Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI2223

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
HD 103.005.919
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CAO

Art. 3 Wet AVV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0336
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. KM

zaaknr. HD 103.005.919

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 24 maart 2009,

gewezen in de zaak van:

UNICLEAN INDUSTRIELE REINIGING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 21 november 2007,

advocaat: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

[A.],

wonende te [woonplaats],

[B.],

wonende te [woonplaats],

[C.],

wonende te [woonplaats],

[D.],

wonende te [woonplaats],

[E.],

wonende te [woonplaats],

[F.],

wonende te [woonplaats],

[G.],

wonende te [woonplaats],

[H.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen gewezen vonnissen van 7 juni 2006, 14 februari 2007 en 29 augustus 2007 tussen appellante – Uniclean – als gedaagde en geïntimeerden – [A.] c.s. – als eisers.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 210815/rolnr. 05- 7416)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft Uniclean negentien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende, Pebe B.V. en Optu Beheer B.V., hierna ook Pebe en Optu, in de gelegenheid te stellen hun stellingen met betrekking tot de bonusdagen en pensioenafspraken alsnog te bewijzen, alsmede te bewijzen dat met Uniclean, Pebe en Optu afwijkende afspraken terzake CAO-bepalingen zijn gemaakt en dat, indien Pebe en Optu in dit bewijs slagen, alle vorderingen van [A.] c.s. dienen te worden afgewezen, met veroordeling in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben [A.] c.s. de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof Pebe en Optu niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vonnissen van 14 februari 2007 en 29 augustus 2007, waarvan beroep, zal bevestigen, met veroordeling van Uniclean in de kosten van beide instanties.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [A.] c.s. zijn allen in dienst of in dienst geweest van Uniclean Industriële Reiniging B.V. (hierna: Uniclean). Pebe en Optu waren aandeelhouders van Uniclean. De heer [X.] (hierna ook: [X.]) en mevr. [Y.] zijn bestuurder van Pebe. De heer [Z.] (hierna ook: [Z.]) is bestuurder en enig aandeelhouder van Optu.

4.1.2. Pebe en Optu hebben hun aandelen in Uniclean verkocht aan [Q.] [vestigingsplaats] Holding B.V. (hierna ook: [Q.] ). Bij notariële akte van 15 december 2004 zijn deze aandelen aan [Q.] geleverd.

4.1.3. Bij dagvaarding van 13 december 2005 hebben [A.] c.s. Uniclean, Pebe en Optu in rechte betrokken. [A.] c.s. stelden dat op hun arbeidsovereenkomsten de algemeen verbindend verklaarde Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Schoonmaak en Glazenwassersbedrijf (hierna ook: de CAO) van toepassing is. Daarnaast is, zo stelden zij, de toepasselijkheid van deze CAO in de individuele arbeidsovereenkomsten vermeld.

4.1.4. Volgens [A.] c.s. zijn zij niet conform de CAO uitbetaald. Voorts is aan geïntimeerde sub 1 (hierna ook: [A.] ) geen correcte eindafrekening betaalbaar gesteld, terwijl het dienstverband met hem per november 2004 was geëindigd.

4.1.5. Bij inleidende dagvaarding d.d. 13 december 2005 hebben [A.] c.s. Pebe, Optu en Uniclean in rechte betrokken, waarna de kantonrechter bij vonnis van 7 juni 2006 een comparitie van partijen heeft gelast. Bij vonnis van 14 februari 2007 heeft de kantonrechter andermaal een comparitie van partijen bevolen en bepaald dat van het tussenvonnis hoger beroep kon worden ingesteld.

