Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI1996

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-04-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
20-004310-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN9281, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BN9281
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslissing na voorwaardelijke vooroordeling, art 14j Sr; ontvankelijkheid rechtsmiddel,

doorbreking van wettelijke uitsluiting van rechtsmiddelen?

Hof: i.c. geen sprake van uitzonderlijk geval dat tot doorbreking zou kunnen leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer : 20.004310-08

uitspraakdatum : 20 april 2009

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

BESLISSING NA VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing na voorwaardelijke veroordeling van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 juli 2008, in de strafzaak met parketnummer 01/845303-06 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

wonende te [woonplaats], [adres].

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de appellant naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal strekt ertoe dat appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Bij (onherroepelijk geworden) vonnis van de politierechter in de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 november 2006 is appellant veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden zich gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering en het volgen van een training cognitieve vaardigheden. In een zogenaamd afloopbericht d.d. 24 april 2008 aan de officier van justitie heeft de reclassering laten weten dat betrokkene niet wil deelnemen aan de training cognitieve vaardigheden, waardoor de reclassering geen uitvoer kan geven aan de bijzondere voorwaarde uit het vonnis.

Op 15 mei 2008 heeft de officier van justitie een vordering tot tenuitvoerlegging (op de grond dat de veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarde) ingediend bij de griffie van de rechtbank, waarna de politierechter de terechtzitting heeft bepaald op 4 juli 2008.

De veroordeelde is vervolgens opgeroepen tegen de terechtzitting van de politierechter van 4 juli 2008. Op de terechtzitting van 4 juli 2008 is noch de veroordeelde, noch een raadsman verschenen. Bij beslissing van 4 juli 2008 heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van zes maanden gevangenisstraf.

Op 15 juli 2008 heeft een advocaat als gemachtigde van de veroordeelde hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de politierechter van 4 juli 2008.

Bij schriftuur van 28 juli 2008 heeft de advocaat zich op het standpunt gesteld dat weliswaar ingevolge art. 14 j Sr tegen de laatstgenoemde beslissing van de politierechter geen rechtsmiddel openstaat, maar dat het hoger beroep niettemin ontvankelijk moet worden geacht omdat, kort gezegd, de veroordeelde niet correct is opgeroepen, waardoor hij pas achteraf op de hoogte kwam van de terechtzitting van 4 juli 2008.

Het hoger beroep is behandeld op de terechtzitting van het hof van 6 april 2009. Daarbij is onderzocht of appellant ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge art. 14j, eerste lid, tweede volzin, Sr is een beslissing als de onderhavige van de politierechter van 4 juli 2008 niet aan enig rechtsmiddel onderworpen.

In navolging van onder meer de beslissing van HR 17 juni 1994, NJ 1995, 367 (waarin de Hoge Raad doorbreking van het rechtsmiddelenverbod in civiele zaken mogelijk acht in bijzondere gevallen) is het hof van oordeel dat in uitzonderlijke gevallen doorbreking van de wettelijke uitsluiting van rechtsmiddelen mogelijk is. Het hof denkt daarbij aan het geval dat bij de behandeling van de zaak een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, zoals in het geval van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Het aanvaarden van hoger beroep in zulke gevallen betekent niet dat, in strijd met de wet, in algemene zin een rechtsmiddel wordt opengesteld daar waar de wetgever dit niet heeft gewild, maar het is een correctie in individuele gevallen waarin moet worden geoordeeld dat bij de behandeling van de zaak door de rechter essentiële vormen zijn verzuimd, waardoor niet meer van een eerlijk proces kan worden gesproken.

Indien de veroordeelde niet of zo ondeugdelijk is opgeroepen voor de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting dat hij niet op de hoogte was of kon zijn van die terechtzitting, is hem de mogelijkheid ontnomen zijn standpunt toe te lichten en verweer te voeren. Dit komt neer op een schending van het beginsel van hoor en wederhoor. In zo een geval acht het hof hoger beroep mogelijk.

