbalisant 3], brigadier van politie.

4 Zie het ambtsedig proces-verbaal van studioverhoor getuige [slachtoffer], d.d. 25 september 2006, BPS-nr. 06-243425, dossierpagina 70, opgemaakt door [verbalisant 2], voornoemd.

5 Zie het ambtsedig proces-verbaal van politie, d.d. 10 september 2006, mutatienr. PL2034/06-243425, dossierpagina’s 744-745, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden brigadier van politie.

6 Zie het deskundigenrapport van het NFI, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, d.d. 23 november 2006, opgemaakt door dr. I.E.P.M. Blom, vast gerechtelijk deskundige, dossierpagina’s 816-818.

7 Zie het ambtsedig proces-verbaal van politie, d.d. 25 september 2006, mutatienr. PL2034/06-243425, dossierpagina’s 753-754, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden voornoemd.

8 Zie het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, d.d. 14 september 2006, mutatienr. PL2033/06-244926, dossierpagina’s 145-149, opgemaakt door [verbalisant 6], hoofdagente van politie, het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, d.d. 18 september 2006, mutatienr. PL2033/06-244926, dossierpagina’s 150-153, opgemaakt door [verbalisant 6], voornoemd, en [verbalisant 7], agent van politie, het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 september 2006, mutatienr. PL2065/06-244926, dossierpagina’s 154-156, opgemaakt door [verbalisant 8], brigadier van politie, het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 september 2006, mutatienr. PL2005/06-244926, dossierpagina’s 157-161, opgemaakt door [verbalisant 9], hoofdagente van politie, en het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, d.d. 14 september 2006, mutatienr. PL2035/06-244926, dossierpagina’s 162-165, opgemaakt door [verbalisant 10], hoofdagente van politie.

9 Zie het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 oktober 2008, PL202M/06-243425, opgemaakt door [verbalisant 3], voornoemd.

10 Zie het ambtsedig aanvullend proces-verbaal van politie, d.d. 17 september 2008, zaaknr. PL2034/06-243425, opgemaakt door [verbalisant 4], voornoemd.

11 Zie de verklaring van I.E.P.M. Blom, zoals als getuige-deskundige afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 november 2007.

12 Zie het rapport van het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, FLDO-Zaaknr. FLDO N08-016, d.d. 28 januari 2008, opgemaakt door prof. dr. P. de Knijff, vast beëdigd gerechtelijk DNA-deskundige, en drs. T. Kraaijenbrink, DNA deskundige in opleiding, in combinatie met het proces-verbaal betreffende de aanwezigheid van een opsporingsambtenaar bij de afname van celmateriaal, d.d. 19 december 2007, mutatienr. PL2000/06-243425, opgemaakt door [verbalisant 4], voornoemd

13 Zie het ambtsedig proces-verbaal van politie, d.d. 12 december 2006, dossiernr. 06-012726, dossierpagina 9, opgemaakt door [verbalisant 1], voornoemd.

14 Zie het ambtsedig proces-verbaal van aangifte, d.d. 11 september 2006, mutatienr. PL2030/06-243425, dossierpagina’s 47-48, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden voornoemd.

15 Zie het ambtsedig proces-verbaal van studioverhoor getuige [slachtoffer], d.d. 25 september 2006, BPS-nr. 06-243425, dossierpagina’s 70-84, opgemaakt door [verbalisant 2], voornoemd.

16 Zie het rapport betreffende het forensisch psychologisch onderzoek van [slachtoffer], zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, d.d. 26 november 2008, opgemaakt door drs. I.J.G.P. Neissen, gz-psycholoog.

17 Zie pagina 10 van de brief van 12 maart 2009 gericht aan mr. O.M.J.J. van de Loo, raadsheer-commissaris in strafzaken, afkomstig van prof. dr. P.J. van Koppen, kenmerk U152/107005/09 PM, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering.

18 Zie het ambtsedig proces-verbaal van aanvang en verloop van het onderzoek naar aanleiding van de verkrachting van [slachtoffer] op 10 september 2006, d.d. 2 december 2006, zaaknr. BPS PL2034/06-243425, dossierpagina 738, opgemaakt door [verbalisant 4], voornoemd, in combinatie met het ambtsedig proces-verbaal van politie, d.d. 10 september 2006, mutatienr. PL2034/06-243425, dossierpagina’s 745-747, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden voornoemd.

19 Zie het faxbericht van 11 september 2006 met als onderwerp “Benoeming deskundige en opdracht tot het verrichten van een DNA-onderzoek”, gericht aan het Nederlands Forensisch Instituut, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, dossierpagina’s 750-751, opgemaakt door de officier van justitie mr. J.F.C. Janssen.

20 Zie het ambtsedig proces-verbaal van DNA-hit op een persoon, d.d. 20 september 2006, mutatienr. PL2034/06-243425, dossierpagina’s 811-812, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden voornoemd, in combinatie met het deskundigenrapport van het NFI, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, d.d. 23 november 2006, opgemaakt door dr. I.E.P.M. Blom, voornoemd, dossierpagina 815.

21 Zie het Waarnemingsblad – SVO – Algemeen, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, d.d. 13 september 2006.

22 Zie het deskundigenrapport van het NFI, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, d.d. 23 november 2006, opgemaakt door dr. I.E.P.M. Blom, voornoemd, dossierpagina’s 815-818.

23 Zie de verklaring van I.E.P.M. Blom, zoals als getuige-deskundige afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 1 november 2007.