Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI2091

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
20-003786-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag in Tilburg. Verweer nopens noodweer(exces). Hof komt tot oplegging van een hogere straf dan de eerste rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003786-08

Uitspraak : 9 april 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 29 september 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-800417-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in PI Tilburg, Gevangenis te Tilburg,

waarbij verdachte ter zake van “Poging tot doodslag” en “Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl hij het feit begaat met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht met bijkomende beslissingen ten aanzien van het beslag en met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, [slachtoffer].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

• verdachte ter zake van alle ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

• teruggave aan verdachte zal gelasten van de in beslag genomen kluis en het wiet-filterpapiertje;

• de overige in beslaggenomen voorwerpen zal onttrekken aan het verkeer;

• ten aanzien van vordering van de benadeelde partij:

- primair, deze haar vordering in hoger beroep niet heeft gehandhaafd;

- subsidiair, het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat

• het onder 1. ten laste gelegde bewezen verklaard kan worden;

• met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder 2. ten laste gelegde zij zich refereert aan het oordeel van het hof;

• verdachte ter zake van het onder 1. ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging;

• mocht het hof tot strafoplegging komen,

- primair, een straf gelijk aan het voorarrest zal worden opgelegd;

- subsidiair, geen hogere straf dan de door eerste rechter opgelegde straf zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 april 2008 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen heeft geschoten op voornoemde [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 3 april 2008 te Tilburg een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool van categorie III (te weten: merk HS, type 95 met kaliber 9mm para) en/of daarbij behorende munitie van categorie III (te weten: veertig stuks scherpe patronen merk Sellier & Bellot kaliber 9mm para) voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde

Vaststaande feiten

Het hof stelt het volgende vast.

Op 3 april 2008 te Tilburg heeft omstreeks 23.45 uur bij de toenmalige woning van verdachte, adres [adres] te Tilburg, een confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer] plaats gevonden. Verdachte heeft daarbij in ieder geval tweemaal gericht met een pistool geschoten op [slachtoffer], waarbij [slachtoffer] eenmaal is geraakt.

Hierdoor is aan [slachtoffer] een schotverwonding links in de borst toegebracht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Ambtshalve overweegt het hof het volgende.

Door tweemaal met een pistool op het slachtoffer [slachtoffer] schieten, waarbij deze eenmaal door middel van een in- en uitschotverwonding in de borst iets boven de linkertepel is geraakt, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij één of meer vitale delen, organen of (slag)aders zou raken en aldus het slachtoffer van het leven zou beroven, zodat zijn opzet ten minste in voorwaardelijke zin op dat gevolg gericht was. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van verdachte.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden, en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het onder 1. ten laste van verdachte wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 3 april 2008 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, met een vuurwapen heeft geschoten op voornoemde [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Met betrekking tot het onder 2. ten laste gelegde

Het hof acht voorts op grond van de bekennende verklaring van verdachte, opgenomen in na te noemen bewijsmiddelen, alsmede de inhoud van na te noemen overige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 april 2008 te Tilburg een wapen van categorie III,te weten een pistool van categorie III, te weten: merk HS, type 95 met kaliber 9mm para en daarbij behorende munitie van categorie III, te weten: veertig stuks scherpe patronen merk Sellier & Bellot kaliber 9mm para voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven telkens is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Opgave van de door het hof ten aanzien van het onder 2. bewezen verklaarde gebruikte bewijsmiddelen

1. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2009;

2. De bekennende verklaringen van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzittingen in eerste aanleg van 7 juli 2007 en 15 september 2008;

3. Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van het aantreffen van het wapen en munitie, van politie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Wilhelminapark, mutatienr. PL204D/08-091567, d.d. 4 april 2008, in de wettelijk vorm opgemaakt door [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], inhoudende het relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisanten, dossierpagina 70;

4. het ambtsedig proces-verbaal van doorzoeking van politie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Opsporing, mutatienr. PL204M/08-091567, d.d. 4 april 2008, opgesteld door verbalisant [verbalisant 4], dossierpagina’s 68-69;

5. het ambtsedig proces-verbaal van Regionaal Bureau Wapens en Munitie, politie Midden en West Brabant, District Tilburg, BPS-nummer PL204M/08-091567, d.d. 17 juni 2008, betreffende de omschrijving van een pistool, munitie enz. in de wettelijk vorm opgemaakt door [verbalisant 5], brigadier van politie, inhoudende het relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1. is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 45, eerste en tweede lid iuncto artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2. is voor zover het betreft het vuurwapen van categorie III als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onder a van deze wet.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voor zover het betreft de munitie van categorie III als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van deze wet.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van het feit en van verdachte

