Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI2221

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
07/00450
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stond op 10 juni 2005 en op 29 juni 2005 volgens de GBA ingeschreven in Nederland en heeft op beide data met de in België geregistreerde auto van haar partner, met wie zij voorgaf op de betreffende data samen te wonen in België, in Nederland gereden teneinde haar zoontje naar school te brengen en zelf naar het adres te gaan waar zij werkte. Op grond van het geconstateerde gebruik van de personenauto is aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM met boete opgelegd. Het Hof oordeelt dat Nederland hiermee in strijd handelt met artikel 18 EG-verdrag; het beperken van het gebruik van de personenauto is een niet-toegestane belemmering van het recht van iedere burger van de EG om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen. Het naheffen van BPM op grond van een gebruik van de weg in Nederland gedurende slechts een zeer korte periode , te weten een half uur, is in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Op grond van de jurisprudentie dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd, omdat de BPM niet voorziet in een evenredige heffing Het grensoverschrijdend element acht het Hof eveneens aanwezig omdat er anders in een vergelijkbare situatie met iemand van een andere nationaliteit sprake zou zijn van discriminatie. Hoger beroep gegrond, naheffingsaanslag en boete worden vernietigd.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00450

Uitspraak op het hoger beroep van

mevrouw X,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 17 augustus 2007, nummer AWB 06/4593 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag en boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft met dagtekening 3 mei 2006 een naheffingsaanslag (nummer 0000000.0000/0.0000) in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 6.663. Tegelijkertijd met de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur op de voet van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bij voor bezwaar vatbare beschikking een boete opgelegd van € 3.331. Tegen die naheffingsaanslag en die boetebeschikking heeft belanghebbende bij één geschrift bezwaarschriften ingediend, dat op 14 juni 2006 ter post is bezorgd en op 16 juni 2006 bij de Inspecteur is ingekomen. Bij in één geschrift verenigde uitspraken van 11 september 2006 heeft de Inspecteur de bewaren afgewezen.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 141. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een (abusievelijk te laag) griffierecht geheven van 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 8 januari 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Op 10 juni 2005 heeft de Inspecteur geconstateerd dat belanghebbende op de A-straat in de gemeente B met de personenauto van het merk Volkswagen Beetle Cabrio, en voorzien van een Belgisch kenteken XXX 000 (hierna: de (personen)auto), gebruik maakte van de openbare weg.

2.2. Op het moment van bovenbedoelde constatering is aan belanghebbende een zogenoemd informatie- en waarschuwingsformulier uitgereikt, waarvoor zij voor ontvangst heeft getekend. Dit formulier luidt, voor zover te dezen relevant, als volgt:

'Op [Hof: handgeschreven:] 10-6-2005, omstreeks [Hof: handgeschreven:] 09.05 uur heeft met betrekking tot het boven-vermeld motorrijtuig een controle plaatsgevonden inzake de Belasting van Personenauto's en motorrijtuigen (BPM). Bij de controle is geconstateerd dat u in Nederland woont en hier te lande de beschikking heeft over een in het buitenland geregistreerde personenauto c.q. motorrijwiel.

(...)

Daarom wordt u door middel van dit formulier op de hoogte gebracht van de mogelijkheid dat u wellicht de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna BPM) verschuldigd bent of kunt worden. De BPM is onder andere verschuldigd indien een natuurlijk persoon die in Nederland woont hier te lande op de openbare weg de feitelijke beschikking heeft over een niet in Nederland geregistreerde personenauto of motorrijwiel. Vóór de aanvang van het gebruik van de openbare weg dient dan een aangifte te worden gedaan en de BPM te worden betaald bij een BPM-aangiftepunt.

Bent u echter werknemer van een in het buitenland gevestigde werkgever, danwel hoofd van een eenmans-bedrijf of lid van een maatschap, bestuurder, vennoot of aandeelhouder van een in het buitenland gevestigd bedrijf, dan bestaat eventueel de mogelijkheid dat vrijstelling van BPM kan worden verleend. Ook indien u vanuit het buitenland naar Nederland bent verhuisd, bestaat eventueel de mogelijkheid voor vrijstelling van BPM. Tevens is een mogelijkheid voor vrijstelling aanwezig, indien u het betreffende personenauto c.q. motorrijwiel voor beperkte duur in het buitenland heeft gehuurd. Een vrijstelling dient u aan te vragen vóórdat u gebruik maakt van de openbare weg.

