Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI1751

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-01-2009
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
07/00261
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7246, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In deze zaak is in geschil of de levering van een perceel grond met een daarop gebouwde bedrijfsloods vrijgesteld is van omzetbelasting. De grond is aangekocht op 4 april 1995 en op 20 augustus 2006 is begonnen met de bouw van de loods. Het hof hecht geloof aan de verklaringen van belanghebbende dat de grond direct na aankoop, en de loods een half jaar na aanvang van de bouw, voor bedrijfsdoeleinden in gebruik zijn genomen. De inspecteur heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. In het midden kan blijven op welk moment de in de loods gebouwde kantoorruimte in gebruik is genomen, nu het beschikbaar zijn van een kantoorruimte niet van doorslaggevende betekenis was voor het doel waarvoor de loods is gebouwd, te weten de stalling van bedrijfswagens. Nu de levering van de grond met de loods heeft plaatsgevonden op 17 december 1999 en derhalve meer dan twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming zijn verstreken is de levering vrijgesteld van omzetbelasting. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2009, 71
V-N 2009/29.18 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0904
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00261

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z, van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 4 april 2007, nummer AWB 06/515 in het geding tussen

X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting, aanslagnummer 0000000, opgelegd tot een bedrag van f 107.234 aan belasting.

Belanghebbende is tegen de naheffingsaanslag in bezwaar gekomen.

De Inspecteur heeft bij uitspraak van 14 december 2005 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag vernietigd en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en de Staat gelast aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 september 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede haar gemachtigde, alsmede de Inspecteur.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof, behoudens de aanhef van hetgeen de Rechtbank onder 2.9 heeft vastgesteld, onverkort als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende exploiteerde onder de naam A een eenmanszaak die zich bezig hield met de verhuur van vrachtauto's en graafmachines en de aanneming van sloopwerken. Zij was als zodanig ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB). Tevens was zij van 30 december 1992 tot en met 23 april 1998 directrice en enig aandeelhouder van B B.V. (hierna: de vennootschap) en van 22 augustus 1994 tot en met 23 juli 1998 van C B.V., welke vennootschap alle aandelen hield van D B.V.

2.2. Belanghebbende heeft bij notariële akte van 4 april 1995 een perceel grond gekocht aan E-straat 5 te F, voor een koopsom van ƒ 120.360 vermeerderd met ƒ 21.360 aan omzetbelasting. Deze omzetbelasting is niet door haar op aangifte als voorbelasting afgetrokken. De grond werd door haar aangekocht met als bestemming de bouw van een bedrijfsloods (hierna: de loods).

2.3. Op 11 juni 1996 is een milieuvergunning verleend welke met betrekking tot de loods het volgende bepaalt:

(...) "de stalling van grondverzetmachines, de opslag van grond en bouwkundig sloopafval en de overslag van grond en bouwkundig sloopafval."(...)

2.4. Op 13 augustus 1996 werd aan belanghebbende door de gemeente F een vergunning verleend voor de bouw van een geluidsmuur op de grond en op 20 augustus 1996 een vergunning voor de bouw van een bedrijfsruimte. De geraamde bouwkosten bedroegen respectievelijk ƒ 15.000 en ƒ 191.000.

2.5. Het bedrijfpand meet circa 33 bij 12,5 meter en bestaat uit een staalconstructie en aan drie zijden muren van gasbetonelementen. De vierde (lange) zijde is afgesloten met een aantal rolluiken. In het pand is een kantoorruimte van circa 5 bij 5 meter aangebracht. Het geheel is afgedekt met golfplaten.

2.6. Met de bouw is in 1996 een aanvang gemaakt en tot de stukken van het geding horen ondermeer een weergave van opmerkingen gemaakt door ambtenaren van bouwtoezicht van de Gemeente F, ter zake van de stand van de bouw op 2 december 1996 en op 21 januari 1997. In eerstgenoemde weergave staat vermeld:

"De staalconstructie is gesteld. De stalen dakplaten zijn aangebracht. ± 3/4 van de buitengevels zijn aangebracht. De buitenwanden bestaan hoofdzakelijk uit Durox gasbetonelementen. De aangebrachte elementen zijn afkomstig van een sloop, zij zijn zwaar beschadigd (...) zie de foto's. De platen (voegen) liggen niet in een lijn, terwijl er tevens platen van verschillende afmetingen zijn gebruikt."

2.7. Met de bij de stukken van het geding gevoegde foto's wordt het bovenstaande geïllustreerd. Daarnaast heeft belanghebbende foto's overgelegd die gemaakt zijn in de maand april 1997 en waarop te zien is dat het metselwerk van het kantoorgedeelte in een gevorderd stadium is.