1.1. Namens verdachte is ten verweer betoogd, dat hij van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen, omdat hij met betrekking tot de ten laste gelegde poging tot doodslag heeft gehandeld in een situatie van noodweer dan wel noodweerexces als bedoeld in artikel 41, eerste lid, respectievelijk tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

1.2. Daartoe is -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

1.2.1. Verdachte handelde ter verdediging van zijn lijf tegen een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer], aangezien [slachtoffer] dreigend met een glinsterend voorwerp, in de ogen van verdachte een mes, maar naar pas achteraf is gebleken een wielmoersleutel in de richting van verdachte kwam gerend, terwijl hij zich op dat moment bevond in de smalle gang van zijn woning, waarvan de toegangsdeur, althans de weg naar de toegangsdeur werd geblokkeerd door [getuige 3] en [slachtoffer], zodat hij zich aan die dreigende aanranding niet kon onttrekken en hij heeft geschoten ten einde dit gevaar af te wenden.

1.2.2. De verklaringen van [slachtoffer], [getuige 1] en [getuige 2] over de wijze waarop de confrontatie heeft plaatsgevonden, in het bijzonder de wijze waarop verdachte nadat hij [slachtoffer] zou hebben waargenomen tijdens de hierop volgende confrontatie zou hebben gehandeld, zijn ongeloofwaardig gelet op de tegenstrijdigheden die deze bevatten.

1.2.3. Met betrekking tot het beroep op noodweerexces is in de pleitnota het volgende opgenomen: “Indien Uw hof de mening is toegedaan dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, ligt honorering van een beroep op noodweer(exces) in de rede. Immers in de hiervoor beschreven situatie was zoals gezegd op het moment waarop cliënt naar zijn vuurwapen heeft gegrepen sprake van een dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van cliënt door [slachtoffer], waartegen cliënt zich had te verdedigen. Zo heeft de rechtbank Breda in haar eerdergenoemde vonnis ook geoordeeld. Het feit dat cliënt uit pure angst nog tweemaal in de lucht heeft geschoten staat naar de mening van de verdediging niet in de weg aan het beroep op noodweerexces, nu dit zich heeft afgespeeld nadat cliënt [slachtoffer] heeft neergeschoten” (einde citaat).

1.3.1.Uit de eigen aangifte van [slachtoffer] (vgl. voetnoot 2) blijkt – samengevat – het volgende. Hij wilde [bijnaam verdachte] (het hof begrijpt:verdachte), die hij, [slachtoffer], zelf niet kende, na cocaïnegebruik in de avond van 3 april 2008 een pak slag geven. Hij wist dat verdachte in het verleden [getuige 1] en haar ouders had bedreigd met een pistool en dat verdachte rotzooi - dat wil volgens [slachtoffer] zeggen onder andere cocaïne – verkocht.

Hij heeft op straat uitdagend tegen verdachte geroepen: “kom dan vechten” waarop verdachte zou hebben geantwoord: “Ik ga hem pakken, kom maar” waarop [slachtoffer] heeft teruggeroepen: “Ik kom zo terug”.

Vervolgens heeft [slachtoffer] ergens een grijskleurige wielmoersleutel gepakt en daarna zijn neef [getuige 2] opgehaald waarna hij met hem en [getuige 1] voornoemd naar de woning van verdachte is gereden om deze een pak slaag te geven. Hij is uitgestapt met de wielmoersleutel in zijn rechterhand omdat hij, naar hij verklaart, “toch iets moest hebben om te slaan.” “Normaal heb ik een mes bij me, maar ik weet dat als ik dat bij me heb dat ik deze dan ook gebruik”.

Hij zag verdachte en een jongen met een baseballpet naar buiten komen waarbij verdachte in de deuropening bleef staan. Hij zag dat verdachte een pistool in zijn rechterhand had en hiermee aan het zwaaien was. Hij stond toen 3 meter van verdachte vandaan. Hij heeft tegen verdachte gezegd: “Je gaat eraan”.

1.3.2. Die lezing van [slachtoffer] vindt nagenoeg volledige bevestiging in de verklaringen ter zake van genoemde [getuige 1] en [getuige 2] .

1.3.3. Die gedragingen van [slachtoffer] zijn en waren gelet op hun onderlinge samenhang aan te merken als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding van verdachte.