Indien u van mening bent dat u in aanmerking zou kunnen komen voor één van de hiervoor vermelde vrijstellingen of dat u niet in Nederland woont, dient u schriftelijk, telefonisch danwel mondeling na afspraak contact op te nemen met het hieronder vermelde adres. Het aanvragen van een vrijstelling bij ondervermelde douanepost dient te geschieden uiterlijk op [Hof: handgeschreven:] 24-6-2005. Er zal dan een nader onderzoek worden ingesteld.

Mocht tijdens een volgende controle na de in dit formulier gestelde datum blijken dat u in Nederland woont en dat aan u een niet in Nederland geregistreerde personenauto of motorrijwiel feitelijk ter beschikking staat op de openbare weg zonder dat daarvoor de BPM is voldaan of een verzoek om vrijstelling zolas hierboven bedoeld is ingediend, kan een naheffingsaanslag BPM worden opgelegd. Naast de naheffingsaanslag kan tevens een boete worden opgelegd.

Indien bij controle achteraf blijkt dat reeds eerder aan u een informatie- en waarschuwingsformulier is uitgereikt of dat eerder in het bezit bent geweest van een vergunning voor vrijstelling van BPM danwel dat u op een andere manier geacht kunt worden bekend te zijn met de Wet belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, kan dat alsnog resulteren in een naheffing BPM eventueel verhoogd met een boete.'.

2.3. Belanghebbende heeft naar aanleiding van dit formulier geen contact met de Inspecteur opgenomen.

2.4. Op 29 juni 2005 om 09.05 uur wordt door de Inspecteur geconstateerd dat belanghebbende met de personenauto gebruik maakt van de openbare weg in Nederland, de C-straat te B. De personenauto is eigendom van de partner van belanghebbende, de heer D, die woont aan de E-straat 481 te F in België. Op vorengenoemde datum reed belanghebbende van dit laatste adres naar G om haar zoontje naar school te brengen en vervolgens reed zij naar haar werkadres op de C-straat in B. Deze rit duurde ongeveer een half uur.

2.5. Belanghebbende stond in de gemeentelijke basisadministratie op 10 juni 2005 alsmede op 29 juni 2005 ingeschreven op het adres H-straat 40 te G. Op 7 maart 2006 heeft zij zich laten uitschrijven uit de GBA te G, waarbij zij als nieuw adres heeft opgegeven: E-straat 481 te F in België.

2.6. Bij brief van 7 maart 2006 geeft de Inspecteur op de voet van artikel 67k van de AWR kennis van zijn voornemen een vergrijpboete van 50% van de verschuldigde belasting op te leggen. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de in deze brief geboden gelegenheid de gronden tot het opleggen van de boete te betwisten.

2.7. Met dagtekening 3 mei 2006 legt de Inspecteur aan belanghebbende ter zake van het gebruik van de auto op 29 juni 2005 een naheffingsaanslag BPM op. Tegelijk met deze naheffingsaanslag legt de Inspecteur een boete op van € 3.331. De naheffingsaanslag wordt gemotiveerd, voor zover te dezen relevant, als volgt:

'Op 10 juni 2005 hebben ambtenaren van de Belastingdienst/J geconstateerd, dat u met een niet in Nederland geregistreerde personenauto, merk: Volkswagen; type: Beetle Cabrio; kenteken (Belgisch): XXX 000; VIN-nummer: ------------------, gebruik maakte van de openbare weg in Nederland, waarbij u dit voertuig feitelijk ter beschikking had. Ingevolge artikel 1, lid 5, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, hierna: Wet BPM, is ingeval een niet-geregistreerde personenauto of een niet-geregistreerd motorrijwiel feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. In artikel 5, lid 2, van de Wet BPM is bepaald, dat de belasting met betrekking tot een niet-geregistreerde personenauto of een niet-geregistreerd motorrijwiel geheven wordt van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. U woonde op voornoemd tijdstip in Nederland, H-straat 40 te G. Op grond van de hiervoor genoemde bepalingen bent u de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik van de openbare weg in Nederland met het bovengenoemd voertuig.