2.8. De bouw van de loods werd door de vennootschap voor eigen rekening, in eigen beheer en met gebruikmaking van ondermeer (eigen) sloopmaterialen uitgevoerd. Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake van deze bouw door belanghebbende geen voorbelasting is afgetrokken.

2.9. Tot de stukken behoort een overeenkomst d.d. 11 mei 1998 van verhuur van de grond aan de vennootschap, waarin is opgenomen onder 4.2:

"De huurprijs bedraagt op jaarbasis ƒ 1.250 (...) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. De huurprijs is uitsluitend gebaseerd op de ondergrond en niet op het bedrijfspand, omdat het bedrijfspand door de huurder voor diens eigen rekening is gebouwd."

2.10. Bij onderhandse akte van 2 april 1999 sluit belanghebbende een overeenkomst tot verkoop van de grond met opstallen met G. Waarin is opgenomen, voor zover te dezen van belang:

"Partij 1 verkoopt aan partij 2 (...) voor een vastgesteld bedrag van ƒ 300.000 KK. Deze transactie wordt werkelijk na een nader te bepalen tijdstip, doch binnen een tijdsbestek van 2 jaar na heden."

2.11. Bij notariële akte van 17 december 1999 wordt de grond met de opstallen door belanghebbende tegen de op 2 april 1999 overeengekomen vergoeding geleverd aan G. Over de vergoeding wordt door belanghebbende geen omzetbelasting in rekening gebracht of op aangifte voldaan.

2.12. Bij notariële akte van dezelfde datum levert G de grond met de opstallen vervolgens door aan H, tegen een vergoeding van ƒ 720.000.

2.13. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de levering van het goed vóór, op of uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming door belanghebbende heeft plaatsgevonden en de levering als van rechtswege belast met omzetbelasting in de heffing betrokken. Hij heeft vervolgens de belasting berekend over een vergoeding van ƒ 720.000. Hij heeft daarbij het standpunt ingenomen dat de bewijslast dat dit bedrag te hoog zou zijn op belanghebbende zou liggen, zich beroepende op artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vraag:

I. heeft de levering van de grond met de loods plaatsgevonden binnen twee jaren na de eerste ingebruikneming van de loods?

En zo deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, het antwoord op de volgende vragen:

II. is de naheffingsaanslag over de juiste grondslag berekend?

III. heeft de Inspecteur ter zake van de bewijslast met betrekking tot de hoogte van de in de heffing betrokken vergoeding terecht zich beroepen op omkering en verzwaring van de bewijslast?

3.2. Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

De Inspecteur

Ik heb geen verweerschrift van belanghebbende ontvangen. Nu de griffier mededeelt dat het verweerschrift op 22 juni 2007 aan de Inspecteur is gezonden, wil ik graag kort in de gelegenheid gesteld worden het verweerschrift te lezen. (Het Hof schorst de zitting voor een leespauze). Ik heb in voldoende mate kennis genomen van de inhoud van het verweerschrift en heb geen behoefte aan bedenktijd. Ik persisteer bij hetgeen ik in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling bij de Rechtbank naar voren heb gebracht.

Belanghebbende

Ik heb mijn onderneming, het grondverzetbedrijf A, op 1 januari 1997 gestaakt, zoals ook blijkt uit het uitschrijvingsbewijs bij de Kamer van Koophandel. De activa zijn naar de huurder overgegaan. Ik had indertijd een mondelinge huurovereenkomst met de vennootschap, inhoudende dat de kosten van het afbouwen e.d. van de loods verrekend zouden worden met de huur, waarbij mondeling is afgesproken hoeveel het afbouwen zou gaan kosten. De vennootschap heeft de onroerende zaak direct na aankoop bedrijfsmatig in gebruik genomen maar heeft geen huur betaald. Er heeft feitelijk geen verrekening met de vennootschap plaatsgevonden. Vanaf de eerste dag na aankoop is de grond in overeenstemming met de bestemming in gebruik geweest bij de vennootschap. De grond is direct na de aankoop op 4 april 1995 aangewend voor het sorteren en de (tijdelijke) opslag van puin en sloopafval en het parkeren van bedrijfswagens. Er is direct na het verlenen van de bouwvergunning op 20 augustus 2006 begonnen met de bouw van de loods. Voor de bouw van de loods werd onder meer gerecycled sloopmateriaal gebruikt. De loods was een half jaar na aanvang van de bouw gereed. In de loods werden de bedrijfswagens gestald. Het kantoor met de bedrijfstelefoon had ik, tot de ingebruikname van het kantoor in de loods, aan huis. Op het bedrijfsterrein was een schaftwagen aanwezig om in te eten. Door privé-omstandigheden (zwangerschap en fysiek zwaar werk in de onderneming) had ik al in 1997 het voornemen om de vennootschap te verkopen. Ik heb op 23 april 1998 de aandelen in J B.V. verkocht aan mevrouw K, een zus van mijn toenmalige partner. Tot de afgesproken verrekening met de B.V. is het nimmer gekomen. Ik geef u hierbij een toelichting op de tot de stukken behorende en thans voor u liggende foto's en plattegrond. Ik ontken dat de handtekening op de tot de stukken van het geding behorende huurovereenkomst, gedateerd 11 mei 1998, met de vennootschap, vertegenwoordigd door mevrouw K, betreffende de huur voor onbepaalde tijd van de bedrijfsruimte E-straat 5 te F, van mij afkomstig is. Ik was niet op de hoogte van het feit dat de onroerende zaak direct na verkoop bij notariële akte van 17 december 1999 door mevrouw G op dezelfde datum vervolgens weer is verkocht aan de heer H.

