Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI1746

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
04/02252
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is in 1997 gestart met haar eenmanszaak. Zij maakt daarvoor gebruik van een bij haar woning behorende kantoorruimte. Per 1 augustus 2000 heeft belanghebbende de kantoorruimte naar privé overgebracht en per die datum de woning, inclusief de kantoorruimte, verkocht. Partijen verschillen van mening over de waarde van de kantoorruimte per 1 januari 1997 en per 1 augustus 2000. Het hof acht aannemelijk dat de inspecteur actief was betrokken bij de beoordeling van de beginbalans en dat de inbrengwaarde in overleg met de inspecteur is vastgesteld. Met betrekking tot de waarde per 1 augustus 2000 hecht het hof meer waarde aan het door de taxateur van de Belastingdienst opgestelde taxatierapport dan aan dat van de taxateur van belanghebbende, nu de taxateur van de Belastingdienst zijn taxatie gebaseerd heeft op de per 1 augustus 2000 daadwerkelijk gerealiseerde opbrengst van de woning inclusief de kantoorruimte. De lange behandelduur van de zaak bij het hof betekent niet dat de aanslag moet worden vernietigd. Belanghebbendes beroep dienaangaande op art. 6 EVRM wordt verworpen, aangezien dat artikel niet toepasselijk is op procedures betreffende aanslagen. Omdat de inspecteur ter zitting alsnog een bedrag aan hypotheekrente in aftrek toestaat, wordt het beroep toch gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0901
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/02252

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/ Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 57.167, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 43.802.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft in eerste instantie belanghebbende niet ontvankelijk verklaard in haar beroep wegens termijnoverschrijding.

Het Hof heeft vervolgens het tegen die beslissing ingestelde verzet van belanghebbende bij uitspraak van 13 december 2005 gegrond verklaard.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 9 juli 2008 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.4. Belanghebbende heeft voor die zitting een pleitnota met vijf bijlagen toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota met vijf bijlagen tot de stukken van het geding.

1.5. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6. Het Hof heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald, dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof met toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.7. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 december 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.8. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.9. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, geboren 7 december 1956, leefde sinds 18 juni 2000 duurzaam gescheiden van haar echtgenoot, de heer A (hierna: de ex-echtgenoot), van wie zij inmiddels officieel gescheiden is.

2.2. Belanghebbende is in 1997 gestart met haar eenmanszaak. Haar werkzaamheden bestonden uit makelaars- en assurantieactiviteiten; daarnaast was zij ook taxateur. Van 1997 tot en met augustus 2000 voerde zij haar bedrijfsactiviteiten uit vanaf haar woonadres B-straat 16 te C (hierna: de woning). De woning werd in 1994 gekocht voor fl. 600.000. Het gastenverblijf dat bij de woning hoorde, werd door haar in gebruik genomen als kantoorruimte. Deze kantoorruimte is, inclusief een door belanghebbende als berging aangeduide aanbouw (hierna: de aanbouw), welke aanbouw was voorzien van een in 1999/2000 gerenoveerd platdak met bitumineuze dekking, bij de start van de eenmanszaak als ondernemingsvermogen geëtiketteerd en op de beginbalans per 1 januari 1997 vermeld voor de waarde van fl. 81.000, waarvan fl. 10.800 voor de grond en fl. 70.200 voor opstallen.

Bij brief van 14 januari 1999 is aan belanghebbende door de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd, waarvan het doel zou zijn

"de aanvaarbaarheid vast te stellen van de fiscale aangiften over het jaar 1997".

2.3. Per 1 augustus 2000 is de kantoorruimte overgebracht naar privé en vervolgens is per die datum de woning, inclusief het gastenverblijf, verkocht aan een derde voor fl. 1.735.000 kosten koper. De aanbouw is door de koper na 1 augustus 2000 gesloopt en de overgebleven kantoorruimte is door hem opgeknapt.