Herstelbeleid

De Staatssecretaris van Financiën keurt bij zijn Besluit van 13 december 2002, nr. CPP2002/1574M goed, dat met inachtneming van de hierna te noemen beperkingen, ingeval van eerste constatering van het feitelijk gebruik van de weg in Nederland door een inwoner van Nederland met een niet in Nederland geregistreerde personenauto of motorrijwiel aan degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft, niet onmiddellijk een naheffingsaanslag wordt opgelegd. Deze wordt in de gelegenheid gesteld de personenauto of het motorrijwiel alsnog in Nederland te registreren en de BPM te voldoen, dan wel een vrijstellingsvergunning aan te vragen of het voertuig weer buiten Nederland te brengen. Hiertoe wordt hem een "Informatieformulier buitenlandse kentekens" uitgereikt. Deze goedkeuring is niet van toepassing ten aanzien van degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft en die uit hoofde van zijn functie of de door hem ontplooide activiteiten of omdat aan hem eerder een "Informatieformulier buitenlandse kentekens" was uitgereikt, bekend was of behoorde te zijn met de toepassing van de Wet BPM. Als wordt geconstateerd dat degene aan wie een "Informatieformulier buitenlandse kentekens" is uitgereikt opnieuw gebruik maakt van de weg in Nederland in een niet in Nederland geregistreerd voertuig terwijl de BPM niet is voldaan, wordt een naheffingsaanslag aan deze persoon opgelegd. Indien wordt geconstateerd dat deze persoon gebruik maakt van de weg met hetzelfde niet in Nederland geregistreerde voertuig, wordt de naheffingsaanslag opgelegd op grond van het eerder geconstateerde gebruik van de weg met dit voertuig.

In casu werd op 10 juni 2005 door ambtenaren van bovengenoemde douanepost geconstateerd, dat u met de hierboven genoemde personenauto gebruik maakte van de openbare weg in Nederland, waarbij u dit voertuig feitelijk ter beschikking had. U woonde op dat moment in Nederland op het eerder genoemd adres. Naar aanleiding van deze constatering is aan u op 10 juni 2005 een "Informatieformulier buitenlandse kentekens" uitgereikt en bent u mondeling geïnformeerd betreffende de BPM-wet- en regelgeving.

Dit betekent dat, nu op 29 juni 2005 werd geconstateerd, dat u wederom met bovengenoemde niet in Nederland geregistreerde personenauto gebruik maakte van de openbare weg in Nederland, waarbij u dit voertuig feitelijk ter beschikking had, u bekend was dan wel dat behoorde te zijn met de bepalingen van de Wet BPM. Daarom kan geen herstel worden geboden en bent u de BPM verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik van de openbare weg met het betreffende voertuig. U woonde op 29 juni 2005 te G, H-straat 40. Op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) hef ik de verschuldigde belasting van u na. Ingevolge artikel 30f van de AWR wordt over de verschuldigde belasting heffingsrente berekend.

(...)

Bestuurlijke boete

Bij brief van 7 maart 2006, kenmerk ---/----/----/-----, bent u door bovengenoemd douanekantoor in kennis gesteld van het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan u. De boete bedraagt 50% van het verschuldigde belastingbedrag. Voor de motivering van de bestuurlijke boete verwijs ik kortheidshalve naar deze kennisgeving. U bent in de gelegenheid gesteld, om binnen een termijn van 14 dagen na dagtekening van genoemde brief, de gronden die hebben geleid tot het voornemen aan u een boete op te leggen, gemotiveerd te betwisten. Van deze gelegenheid hebt u geen gebruik gemaakt. Ik heb daarom geen aanleiding gevonden de voorgenomen boete te herzien. (...)'.

2.8. Na tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking door belanghebbende gemaakt bezwaar verklaart de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken de bezwaren ongegrond.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is belanghebbende op 10 juni 2005 en 29 juni 2005 woonachtig in Nederland?

II. Zo vraag I bevestigend moet worden beantwoord: Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd, omdat deze in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel en/of het communautaire evenredigheidsbeginsel?