3.3. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingediende beroep. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Artikel 11, eerste lid van de Wet OB luidt:

Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:

a. de levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze zijn onderworpen met uitzondering van:

1. de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het erbij behorend terrein vóór, op of uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming, alsmede de levering van een bouwterrein;

(...)

Belanghebbende doet een beroep op deze vrijstelling; op haar rust de bewijslast voor toepassing van de vrijstelling.

4.2. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de grond direct na de verwerving op 4 april 1995 overeenkomstig de bestemming door de vennootschap voor bedrijfsdoeleinden in gebruik is genomen, te weten de opslag van sloopmateriaal en grond. Voorts heeft belanghebbende gesteld dat direct na het verlenen van de bouwvergunning op 20 augustus 2006 een aanvang is gemaakt met de bouw van de loods. De loods was blijkens de verklaring van belanghebbende na een half jaar gereed voor ingebruikname voor het daartoe bestemde doel, te weten de stalling van bedrijfswagens. Nadat de loods gereed was, heeft de vennootschap de loods daadwerkelijk in gebruik genomen ten behoeve van de stalling van haar bedrijfswagens. Het Hof hecht geloof aan de door belanghebbende ter zitting ter zake gegeven verklaring. De Inspecteur heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die in tegenspraak zijn met deze verklaring.

4.3. In het midden kan blijven op welk moment de in de loods gebouwde kantoorruimte in gebruik is genomen. Immers het beschikbaar zijn van een kantoorruimte was gelet op de door belanghebbende geschetste omstandigheden, zoals kantoor aan huis en een schaftkeet voor het personeel, niet van doorslaggevende betekenis voor het doel waarvoor de loods is gebouwd, te weten de stalling van bedrijfsvoertuigen. Vaststaat dat de grond al eerder, te weten direct na de aankoop ervan op 4 april 1995, in gebruik is genomen voor de opslag van sloopmateriaal en grond. De levering van de grond met de loods op 17 december 1999 vond derhalve plaats meer dan twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming van een gedeelte van het gebouw, te weten de loods, en het bijbehorende terrein en is mitsdien van de heffing van omzetbelasting vrijgesteld.

4.4. Het standpunt van de Inspecteur dat, indien belanghebbende de onroerende zaak is gaan gebruiken voor het stallen van haar machines, er geen sprake is van een duurzame ingebruikneming overeenkomstig de bestemming, omdat die ingebruikname feitelijk en daadwerkelijk moet hebben plaatsgevonden, dient gelet op hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen, te worden verworpen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het standpunt van de Inspecteur dat het hoogst ongebruikelijk zou zijn dat een ondernemer een gebouw (ook het loodsgedeelte) dat nog in aanbouw is, al gaat gebruiken. Wat hiervan zij, met het oog op de omstandigheden zoals omschreven in 4.3, acht het Hof het voor de hand liggend dat de vennootschap het loodsgedeelte direct nadat het gereed was in gebruik heeft genomen.

4.5. De Inspecteur stelt in zijn beroepschrift dat indien de levering is vrijgesteld de aanslag dient te worden vernietigd. Het Hof sluit zich hier bij aan zodat de vragen II en III geen behandeling behoeven. Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7. Nu het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond is, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 433.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8. Het hoger beroep is ongegrond. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten van de rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken, een en ander met toepassing van het puntenstelsel van het Besluit proceskosten fiscale procedures. Het Hof stelt die kosten vast op 2 punten x € 322 maal wegingsfactor 1,5 ofwel € 966.

5. Beslissing

Het Hof

* bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

* bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 433,

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 966, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 9 januari 2009 door J.W.J. Huige, voorzitter, P. Fortuin en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.