4.1.6. Bij akte d.d. 27 juni 2007 hebben [A.] c.s. hun eis vermeerderd. Zij vorderden dat Pebe, Optu en Uniclean hoofdelijk zouden worden veroordeeld tot betaling van:

- € 3.234,80 bruto, aan geïntimeerde sub 1 ([A.] ),

- € 9.234,22 bruto en dertien bonusdagen, aan geïntimeerde sub 2 ([B.] ),

- € 14.028,70 bruto en dertien bonusdagen, aan geïntimeerde sub 3 ([C.] ),

- € 12.353,55 bruto en twaalf bonusdagen, aan geïntimeerde sub 4 ([D.] ),

- € 11.904,73 bruto en zeventien bonusdagen, aan geïntimeerde sub 5 ([E.] ),

- € 20.150,85 bruto en zeventien bonusdagen, aan geïntimeerde sub 6 ([F.] ),

- € 8.782,92 bruto en dertien bonusdagen, aan geïntimeerde sub 7 ([G.] ),

- € 12.055,03 bruto en zestien bonusdagen, aan geïntimeerde sub 8 ([H.] ),

alle bedragen vermeerderd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW daarover en de dan verkregen bedragen vermeerderd met wettelijke vertragingsrente ex art. 6:119 BW.

Voorts vorderden [A.] c.s. dat voor recht wordt verklaard dat Pebe, Optu en Uniclean aansprakelijk zijn voor een correcte naleving van de uit de CAO voortvloeiende pensioenregeling, alsmede aansprakelijk zijn voor de schade welke [A.] c.s. zullen lijden voorzover de pensioenvoorschriften niet correct worden nageleefd, de schade nader vast te stellen bij staat, alsmede dat voor recht wordt verklaard dat, naar het hof begrijpt, Pebe, Optu en Uniclean gehouden zijn tot, althans dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot een juiste betaling van het loon c.a. conform de arbeidsovereenkomst en de vigerende CAO tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. Ten slotte vorderden [A.] c.s. dat Pebe, Optu en Uniclean worden veroordeeld om de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten te vergoeden.

4.1.7. Bij vonnis van 29 augustus 2007, waarvan beroep, heeft de kantonrechter, kort gezegd,

- Pebe, Optu en Uniclean hoofdelijk veroordeeld om aan [A.] € 1.549,02 bruto te betalen,

- Pebe, Optu en Uniclean hoofdelijk veroordeeld om aan [B.] € 968,86 bruto en zeven bonusdagen over de periode tot 15 december 2004 te betalen; voorts werd Uniclean veroordeeld om aan [B.] te betalen € 1.112,86 en zes bonusdagen over de periode na 15 december 2004,

- Pebe, Optu en Uniclean hoofdelijk veroordeeld om aan [C.] te betalen € 2.228,52 bruto en negen bonusdagen; voorts werd Uniclean veroordeeld om aan [C.] € 2.432,26 en vier bonusdagen te betalen over de periode na 15 december 2004,

- Pebe, Optu en Uniclean hoofdelijk veroordeeld om aan [D.] te betalen € 1.662,82 en acht bonusdagen; voorts werd Uniclean veroordeeld om aan [D.] te betalen € 1.112,86 en vier bonusdagen voor de periode na 15 december 2004,

- Pebe, Optu en Uniclean hoofdelijk veroordeeld om aan [E.] te betalen € 1.654,45 en twaalf bonusdagen; voorts werd Uniclean veroordeeld om aan [E.] te betalen € 1.112,86 en vijf bonusdagen voor de periode na 15 december 2004,

- Pebe, Optu en Uniclean hoofdelijk veroordeeld om aan [F.] te betalen € 3.153,56 en twaalf bonusdagen; voorts werd Uniclean veroordeeld om aan [F.] te betalen € 1.840,98 en vijf bonusdagen voor de periode na 15 december 2004,

- Pebe, Optu en Uniclean hoofdelijk veroordeeld om aan [G.] te betalen € 1.193,11 en zeven bonusdagen; voorts werd Uniclean veroordeeld om aan [G.] te betalen € 1.221,21 en zes bonusdagen voor de periode na 15 december 2004,

- Pebe, Optu en Uniclean hoofdelijk veroordeeld om aan [H.] te betalen € 1.643,80 en elf bonusdagen; voorts werd Uniclean veroordeeld om aan [H.] te betalen € 1.280,73 en vijf bonusdagen voor de periode na 15 december 2004 .