III. Zo vraag II ontkennend moet worden beantwoord: Is terecht en tot de juiste hoogte een boete opgelegd?

Belanghebbende is van mening dat vragen I en III ontkennend moet worden beantwoord en vraag II bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingediend beroep, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en, primair, vernietiging van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking en, subsidiair, tot handhaving van de naheffingsaanslag en vermindering van de boetebeschikking tot op € 100. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1. Het Hof zal uit overwegingen van proceseconomie er vooronderstellenderwijs met de Inspecteur vanuit gaan dat belanghebbende op 10 juni 2005 en 29 juni 2005 in Nederland woonachtig was. Aldus moet vraag I - uitgaande van deze vooronderstelling - bevestigend beantwoord worden.

4.2. Gelet op de onder 4.1 vermelde vooronderstelling kan het door partijen aangeboden bewijs door middel van getuigen worden gepasseerd, zoals het Hof tijdens het onderzoek ter zitting al aan partijen heeft medegedeeld.

Vraag II

4.3. Ingevolge artikel 1, lid 1, van de Wet op de belasting personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) wordt een belasting geheven met betrekking tot personenauto's en motorrijwielen. Het vijfde lid van genoemd artikel bepaalt dat ingeval een niet-geregistreerde personenauto of een niet-geregistreerd motorrijwiel feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. In artikel 5, lid 2, van de Wet BPM is verder bepaald, dat met betrekking tot een niet-geregistreerde personenauto of een niet-geregistreerd motorrijwiel de belasting wordt geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.

4.4. Belanghebbende heeft op pagina 2, derde alinea van het beroepschrift in hoger beroep gesteld dat het gemeenschapsrecht meebrengt dat de heffing van BPM in overeenstemming met het proportionaliteitsbeginsel en het(communautaire) evenredigheidsbeginsel dient te geschieden en, op pagina 4, derde alinea van het beroepschrift in hoger beroep, dat de onderhavige naheffingsaanslag in geen enkele redelijke verhouding staat tot het gebruik van de auto in Nederland. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt. Het Hof stelt voorop dat uit jurisprudentie van het Hof van Justitie te Luxemburg (hierna: HvJ) volgt dat, hoewel de lidstaten, bij gebrek aan een harmonisatie ter zake, zelf de voorwaarden mogen vaststellen voor de inschrijving van voertuigen die op hun grondgebied in het verkeer zijn, de dienaangaande vastgestelde maatregelen niet buiten de werkingssfeer van de artikelen 10, 39, 43, of de artikelen 49 tot en met 55 van het EG-verdrag vallen (HvJ 2 oktober 2003, Van Lent, C-232/01, Jurispr. blz. I-11525, punt 13; 24 oktober 2002, Hahn, C-121/00, Jurispr. blz. I-9193, punt 34; 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04, Jurispr. blz. I-11203, punten 30 en 47; 21 maart 2002, Cura Anlagen GmbH-Auto Service Leasing GmbH, C-451/99, Jurispr. blz. I-3193, punten 40-46; en 27 juni 2006, Van de Coevering, C-242/05, Jurispr. blz. I-05843, punten 22-23).

4.5. Het is vaste rechtspraak van het HvJ dat iedere gemeenschapsonderdaan die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers en die een beroepswerkzaamheid in een andere lidstaat dan zijn woonstaat heeft uitgeoefend, ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit, binnen de werkingssfeer van artikel 39 EG valt (HvJ 23 februari 1994, Scholz, C-419/92, Jurispr. blz. I-505, punt 9; 12 december 2002, De Groot, C-385/00, Jurispr. blz. I-11819, punt 76; en 2 oktober 2003, Van Lent, C-232/01, Jurispr. blz. I-11525, punt 14).

4.6. Voorts is het vaste rechtspraak van het HvJ dat de bepalingen van het EG-verdrag inzake het vrije verkeer van personen beogen het de gemeenschapsonderdanen gemakkelijker te maken op het gehele grondgebied van de Gemeenschap om het even welk beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan regelingen die deze onderdanen kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten (HvJ 7 juli 1992, Singh, C-370/90, Jurispr. blz. I-4265, punt 16; 15 juni 2000, Sehrer, C-302/98, Jurispr. blz. I-4585, punt 32; 12 december 2002, De Groot, C-385/00, Jurispr. blz. I-11819, punt 77; en 2 oktober 2003, Van Lent, C-232/01, Jurispr. blz. I-11525, punt 15).