2.4. Op 30 maart 2001 diende belanghebbende haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PH) 2000 in naar een belastbaar inkomen van negatief fl. 12.301. In de aangifte waardeert zij de kantoorruimte per 1 augustus 2000 voor fl. 35.000, waarvan de grond voor fl. 10.200 en de opstallen voor fl. 24.800.

2.5. In januari 2002 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld, waarbij de aanvaardbaarheid is onderzocht van belanghebbendes aangiften IB/PH 1998 tot en met 2000 en omzetbelasting 1999 tot en met 2000. Tijdens het boekenonderzoek heeft belanghebbende aangegeven, dat zij bij de waardering van de kantoorruimte gebruik heeft gemaakt van een stuk uit de "Almanak voor de Belastingontduiker" getiteld "Dik verliezen op uw kantoorpand".

Naar aanleiding van dit boekenonderzoek is belanghebbendes belastbare inkomen 2000 op diverse punten gecorrigeerd, onder meer op het punt van de waardering van de kantoorruimte per 1 augustus 2000. De waarde van de kantoorruimte is daarbij door de Inspecteur gesteld op fl. 83.000 inclusief een inmiddels door de koper verwijderde aanbouw; de winst is ter zake gecorrigeerd met een bedrag van fl. 48.000.

2.6. Met dagtekening 15 maart 2002 is de definitieve aanslag IB/PH 2000 vastgesteld naar een belastbaar inkomen van fl. 57.167. In de bezwaarfase is het belastbare inkomen verlaagd naar fl. 43.802.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft, naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard, uitsluitend het antwoord op de volgende vragen:

1. Dient belanghebbendes beroep gegrond te worden verklaard omdat de behandeling van het beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden als bedoeld in het EVRM, respectievelijk omdat de aanslag niet binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn is opgelegd?

2. Wat is de juiste economische waarde van de kantoorruimte per 1 januari 1997 en per 1 augustus 2000?

3. Is de heffingsrente terecht berekend?

Over de overige in het beroepschrift vermelde geschilpunten, betreffende de dubbele arbeidsongeschiktheidsaftrek en de hypotheekrente eigen woning, hebben partijen ter zittingen van het Hof overeenstemming bereikt.

Belanghebbende stelt primair, zo verstaat het Hof, dat de Inspecteur niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat inmiddels bijna zeven jaren zijn verstreken sinds het opleggen van de onderhavige aanslag. De aanslag dient daarom, zo stelt belanghebbende, te worden vernietigd. Ook stelt belanghebbende dat nu de termijn van vijf jaren, waarbinnen een aanslag dient te worden opgelegd, inmiddels ruimschoots is overschreden, de aanslag vernietigd dient te worden. Tevens stelt belanghebbende, zo verstaat het Hof, dat aan haar geen "renteopslag" in rekening mag worden gebracht, indien het beroep niet geheel gegrond wordt verklaard.

Subsidiair stelt belanghebbende dat de kantoorruimte per 1 januari 1997 conform de beginbalans dient te worden gewaardeerd op fl. 81.000 en per 1 augustus 2000 op fl. 35.000.

De Inspecteur is de opvatting toegedaan dat de lange behandelingsduur van het beroep niet met zich meebrengt, dat de aanslag moet worden vernietigd.

Voorts stelt de Inspecteur zich op het standpunt, dat de waarde van de kantoorruimte per 1 augustus 2000 ad fl. 83.000, zoals door de taxateur van de Belastingdienst is bepaald, correct is.

Subsidiair stelt de Inspecteur, dat indien de eindwaarde per 1 augustus 2000 van de kantoorruimte conform het standpunt van belanghebbende fl. 35.000 bedraagt, de inbrengwaarde op grond van de foutenleer nader dient te worden vastgesteld op ten hoogste fl. 35.000. Rekening houdend met de reeds in mindering gebrachte afschrijvingen zou de winstcorrectie dan fl. 46.000 bedragen in plaats van de door de Inspecteur ter zake toegepaste correctie van fl. 48.000.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zittingen hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Eerste zitting

Belanghebbende

- De kantoorruimte zou aanvankelijk door de koper platgegooid worden, daarna is het als opslagruimte in gebruik genomen.