1.4.1. Ten aanzien van het al dan niet gepast zijn van het schieten op [slachtoffer] door verdachte overweegt het hof als volgt.

1.4.2. Volgens [slachtoffer] zag hij, zoals hiervoor onder 1.3.1. is weergegeven, dat hij de auto (het hof begrijpt:) voor de woning van verdachte heeft geparkeerd, dat hij verdachte –kort tevoren- voor een raam zag staan, en dat hij verdachte en de jongen met de baseballpet naar buiten zag komen waarbij verdachte in de deuropening bleef staan met een pistool in zijn rechterhand en de andere jongen rechts van verdachte buiten stond.

[getuige 1] voornoemd heeft onder meer verklaard dat [naam verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) en de haar bekende [getuige 3] hen zagen aan komen rijden, dat zij bij aankomst bij de woning van verdachte uit de door [slachtoffer] bestuurde auto is gestapt omdat zij verdachte en [getuige 3] die een donkerkleurig baseballpetje droeg, in de deuropening zag staan. Zij zag dat verdachte een pistool in zijn hand had.

[getuige 2] voornoemd heeft ter zake –samengevat– verklaard (zie 1.3.2.) dat hij zag dat [slachtoffer] de personenauto recht voor de deur parkeerde. Hij zag vrijwel direct dat de voordeur van de woning openging en dat de man met een pistool in zijn handen naar buiten kwam en dat die man het pistool op ons (het hof begrijpt: hem en de andere inzittenden van die auto) richtte.

[getuige 3] voornoemd heeft tegenover de politie op 7 april 2008 onder meer verklaard dat hij in de woning verdachte opgewonden hoorde roepen: Jef, doe de deur open, terwijl hij, verdachte van de trap afliep. Op dat moment heeft [getuige 3] de deur geopend en is hij naar buiten gelopen. Hij stond ongeveer twee meter buiten de deur en hij zag toen mensen uit de auto stappen, onder andere [naam slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) als laatste vanaf de bestuurdersstoel.

1.4.3. Uit die ter zake gelijkluidende verklaringen blijkt dat op het moment dat de door [slachtoffer] bestuurde auto aan was gekomen bij de woning van verdachte de voordeur door [getuige 3] op verzoek van verdachte is geopend. Het hof acht die onderdelen uit hun verklaringen, anders dan de verdediging heeft betoogd, gezien de onderlinge samenhang wel betrouwbaar en bruikbaar met betrekking tot dit verweer. Verdachte had toen behoren te begrijpen dat [slachtoffer] uit was op een confrontatie die hij, verdachte had kunnen en dienen te vermijden door de deur van zijn woning dicht te laten. Door die deur te laten openen en de aanval te kiezen door te gaan schieten heeft hij een onjuiste keuze gemaakt. De lezing van verdachte dat hij in het gangetje van zijn woning in het nauw zou zijn gebracht, waarbij de weg werd geblokkeerd door verdachte en voornoemde [getuige 3] acht het hof op grond van bovengenoemde getuigenverklaringen feitelijk niet aannemelijk geworden.

1.4.4. Verdachte heeft er vervolgens, nadat de voordeur geopend was, voor gekozen om met een vuurwapen op [slachtoffer], die inderdaad op een nieuwe confrontatie met verdachte uit was, te richten en aldus ten minste twee maal op hem, [slachtoffer] te schieten. Dat was voor verdachte in de gegeven omstandigheden geen gepast middel ter zelfverdediging. Verdachte had immers in zijn woning kunnen blijven en telefonisch de politie verwittigen van de dreiging door [slachtoffer]. Zijn beroep op noodweer gaat dan ook niet op.

1.5.1. Op grond van art. 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Niet is gesteld, noch uit het onderzoek ter terechtzitting of het procesdossier gebleken dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden door een hevige gemoedstoestand die door het onmiddellijk dreigende gevaar van een aanval werd veroorzaakt.

Bijgevolg verwerpt het hof tevens verdachtes beroep op noodweerexces.

Voor het overige zijn evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer] en aan het voorhanden hebben van een pistool en daarbij behorende munitie.

