Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI2096

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
20-002281-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Overtreding artikel 6 van de Wet bodembescherming; voornemen storten bouwstof niet gemeld aan bevoegd gezag.

2. Overtreding artikel 1.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer; aanbrengen categorie 1-grond.

3. Overtreding artikel 10.52 van de Wet milieubeheer; mobiele puinbreker.

Wetsverwijzingen
Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming 11
Wet bodembescherming 6
Wet milieubeheer 1.2
Wet milieubeheer 10.52
Wet op de economische delicten
Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval 2
Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002281-07

Uitspraak : 10 april 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Breda van 4 juni 2007 in de strafzaak met parketnummer 02-994532-07 tegen:

[verdachte],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij akte van 10 september 2008 is het hoger beroep door de advocaat-generaal in het ressort ’s-Hertogenbosch, voor zover ingesteld terzake van de vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde feit, ingetrokken.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 is tenlastegelegd, en wel telkens de overtredingsvariant, en de verdachte zal veroordelen tot geldboeten van respectievelijk €1000,--, €1000,-- en €1000,--, waarvan een gedeelte van

€500,-- voorwaardelijk met twee jaar proeftijd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 tot en met 5 april 2006 te [gemeente 1], in

elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met één of meer ander(en),

althans alleen, al dan niet opzettelijk als degene die voornemens was een

bouwstof, te weten grond, niet zijnde schone grond, op of in de bodem van een

perceel aan de [adres] te [gemeente 1] te gebruiken, dit voornemen niet

heeft gemeld aan het bevoegd gezag.

2.

zij in of omstreeks de periode van 3 tot en met 5 april 2006 te [gemeente 1]

tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, al dan niet

opzettelijk op een perceel aan de [adres] in een beschermingszone buiten

een inrichting (licht) verontreinigde grond in een werk heeft gebruikt.

3.

zij in of omstreeks de periode van 13 maart 2006 tot en met 03 april 2006

te [plaats 2], [gemeente 2], in elk geval in Nederland, al dan niet

opzettelijk als degene die het voornemen had om met een mobiele puinbreker

bouw- en sloopafval te bewerken op de lokatie [adres] te [plaats 2] niet

tenminste 15 werkdagen voor de aanvang van de werkzaamheden burgemeester en

wethouders van die gemeente daarvan schriftelijk in kennis gesteld en/of niet

tenminste 2 dagen voor de aanvang van de werkzaamheden burgemeester en

wethouders van die gemeente daarvan op de hoogte gesteld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 1 tot en met 5 april 2006 te [gemeente 1], tezamen en in vereniging met één ander, als degene die voornemens was een bouwstof, te weten grond, niet zijnde schone grond, op de bodem van een perceel aan de [adres] te [gemeente 1] te gebruiken, dit voornemen niet heeft gemeld aan het bevoegd gezag.

2.

zij in de periode van 3 tot en met 5 april 2006 te [gemeente 1], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk op een perceel aan de [adres] in een beschermingszone buiten

een inrichting (licht) verontreinigde grond in een werk heeft gebruikt.

3.

zij in de periode van 13 maart 2006 tot en met 03 april 2006 te [plaats 2], [gemeente 2], opzettelijk als degene die het voornemen had om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te bewerken op de lokatie [adres] te [plaats 2] niet tenminste 15 werkdagen voor de aanvang van de werkzaamheden burgemeester en wethouders van die gemeente daarvan schriftelijk in kennis gesteld en niet tenminste 2 dagen voor de aanvang van de werkzaamheden burgemeester en wethouders van die gemeente daarvan op de hoogte gesteld.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Het hof overweegt met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde opzet van verdachte het navolgende.

Uit de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, volgt dat het niet melden van het storten van de grond berust op een misverstand, nu [verdachte] er van uit ging dat [directeur loonbedrijf] de melding zou doen.

Nu verdachte en zijn mededader dit feit niet bewust hebben gepleegd, is het hof van oordeel dat verdachte en zijn mededader dit feit niet opzettelijk heeft gepleegd.