De kantonrechter heeft daarbij, kort gezegd, bepaald dat alle genoemde bedragen worden vermeerderd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW gematigd tot 15% en met de wettelijke rente vanaf datum verzuim.

Voorts heeft de kantonrechter aan [A.] c.s. een bewijsopdracht verstrekt betreffende de toeslagen bijzondere uren en voor recht verklaard dat Pebe, Optu en Uniclean aansprakelijk zijn voor een correcte naleving van de uit de CAO voortvloeiende pensioenregeling, alsmede aansprakelijk zijn voor de schade welke [A.] c.s. zullen lijden voorzover de pensioenvoorschriften niet correct werden/worden nageleefd, nader vast te stellen bij staat. De kantonrechter heeft de vordering die betrekking heeft op de juiste betaling van het loon c.a. afgewezen. Ten slotte heeft de kantonrechter, voorzover thans van belang, bepaald dat met betrekking tot het interlocutoire deel van het vonnis (ook) reeds hoger beroep kon worden ingesteld en overigens iedere verdere beslissing aangehouden.

4.2. Uniclean heeft geen grieven gericht tegen het vonnis van 7 juni 2006, zodat zij in haar hoger beroep tegen dat vonnis niet ontvankelijk is.

[C.]

4.3.1. Bij het hof is onder rolnummer HD 103.005.633 de procedure aanhangig tussen Pebe en Optu als appellanten en [A.] c.s. als geïntimeerden. In die zaak en de onderhavige wordt van dezelfde vonnissen geappelleerd. Uniclean heeft bij memorie van grieven zes grieven aangevoerd en vervolgens het hof verzocht de door haar mede-appellanten Pebe en Optu aangevoerde dertien grieven als woordelijk herhaald en ingelast te beschouwen.

4.3.2. In de procedure tussen Pebe en Optu enerzijds en [A.] c.s. anderzijds is bij pleidooi in hoger beroep zijdens Pebe en Optu gesteld dat geïntimeerde sub 3, [C.] , uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij niets meer van Pebe en Optu heeft te vorderen en dat hij heeft bevestigd dat de lezing van Pebe en Optu juist is.

4.3.3. Het hof zal, nu in beide procedures voor een belangrijk deel dezelfde standpunten worden ingenomen, [C.] in de gelegenheid stellen zich bij akte erover uit te laten of hij in de procedure tegen Uniclean van haar nog iets heeft te vorderen. Uniclean kan daarop dan bij antwoordakte reageren.

4.4. Het hof zal hierna allereerst de grieven van Pebe en Optu bespreken, die Uniclean in deze procedure heeft overgenomen en daarbij de (Arabische) nummering uit de procedure tussen Pebe/Optu en [A.] c.s. hanteren. Daarbij zal het hof om proceseconomische redenen ook de grieven bespreken, voorzover zij geïntimeerde [C.] betreffen.

Bedrijfspensioenfonds (grief 1)

4.5.1. In eerste aanleg hebben [A.] c.s. gevorderd voor recht te verklaren dat Pebe, Optu en Uniclean aansprakelijk zijn voor een correcte naleving van de uit de CAO voortvloeiende pensioenregeling, alsmede voor de schade welke zij lijden voor zover de pensioenvoorschriften niet correct zijn nageleefd, op te maken bij staat.

4.5.2. Aan hun vordering hebben [A.] c.s. ten grondslag gelegd de stelling dat op hun arbeidsovereenkomsten van toepassing is de algemeen verbindend verklaarde CAO Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf en dat daarnaast de toepasselijkheid van deze CAO in de individuele arbeidsovereenkomsten is vermeld.

Art 64 CAO luidt als volgt:

“Aan de werknemer die voldoet aan de eisen neergelegd in de Statuten en het Reglement van het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf wordt een pensioenvoorziening toegekend volgens de Statuten en het reglement van genoemd fonds.”

