Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI1755

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-01-2009
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
07/00617
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is volgens het hof in Nederland belasting- en premieplichtig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 140
V-N 2009/28.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 07/00617

Uitspraak van de tweede meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y, België

hierna: belanghebbende

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2007, kenmerk: AWB 06/5591 inzake het geding tussen:

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in

de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.208.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3 Tegen deze uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 5 september 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote, alsmede de Inspecteur.

1.5. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.6. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat op 19 september 2008 mondeling uitspraak wordt gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 30 september 2008 aan partijen verzonden.

1.7. Belanghebbende heeft tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft bij schrijven van 18 november 2008 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende, geboren op 27 november 1937, is sinds eind 1994 woonachtig in België. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. Belanghebbende genoot in het onderhavige jaar een pensioen van het ABP tot een bedrag van

€ 6.267 en een AOW-uitkering tot een bedrag van € 7.687. Daarnaast genoot belanghebbende uit een in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking bij de in Nederland gevestigde werkgever, A, loon uit tegenwoordige dienstbetrekking tot een bedrag van € 9.208. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte niet gekozen voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet IB 2001.

2.2. Aan belanghebbende is met dagtekening 4 oktober 2006 een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.475, bestaande uit het loon en het ABP-pensioen. Het premie-inkomen is vastgesteld op € 23.162, bestaande uit het loon, het ABP-pensioen en de AOW-uitkering. De aanslag bestaat uit € 263 aan inkomstenbelasting en € 3.138 aan premies volksverzekeringen. De aanslag premie volksverzekeringen betreft het onderhavige jaar alleen de premies AWBZ en ANW.

2.3. Belanghebbende heeft bij brief, ingekomen bij de inspecteur op 10 oktober 2006, bezwaar aangetekend tegen bovengenoemde aanslag, omdat hij naar zijn mening belasting- en premieplichtig is in België. Bij uitspraak op bezwaar, met dagtekening 26 oktober 2006, is de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.208 en betreft enkel het loon. Het premie-inkomen is daarbij niet verlaagd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld, dat hij niet akkoord kan gaan met punt 2.11 van de uitspraak van de Rechtbank.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Aan belanghebbende is door de werkgever, blijkens een door belanghebbende overgelegde verklaring d.d. 13 augustus 2008 van mevrouw B te C, toegezegd dat hij voor de 12 uren die hij in dienst bleef, een aantal premies volksverzekeringen niet meer hoefde te betalen, maar wel wat extra loonbelasting zodat hij er netto bijna niet op achteruit zou gaan.

4.2. Belanghebbende heeft door € 9.208 bij te verdienen een aanslag van € 2.019 ontvangen en heeft hiervoor derhalve aanvullende netto-inkomsten van circa € 7.000 ontvangen.

Aan premies volksverzekeringen heeft belanghebbende voor het onderhavige jaar, zoals medegedeeld door de werkgever, alleen een gedeelte van de premies volksverzekeringen, namelijk de premies AWBZ en Anw, betaald, zodat, voor zover een toezegging zou zijn gedaan, daarvan niet is afgeweken.

Het Hof laat in het midden of hetgeen door de werkgever is toegezegd eveneens door de Belastingdienst is medegedeeld.

4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de Rechtbank op goede gronden de juiste beslissing genomen. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

4.4. Ten aanzien van het verzoek van belanghebbende tot het verlenen van kwijtschelding of het toestaan van een betalingsregeling is niet het Hof maar de Ontvanger in deze bevoegd.

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof:

-verklaart het hoger beroep ongegrond

-bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 8 januari 2009 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en D.G. Barmentlo, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier.

Afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage.

De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.