4.7. Uit jurisprudentie van het HvJ volgt, dat het een lidstaat is toegestaan een registratiebelasting, zoals de BPM, te heffen over een voertuig dat ter beschikking van één van zijn inwoners is gesteld door een in een andere lidstaat gevestigde werkgever, wanneer dit voertuig hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat of daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt (HvJ 21 maart 2002, Cura Anlagen GmbH-Auto Service Leasing GmbH, C-451/99, Jurispr. blz. I-3193, punt 42; 30 mei 2006, Leroy,

C-435/04, Jurispr. blz. I-04835, punt 14; 27 juni 2006, Van de Coevering, C-242/05, Jurispr. blz. I-05843, punt 24; en met betrekking tot bedrijfsvoertuigen die ter beschikking van werknemers zijn gesteld, HvJ 15 september 2005, Commissie/Denemarken, C-464/02, Jurispr. blz. I-7929, punten 75-78; 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04, Jurispr. blz. I-11203, punt 41; en 23 februari 2006, Commissie/Finland, C-232/03, Jurispr. blz. I-00027, punt 47).

4.8. Indien een voertuig niet hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in de heffende lidstaat en evenmin daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt, bestaat er uit dien hoofde geen rechtvaardiging voor een beperking van het vrije verkeer van werknemers (artikel 39 van het EG-verdrag), de vrijheid van vestiging (artikel 43 van het EG-verdrag) of het vrije verkeer van diensten (artikelen 49 tot en met 55 van het EG-verdrag) en dient de belastingheffing te worden gerechtvaardigd op een andere grond (HvJ 15 september 2005, Commissie/Denemarken C-464/02, Jurispr. blz. I-7929, punt 79; 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04, Jurispr. blz. I-11203, punt 43; en 27 juni 2006, Van de Coevering,

C-242/05, Jurispr. blz. I-05843, punt 26).

4.9. Uit jurisprudentie van het HvJ en de Hoge Raad volgt voorts dat, indien bij de heffing van belasting, zoals de BPM, deze heffing wordt gerechtvaardigd door een onder 4.7 bedoelde rechtvaardiging dan wel door een onder 4.8 bedoelde andere rechtvaardigingsgrond, het evenredigheidsbeginsel dient te worden geëerbiedigd (beschikking HvJ EG 22 mei 2008, C-42/08, Ilhan respectievelijk arrest van de Hoge Raad van 14 november 2008, 40597bis, LJN: BG4211). Dit houdt in, dat de hoogte van de belasting evenredig dient te zijn aan het gebruik van de auto in de betrokken lidstaat. Alleen indien het doel van de belastingheffing niet kan worden bereikt door het invoeren van een belasting die evenredig is aan de duur van het gebruik in de betrokken lidstaat, is zo'n belasting niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel (HvJ 21 maart 2002, Cura Anlagen GmbH-Auto Service Leasing GmbH, C-451/99, Jurispr. blz. I-3193, punt 69; en 27 juni 2006, Van de Coevering, C-242/05, Jurispr. blz. I-05843, punten 27-29 ).

4.10. In het onderhavige geval, waarin geen sprake is van een economische activiteit maar slechts sprake is van het voor ongeveer een half uur gebruiken van de (in België geregistreerde) auto door belanghebbende, die vooronderstellenderwijs geacht wordt in Nederland te wonen, voor privégebruik, zijn de onder 4.8 genoemde verdragsvrijheden niet in geding. Desalniettemin dringt zich de vraag op of ook in onderhavige situatie bij de heffing BPM het evenredigheidsbeginsel in acht dient te worden genomen. Meer in het bijzonder is het de vraag of Nederland met de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag zijn verplichtingen nakomt die op hem rusten krachtens het in artikel 18 EG-verdrag geformuleerde recht van iedere burger van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.