Uit deze bepaling, zo stellen [A.] c.s., volgt de verplichte aansluiting bij het Bedrijfstakpensioenfonds. Sedert 1 januari 2003 is het bedrijfspensioen ondergebracht bij de ABN-AMRO-bank, terwijl dit bij het Bedrijfstakpensioenfonds had dienen te geschieden, aldus [A.] c.s.

4.5.3. Uniclean, Pebe en Optu hebben zich tegen deze vordering verweerd, waarna de kantonrechter in het vonnis van 29 augustus 2007 heeft overwogen dat met betrekking tot de pensioenkwestie verwijzing naar de schadestaatprocedure volgt, nu voldoende aannemelijk is dat [A.] c.s. mogelijk schade hebben geleden als gevolg van de wanprestatie van Pebe, Optu en Uniclean op dit punt.

4.5.4. Tegen deze overweging is de eerste grief van Pebe en Optu gericht, waarnaar Uniclean verwijst. Pebe en Optu hebben toegelicht dat Uniclean in 1999 vergeefs heeft geprobeerd haar pensioenvoorziening onder te brengen bij de bedrijfstak- regeling voor de schoonmaakbedrijven, Detam Pensioen services. Dit bleek niet mogelijk. Detam weigerde Uniclean toe te laten, omdat Uniclean werd gezien als een bedrijf in de industriële reiniging, dat een eigen pensioenregeling diende af te sluiten. Voor Uniclean-medewerkers die dat wensten, werd in 2000 aanvankelijk een bedrijfspensioenregeling afgesloten bij Zwitserleven en daarna (met ingang van 1 januari 2003) werd een betere, duurdere via de ABN-AMRO. Uiteindelijk, zo hebben Pebe en Optu bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep toegelicht, is het Uniclean gelukt om met terug- werkende kracht tot 1 november 2003 voor haar daarvoor in aanmerking komende werknemers alsnog toelating te krijgen tot de Bedrijfstakpensioenregeling voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf.

4.5.5. [A.] c.s. hebben ten stelligste betwist dat aansluiting bij het uit de CAO voortvloeiende pensioenfonds niet mogelijk zou zijn. Uniclean valt onder de de CAO voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf. Uit deze CAO blijkt de verplichte aansluiting bij het in de CAO genoemde pensioenfonds. Een eventuele discussie tussen Pebe en Optu enerzijds en het Bedrijfstakpensioenfonds anderzijds regardeert [A.] c.s. niet. [A.] c.s. zijn er niet mee bekend dat inmiddels wel aansluiting is gevonden bij het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf, aldus [A.] c.s.

4.5.6. In de procedure tussen Pebe/Optu en [A.] c.s. heeft het hof bij arrest van heden Pebe en Optu toegelaten te bewijzen dat het tot 1 november 2003 voor Uniclean niet mogelijk was om toelating te verkrijgen tot het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf en dat dit later met terugwerkende kracht tot 1 november 2003 wèl is gelukt. Omdat de uitkomst van die bewijslevering ook relevant is voor de beslissing in de onderhavige zaak, verzoekt het hof [A.] c.s. om, nadat de bewijslevering in de andere zaak is afgerond, de daarop betrekking hebbende gedingstukken bij akte in de onderhavige zaak over te leggen. Het hof verzoekt [A.] c.s. bij die gelegenheid tevens aan te geven welke de gevolgen zijn voor hun vordering, mocht worden bewezen dat Uniclean met terugwerkende kracht tot 1 november 2003 wèl is toegelaten tot het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf.

Bonusdagen en eindejaarsuitkering (grieven 2, 3 en 4)

4.6.1. In eerste aanleg hebben [A.] c.s. betaling gevorderd van de eindejaarsuitkering en vergoeding van de bonusdagen.

4.6.2. Aan hun vordering hebben [A.] c.s. ten grondslag gelegd de stelling dat krachtens art. 18 CAO iedere medewerker die op 1 december van enig jaar een vol jaar in dienst is, een eindejaarsuitkering ontvangt van 2,5% van zijn bruto jaarsalaris. Pebe en Optu hebben nagelaten deze eindejaarsuitkering aan [A.] c.s. te voldoen. Voorts zijn ten onrechte geen bonusdagen aan [A.] c.s. verstrekt. Indien een werknemer een aaneengesloten viermaandelijkse periode (januari tot en met april, mei tot en met augustus, september tot en met december) niet verzuimt wegens ziekte, dan heeft die werknemer ingevolge art. 35 CAO recht op één bonusdag, met een maximum van drie bonusdagen per kalenderjaar. Ten onrechte zijn deze bonusdagen niet verstrekt, aldus [A.] c.s.