In het onderhavige geval stelt het hof aan de hand van de akte van uitreiking vast dat de veroordeelde (thans appellant) voor de terechtzitting van de politierechter van 4 juli 2008 als volgt is opgeroepen.

Op 23 mei 2008 is de oproeping vergeefs aangeboden op het adres [adres] te [woonplaats]. Aldaar is een bericht van aankomst achtergelaten met mededeling waar de gerechtelijke brief kon worden afgehaald. Op 2 juni 2008 is de oproeping, die niet is afgehaald, teruggezonden naar de officier van justitie. Uit een GBA-overzicht van 9 juni 2008 blijkt dat de appellant vanaf 25 maart 2008 is ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats]. Op 9 juni 2008 is de oproeping uitgereikt aan de griffier van de rechtbank. Op dezelfde dag is door het parket van de officier van justitie een afschrift van de gerechtelijke brief verzonden aan het genoemde adres. Voorts is een afschrift van de gerechtelijke brief op 21 mei 2008 verzonden aan het adres [adres 2] te [woonplaats], zijnde het adres dat door appellant bij zijn eerste verhoor door de politie is opgegeven. Aldus is de betekening van de oproeping op de wettelijk voorgeschreven wijze geschied.

Appellant heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat hij aanvankelijk (samen)woonde op het adres [adres 2] te [woonplaats], dat hij in januari of februari 2008 is verhuisd naar het adres [adres] te [woonplaats], hetgeen hij aan de gemeente heeft doorgegeven en dat hij, in zijn herinnering in maart 2008, is verhuisd naar het adres [adres 3] te [woonplaats 2], waar hij met een nieuwe relatie is gaan samenwonen, welk adres hij zegt te hebben doorgegeven aan de gemeente en, in verband met het reclasseringstoezicht, aan de reclassering. Hij heeft gesteld dat hij nog wel post die bezorgd was op het adres [adres] te [woonplaats], heeft doorgestuurd gekregen.

Het hof stelt vast dat het adres [adres 2] te [woonplaats], noch het adres [adres 3] te [woonplaats 2] vermeld wordt in het GBA-overzicht van 9 juni 2008. In het bovengenoemde afloopbericht van de reclassering d.d. 24 april 2008 wordt als adres van de verdachte genoemd [adres 2] te [woonplaats]. Van een adres in [woonplaats 2] wordt in dit bericht geen melding gemaakt.

De raadsman heeft verzocht om de reclasseringsmedewerker [naam], door wie het afloopbericht is geschreven, te horen als getuige omtrent het door appellant bij de reclassering opgegeven adres.

Het hof wijst dit verzoek af, omdat het niet noodzakelijk is ter beantwoording van de vraag of appellant juist is opgeroepen. Immers, justitie mag bij oproepingen in beginsel uitgaan van het GBA-adres. Appellant heeft kennelijk, anders dan hij zich herinnert, verzuimd zijn feitelijke verblijfsadres in [woonplaats 2] op te geven aan de gemeente ter wijziging van zijn GBA-adres. Daarmee heeft hij aan zichzelf te wijten als een oproeping op het GBA-adres hem niet bereikt. Daaraan doet de omstandigheid dat hij een ander verblijfsadres zou hebben opgegeven bij de reclassering niet af. Justitie had geen aanwijzingen dat de verdachte op een ander dan het GBA-adres zou verblijven.

Aldus is naar het oordeel van het hof niet sprake van een uitzonderlijke geval dat tot doorbreking van de wettelijke uitsluiting van een rechtsmiddel zou kunnen leiden.

Appellant zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Aldus beslist door mr. F. van Beuge, als voorzitter, mr. J.A. van Zon en mr. J.C.A.M. Claassens, in tegenwoordigheid van mr. H.J.A. van Ham, als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 april 2009.

Mr. F. van Beuge is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.