4.11. Dienaangaande besliste het HvJ in het arrest van 26 oktober 2006, Commissie/Portugal C-345/05, Jurispr. 2006, bladzijde I-10633, het arrest van 18 januari 2007, Commissie/Zweden C-104/06, Jurispr. 2007 bladzijde I-00671 en het arrest van het HvJ EG van 14 januari 2008, C-152/05, Commissie/Duitsland dat artikel 18 EG-verdrag, dat het recht van iedere burger van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven op algemene wijze formuleert, in artikel 43 EG-verdrag een bijzondere uitdrukking voor de vrijheid van vestiging en in artikel 39 EG-verdrag een bijzondere uitdrukking voor het vrije verkeer van werknemers vindt. De conclusie omtrent eventuele strijdigheid met de artikelen 39 EG-verdrag en 43 EG-verdrag geldt, naar het HvJ oordeelt in vorengenoemde drie arresten in rechtsoverweging 37, respectievelijk 30, respectievelijk 30, om dezelfde redenen ook voor grieven betreffende artikel 18 EG-verdrag aangaande economisch niet-actieve personen. Bovendien bieden de artikelen 39 en 43 EG-verdrag dezelfde rechtsbescherming (arrest HvJ EG van 15 december 2005, Nadin e.a., C-151/04 en C-152/04, Jurispr. 2005 blz. I-11203, punt 47). Uit het vorenstaande volgt dat redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is dat ook in de onderhavige situatie waarin belanghebbende, die vooronderstellenderwijs geacht wordt in Nederland te wonen, voor privégebruik de, in België geregistreerde, auto van haar in België woonachtige vriend leent, de heffing van BPM met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel dient plaats te vinden.

4.12. Aan het onder 4.11 gegeven oordeel dat de heffing van BPM met inachtneming van het communautaire evenredigheidsbeginsel dient plaats te vinden, doet niet af de door de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting verdedigde stelling dat geen sprake is van grensoverschrijding door belanghebbende omdat zij op 29 juni 2005 niet van de ene lidstaat naar een andere lidstaat reisde, maar van G naar B. Daargelaten dat deze stelling feitelijke grondslag ontbeert, gelet op de geloofwaardige verklaring van belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting dat zij op 29 juni 2005 reisde van F in België naar B in Nederland via G (Nederland), faalt deze stelling gelet op het arrest van het HvJ EG van 19 oktober 2004, C-200/02, Catherine Chen ook overigens (zie ter vergelijking het arrest van het HvJ EG van 14 oktober 2008, C-353/06 inzake Leonhard Matthias Grunkin-Paul die na zijn geboorte in Denemarken aldaar verbleef). In het arrest van 19 oktober 2004 stond vast dat Catherine zich na haar geboorte in Belfast (Verenigd Koninkrijk) verplaatst had naar Londen (Verenigd Koninkrijk) en zij dus na haar geboorte nimmer gebruik had gemaakt van het vrije verkeer tussen lidstaten. Het HvJ EG overwoog dienaangaande, punten 18 en 19, dat niet op grond van dit enkele feit sprake was van een zuiver interne situatie, waardoor Catherine in de lidstaat van ontvangst (Verenigd Koninkrijk) geen beroep zou kunnen doen op de gemeenschapsrechtelijke bepalingen inzake de vrijheid van verkeer en van verblijf van personen. Weliswaar werd in die zaak een aanknopingspunt met het gemeenschapsrecht gevonden in het feit, dat Catherine door geboorte (ook) de Ierse nationaliteit had verkregen, maar in onderhavige zaak wordt dat aanknopingspunt met het gemeenschapsrecht gevonden in het feit, dat het litigieuze belastbare feit zich alleen voordoet doordat belanghebbende als - zoals voorondersteld - in Nederland woonachtige persoon van de openbare weg in Nederland gebruik maakt met een in een andere lidstaat geregistreerde auto. Zou zij op 29 juni 2005 gebruik hebben gemaakt van de openbare weg in Nederland met een in Nederland geregistreerde auto, dan zou zij ter zake van dat gebruik niet in heffing van BPM kunnen worden betrokken. Daarmee kan niet gezegd worden dat er geen enkel aanknopingspunt bestaat met een situatie waarop het gemeenschapsrecht ziet (arrest HvJ van 1 april 2008, Regering van de Franse Gemeenschap (Waalse regering)/Vlaamse regering, C-212/06, r.o. 33, PB C 128 van 24.5.2008, blz. 4-5). Voorts is het Hof van oordeel dat gelet op de tekst van artikel 18 EG-verdrag redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is dat dit artikel niet alleen ziet op het reizen van het grondgebied van een andere lidstaat naar Nederland, maar mede op het vrij reizen (met een in een andere lidstaat geregistreerde auto) op het grondgebied van Nederland.