4.6.3. Bij vonnis van 14 februari 2007 heeft de kantonrechter wat betreft de gevorderde eindejaarsuitkeringen en de bonus- dagen overwogen dat de afspraak dat [A.] c.s. vanaf 2002, bij de kennelijke overgang van de volgens Pebe en Optu op 1 maart 2000 in werking getreden pensioenregeling van Zwitserleven naar de pensioenregeling van ABN-AMRO, hun pensioenpremies zouden betalen via (onder meer) inhouding van de eindejaarsuitkeringen en de waarde van drie bonusdagen per jaar niet is gemaakt. De grieven 2, 3 en 4 van Pebe/Optu zijn tegen deze overweging gericht.

4.6.4. Pebe en Optu hebben zich beroepen op een met [A.] c.s. gemaakte afspraak, inhoudende dat de eindejaarsuitkering en de drie bonusdagen per jaar zouden worden aangewend voor de (gedeeltelijke) betaling van de premie voor het pensioen. [A.] c.s. hebben deze afspraak gemotiveerd weersproken.

4.6.5. Het hof overweegt als volgt. Mocht een dergelijke afspraak zijn gemaakt, hetgeen in het onderhavige geding niet behoeft te worden bewezen, dan is deze ten aanzien van Uniclean nietig wegens strijd met de algemeen verbindend verklaarde CAO voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf. Deze CAO is, voorzover hier van belang, algemeen verbindend verklaard en wel voor de volgende perioden:

- CAO 2004-2006: van 9 juni 2004 tot en met 31 december 2007,

- CAO 2006-2008: van 5 augustus 2006 tot en met 31 december 2007.

Beide CAO’s zijn zogenaamde minimum-CAO’s, waardoor afwijkingen ten gunste van de werknemer wèl zijn toegestaan, maar ten nadele niet. Ingevolge art. 3 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, is een beding zoals in het onderhavige geval, waarbij een werknemer afstand doet van zijn eindejaarsuitkering en zijn aanspraak op bonusdagen, ambtshalve nietig. De grieven 2 en 4 falen. Op het door Pebe, Optu en Uniclean aangesneden punt dat bij de toekenning/uitbetaling van de bonusdagen rekening dient te worden gehouden met de data van indiensttreding en met eventuele ziekteperiodes van [A.] c.s. zal het hof ingaan nadat de bewijslevering in de procedure tussen Pebe/Optu en [A.] c.s. is afgerond.

Afrekening toeslagen (grief 5)

4.7.1. In eerste aanleg hebben [A.] c.s. bedragen gevorderd vanwege aan hen niet uitbetaalde toeslagen. Binnen de onderneming, zo stelden [A.] c.s., wordt structureel gedurende zogenaamde bijzondere uren gewerkt. Over deze uren dient op grond van de CAO een toeslag te worden betaald. Voor de bijzondere uren, dit zijn de uren niet vallend tussen 6.00 en 21.30 uur, geldt ingevolge art. 21 CAO juncto bijlage VIII CAO een toeslag op het basisuurloon. Deze toeslagen zijn sedert 2001 ten onrechte niet betaald, zo stelden [A.] c.s.

4.7.2. De kantonrechter heeft in het vonnis van 14 februari 2007 overwogen dat Pebe en Optu op geen enkele wijze hun stellingen dienaangaande hebben onderbouwd. De kantonrechter heeft het bewijsaanbod van Pebe, Optu en Uniclean, gedaagden in eerste aanleg, gepasseerd en voorts in dit verband overwogen dat van een (extra) compensatie van € 0,23 niet was gebleken.