De eerste rechter heeft verdachte ter zake van dat feit een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof verdachte ter zake van beide ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat -mocht het hof komen tot bewezenverklaring van poging tot doodslag- primair, aan verdachte een gevangenisstraf zal worden opgelegd, enkel voor de duur van de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd, eventueel in combinatie met een taakstraf, subsidiair, geen hogere straf dan de door eerste rechter opgelegde straf zal worden opgelegd.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging gewezen op:

- het door de verdediging overgelegde rapport opgesteld door P.R. Lageveen, Forensisch maatschappelijk werker verbonden aan Anker & Anker Strafrechtadvocaten te Leeuwarden;

- het feit dat het slachtoffer tot tweemaal toe welbewust de volle confrontatie met verdachte heeft gezocht;

- verdachte volledige openheid van zaken heeft gegeven en volledige medewerking heeft verleend bij het opsporen van het wapen;

- de recalcitrante opstelling van het slachtoffer tijdens het opsporingsonderzoek;

- de onzorgvuldige wijze waarop de politie tijdens het opsporingsonderzoek ten aanzien van de verklaringen van het slachtoffer heeft gehandeld.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat het hier gaat om een gewelddadig feit waardoor de rechtsorde ernstig wordt geschokt en dat in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg brengt;

- de omstandigheid dat verdachte met gestrekte arm op borsthoogte op [slachtoffer] heeft gericht en geschoten, welke handeling doorgaans tot zeer ernstige gevolgen voor het slachtoffer leidt; dat het in dit geval niet zo ver is gekomen, is naar het oordeel van hof aan puur geluk voor het slachtoffer te danken en allerminst aan verdachte;

- de omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van een feit als het bewezen verklaarde feit -naast de lichamelijk gevolgen- nog langdurig last kunnen hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid;

- de omstandigheid dat het bezit van een vuurwapen een groot risico voor de algemene veiligheid van personen veroorzaakt en dat dit -illegale- bezit vanwege de daaraan verbonden gevaarzetting een maatschappelijk kwaad is dat ernstig dient te worden bestraft.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 februari 2009, waaruit blijkt dat hij eerder ter zake van geweldmisdrijven en het voorhanden hebben van wapens door een strafrechter is veroordeeld

- het door de verdediging overgelegde rapport opgesteld door P.R. Lageveen, Forensisch maatschappelijk werker verbonden aan Anker & Anker Strafrechtadvocaten te Leeuwarden;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft voor wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen -grosso modo- vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd. Op grond daarvan dient in beginsel in geval van doodslag als uitgangspunt te worden genomen een onvoorwaardelijke gegevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. Nu sprake is van poging tot doodslag dient dit uitgangspunt met een derde deel te worden verminderd, te weten tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Het optreden van het slachtoffer [slachtoffer], die tot tweemaal toe kort achter elkaar de confrontatie met verdachte heeft gezocht en voorts de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, vormt voor het hof evenwel aanleiding genoemd uitgangspunt te verlagen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Het beslag

Gebleken is dat het voorwerp genummerd 10 op de beslaglijst, te weten: een blauwe doos met daarin schuimvulling met de vorm van een vuurwapen, bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten is aangetroffen. Dit voorwerp kan dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke feiten. Aangezien dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang zal dit aan het verkeer worden onttrokken.

Het hof zal de teruggave gelasten aan verdachte van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen 6, te weten: een grijze kluis, en 7, te weten: een wiet-filterpapiertje met daarop een telefoonnummer. Deze goederen zijn onder verdachte in beslag genomen en zijn niet vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

Het hof zal voorts de teruggave gelasten aan [getuige 3] van het op de beslaglijst genoemde voorwerp 1, te weten: een rood gasdrukwapen. Dit gasdrukwapen is onder deze persoon in beslag genomen en is niet vatbaar voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 1.064,99. De eerste rechter heeft benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep, blijkens het door hem ingevulde door het hof op 26 maart 2009 ontvangen antwoordformulier opnieuw gevoegd ter zake van het in eerste aanleg gevorderde bedrag.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden materiële schade ad EUR 64,99 en immateriële schade ad EUR 1.000,-.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Het hof acht de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Poging tot doodslag.

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

10) 1 doos, kleur: blauw, Walther, in doos schuimvulling met vorm wapen;

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

16) 1 stuk handgereedschap, kleur: zilver, een zogenaamde wielsleutel.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

6) 1 Kluis, kleur: grijs;

7) 1 wiet-filterpapiertje.

Gelast de teruggave aan [getuige 3] van het in beslag genomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

1) 1 wapen, kleur rood, Walther CP 88, serienummer A8213716, gasdrukwapen, 4,5mm, geladen met 5 projectielen.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij, [slachtoffer], in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. M.J.C. van Kamp en mr. F.L. Muskens,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 9 april 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.J.C. van Kamp en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.