Het hof overweegt met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde opzet van verdachte het navolgende.

Uit de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, volgt dat het niet melden van het voornemen om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te bewerken, berust op een misverstand, nu [verdachte] er van uit ging dat de opdrachtgever de melding zou doen.

Nu verdachte dit feit niet bewust heeft gepleegd, is het hof van oordeel dat verdachte dit feit niet opzettelijk heeft gepleegd.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde slechts in de overtredingsvariant bewezen kan worden verklaard.

Het hof volgt de advocaat-generaal daarin niet.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de grond op het perceel had mogen worden gebracht als dit perceel niet in een waterwinbeschermingsgebied had gelegen. Het hof is van oordeel dat van verdachte, als professioneel speler op het gebied van grondwerkzaamheden van verschillende aard, en die wist dat het hier ging om grond/bouwstof van categorie 1, mag worden verwacht dat zij op de hoogte is van de regelgeving op dit gebied, en alert dient te zijn op bepaalde uitzonderingen daarin. Bij twijfel dienaangaande had verdachte zich nader dienen te informeren bij het bevoegde gezag dan wel had zij anderszins moeten onderzoeken of die grond daar daadwerkelijk mocht worden gestort, hetgeen zij heeft nagelaten.

Het hof is van oordeel dat de verdachte -door onder die omstandigheden aldus te handelen dan wel te verwachten handelen na te laten- daarbij welbewust het aanmerkelijk risico heeft aanvaard dat zij licht verontreinigende grond heeft aangebracht in een gebied, waar dit niet mocht, zodat verdachtes opzet daarop, in voorwaardelijke zin, was gericht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 6, eerste lid, van de Wet bodembescherming juncto artikel 11 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, junctis de artikelen 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, en strafbaar gesteld bij artikel 1a, aanhef en onder 1° , junctis de artikelen 2, eerste lid, en 6, eerste lid, aanhef en onder 3° van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 1.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, juncto de artikelen 5.5.2 en 9.1 van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant in samenhang met bijlagen 6 en 10, onder B, bepalingen 1.1 en 3.2.1 van deze milieuverordening, junctis de artikelen 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, en strafbaar gesteld bij artikel 1a, aanhef en onder 1°, junctis de artikelen 2, eerste lid, en 6, eerste lid, onder 1° van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 10.52, eerste lid, van de Wet milieubeheer, juncto de artikelen 2, tweede lid, en 4, eerste lid, van het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval, juncto artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, en strafbaar gesteld bij artikel 1a, aanhef en onder 2° , junctis de artikelen 2, eerste lid, en 6, eerste lid, aanhef en onder 4° van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de relevante informatie omtrent de verdachte rechtspersoon, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij is rekening gehouden met het feit dat verdachte als professionele speler op het gebied van grondwerkzaamheden de bewezen verklaarde feiten heeft begaan.

Het hof is van oordeel dat, gelet op het vorenstaande en ter bescherming van de bij de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer betrokken belangen, het opleggen van geldboeten, als hierna vermeld, geboden is.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboeten heeft het hof voorts rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 47, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 6 van de Wet bodembescherming,

de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,

de artikelen 1.2 en 10.52 van de Wet milieubeheer,

artikel 11 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming,

de artikelen 5.5.2 en 9.1 van de Provinciale milieuverordening, in samenhang met bijlagen 6 en 10, onder B, bepaling 1.1 en 3.2,

en de artikelen 2 en 4 van het Besluit mobiel breken bouw- en slootafval,

zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Medeplegen van: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 6 van de Wet bodembescherming, begaan door een rechtspersoon.

2. Medeplegen van: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 1.2,

eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

3. Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10.52 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 500,00 (vijfhonderd euro).

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro).

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 500,00 (vijfhonderd euro).

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. J.W. de Ruijter en mr. M.A.M. Wagemakers,

in tegenwoordigheid van A.J.H.M. van Baast, griffier,

en op 10 april 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.A.M. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.