4.7.3. Met grief 5, waarnaar Uniclean verwijst, komen Pebe en Optu op tegen dit oordeel van de kantonrechter. Zij hebben toegelicht dat de afspraak met betrekking tot de bruto toeslag van € 0,23 werd gemaakt in 1997 en sindsdien door Uniclean voor [A.] c.s. correct is nagekomen. Een en ander werd door de accountant conform voorschrift van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) vanaf 2002 separaat geregistreerd in de loonadministratie en kwam derhalve ook in de salarisoverzichten van de betrokken medewerkers duidelijk naar voren. Dit staat in de salarisstroken vermeld als ‘tweede uurloon’. De bruto-uurlonen voor de betrokkenen waren derhalve structureel € 0,23 hoger dan de vigerende CAO-lonen, aldus Pebe en Optu.

4.7.4. Volgens [A.] c.s. daarentegen zijn sedert 2001 ten onrechte geen toeslagen aan hen betaald, terwijl er binnen de onderneming wèl structureel gedurende bijzondere uren wordt gewerkt en op grond van de CAO dan een toeslag moet worden betaald. Ook in hoger beroep ontkennen zij dat een afspraak, als door Pebe en Optu gesteld, zou zijn gemaakt. Als deze afspraak al zou zijn gemaakt, dan is deze ten nadele van hen, strijdig met de CAO en daardoor nietig, aldus [A.] c.s.

4.7.5. Als bijlage 1 bij de aantekeningen ter comparitie d.d. 24 oktober 2006 hebben Pebe en Optu salarisspecificaties uit de periode december 2002-januari 2003 overgelegd. In deze specificaties is onderaan telkens sprake van een tweede uurloon. In het geval van bijvoorbeeld [A.] bedraagt dat bruto uurloon over december 2002 € 8,70 en is het bruto uurloon over december 2002 € 0,23 hoger en wel € 8,93. Het tweede uurloon over januari 2003 is dan € 0,22 hoger en wel € 8,92. Dit moet de loonsverhoging per januari 2003 zijn. Het bruto uurloon is dan weer € 0,23 hoger dan € 8,92, namelijk € 9,15. Voor vrijwel alle geïntimeerden zijn gelijke gegevens aangetroffen in het procesdossier. Naar het oordeel van het hof blijkt derhalve wel van de extra compensatie van € 0,23. Grief 5 slaagt in zoverre, maar daarmee is nog niet gezegd dat dit tot vernietiging van het met de grief bestreden vonnis leidt.

4.7.6. Het hof laat wat betreft Uniclean thans in het midden de vraag of de door Uniclean, Pebe en Optu gestelde afspraak is gemaakt. In dit verband geldt dat moet worden onderzocht of hetgeen volgens Uniclean ten aanzien van de toeslagen zou zijn overeengekomen, gunstiger is dan de in rechtsoverweging 4.6.5 genoemde CAO’s. Daarbij mogen niet het in de arbeids- overeenkomst bepaalde omtrent het salaris en de toeslag als een geheel worden beschouwd, maar gaat het om een vergelijking van de gestelde afspraak met de CAO-regeling. Ook als daarbij wordt uitgegaan van het op de eerder genoemde salarisspecificaties genoemde laagste (tweede) uurloon, is de CAO-regeling van 15 of 30% per toeslaguur gunstiger dan de compensatie van € 0,23 per uur. Zo de afspraak al is gemaakt, dan is deze naar het oordeel van het hof derhalve nietig. Grief 5 faalt voor het overige.

Slotsom

4.8. In afwachting van de te nemen akten wordt iedere verdere beslissing aangehouden. Het hof herhaalt het in rechtsoverweging 4.5.6 geformuleerde verzoek aan [A.] c.s.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart Uniclean niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van 7 juni 2006;

verwijst de zaak naar de rol van 21 april 2009 voor het nemen van een akte door [C.] , zoals in rechtsoverweging 4.3.3 aangegeven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Venner-Lijten, Drijkoningen en Van Griensven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 maart 2009.