4.13. Hiervoor onder 4.12 heeft het Hof overwogen dat in het arrest van het HvJ EG van 19 oktober 2004 het aanknopingspunt met het gemeenschapsrecht werd gevonden in het feit dat Catherine Chen een nationaliteit van een andere lidstaat had dan die van de lidstaat van verblijf. Omtrent de nationaliteit van belanghebbende is niets vast komen te staan. Voor het geval het oordeel van het Hof onder 4.12 dat het aanknopingspunt met het gemeenschapsrecht wordt gevonden in de omstandigheid dat het belastbare feit zich alleen voordoet doordat de personenauto is geregistreerd in een andere lidstaat onjuist zou zijn, overweegt het Hof als volgt. Indien belanghebbende een nationaliteit heeft van een andere lidstaat dan Nederland zou deze omstandigheid tezamen met de omstandigheid dat zij (zoals is voorondersteld) in Nederland woonachtig is een aanknoping met het gemeenschapsrecht vormen (arrest HvJ EG 2 oktober 2003, C-148/02, Carlos Garcia Avello, punt 27 en de onder 4.12 genoemde arresten 19 oktober 2004 en 14 oktober 2008), ongeacht of daadwerkelijk van de ene lidstaat naar de andere is gereisd (zie voornoemd arrest van 19 oktober 2004). In dat geval is buiten redelijke twijfel dat belanghebbende zich kan beroepen op artikel 18 EG-verdrag. Indien zij echter de Nederlandse nationaliteit heeft en zij (zoals is voorondersteld) in Nederland woonachtig is zou - hier abstraherend van het door het Hof onder 4.12 aanwezig bevonden aanknopingspunt met het gemeenschapsrecht - de conclusie kunnen zijn dat sprake is van een zuiver interne situatie waarop het gemeenschapsrecht niet ziet (zie onder 4.12 genoemd arrest van 1 april 2008, punten 37 en 38). Deze conclusie zou evenwel een verschil in behandeling opleveren tussen inwoners van Nederland met een Nederlandse nationaliteit en die met een nationaliteit van een andere lidstaat, die een discriminatie naar nationaliteit zou inhouden, waarvoor rechtvaardigingsgronden niet zijn gebleken en die mitsdien volgens artikel 26 BUPO en artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 Protocol nr. 1 is verboden.

4.14. Nu naar het oordeel van het Hof de onderhavige situatie valt onder de toepassing van artikel 18 EG-verdrag dient, mede gelet op het eerder vermelde arrest van de Hoge Raad van 14 november 2008, geconcludeerd te worden dat de onderhavige op grond van artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM opgelegde naheffingsaanslag in strijd is met het (communautaire) evenredigheidsbeginsel. De van belanghebbende geheven belasting - ad € 6.663 - is immers in het geheel niet evenredig aan de gebruiksduur van de personenauto in Nederland. Deze heffing belemmert belanghebbende zeer ernstig om vrij met de personenauto op het grondgebied van Nederland te reizen en om met de personenauto in Nederland te (ver)blijven. Hierbij overweegt het Hof dat voorts uit voornoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, omdat de Wet BPM (in 2005) niet in een evenredige heffing voorziet.

4.15. De overige grieven van belanghebbende behoeven gezien het voorgaande geen verdere behandeling.

Vraag III

4.16. Nu uit de beantwoording van vraag II volgt, dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, dient ook de boetebeschikking te worden vernietigd. Vraag III moet ontkennend worden beantwoord.

Slotsom

4.17. Gelet op al het voorgaande is het gelijk aan de zijde van belanghebbende, is het hoger beroep van belanghebbende gegrond en dienen de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.18. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 141 respectievelijk € 143 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.19. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zowel voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank als voor de behandeling van het hoger beroep bij het Hof op (telkens) 2 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is (2 maal € 966 is) € 1.932, vermeerderd met een bedrag aan reis- en verletkosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de zitting bij de Rechtbank en bij het Hof, door het Hof in goede justitie geschat op € 100.

De proceskostenvergoeding bedraagt derhalve, in totaal,

€ 2.032.

Het Hof acht deze kosten redelijk en in overeenstemming met het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- vernietigt de uitspraken op bezwaar,

- vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 284 vergoedt,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.032 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 12 februari 2009 door G.J. van Muijen, voorzitter, J.W.J. Huige en P. Fortuin, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.