- In eerste instantie heb ik de kantoorruimte niet ingebracht, het is op de balans gezet pas naar aanleiding van het boekenonderzoek in 1999 op verzoek van de Inspecteur. Het is geen woonruimte.

- Het woonhuis had ca 1260 m³ inhoud all in.

- De inbrengwaarde van fl. 81.000 is in overleg met de Inspecteur vastgesteld. Het was niet als kantoorruimte te verkopen.

- De ex-echtgenoot werkte bij de V&D. Ik ga akkoord met de stelling van de Inspecteur dat de ex-echtgenoot het eerste halfjaar van 2000 een hoger persoonlijk inkomen had dan ik.

De Inspecteur

- De ex-echtgenoot was in dienstbetrekking en had in 2000 een hoger persoonlijk inkomen dan belanghebbende. Tot 18 juni 2000 dient daarom de hypotheekrenteaftrek in mindering te worden gebracht op het inkomen van de ex-echtgenoot. Na 18 juni 2000 kan belanghebbende tot 1 augustus 2000 de helft van de hypotheekrente op haar inkomen in mindering brengen.

Dat zou rekening houdend met het huurwaardeforfait alsnog een aftrekpost van fl. 1.470 opleveren.

- De waarde van de ondergrond van de kantoorruimte is berekend met behulp van een staffel uitgaande van de verkoopopbrengst in augustus 2000 van fl. 1.735.000 voor het woonhuis:

De 1e 1.000 m² is gewaardeerd tegen fl. 450; 2e 1.000 m² tegen

fl. 225/m²; 3e 1.000 m² voor fl. 100/m²; 4e voor fl. 50/m²; 5e voor fl. 25 m² en de rest tegen fl. 12,50/m².

Zo kom ik op een waarde van fl. 880.000 voor de grond en op ca. fl. 900.000 voor de opstallen. De woonruimte was 780 m³ plus garage, overkapping en zwembad.

- Mijn compromisvoorstel betreffende de afrekening over de kantoorruimte geldt niet meer nu belanghebbende er niet mee akkoord gaat. Het Hof moet maar in goede justitie beslissen.

Beide partijen

- Als datum van gescheiden gaan leven kan 18 juni 2000 worden aangehouden.

- De arbeidsongeschiktheidsaftrek is niet meer in geschil.

Tweede zitting

Belanghebbende

- Tijdens de controle in 1999 is niet alleen de omzetbelasting maar ook de inkomstenbelasting aan de orde geweest. Alles is toen doorgenomen en gecontroleerd. Ik mocht toen alles opnieuw opstellen. De aangifte IB/PH is vervolgens opnieuw opgesteld, met de kantoorruimte op de balans. Ik weet de datum van de afrondende bespreking (19 maart 1999) zo exact omdat ik dat heb opgezocht in mijn agenda, die ik nog heb. Andere stukken uit dat jaar heb ik niet meer, die zijn bij mijn ex gebleven.

- Ik verzoek alleen om de vergoeding van de reiskosten.

Inspecteur

- De behandeling van het bezwaarschrift heeft inderdaad lang geduurd, maar dat heeft ook te maken met het feit, dat getracht is er samen uit te komen in compromissoire sfeer op verzoek van belanghebbende.

- De kantoorruimte is terecht door belanghebbende op de beginbalans vermeld. Daar is geen twijfel over. De datum van de eindbespreking van 19 maart 1999 klopt inderdaad. Maar de inbrengwaarde van fl. 81.000 is door belanghebbende zelf vastgesteld.

Beide partijen

- Andere geschilpunten dan de kantoorruimte zijn er niet meer.

- De hypotheekrenteaftrek wordt alsnog vastgesteld op het bedrag van per saldo fl. 1.524, na aftrek huurwaardeforfait. Het eerder genoemde bedrag van fl. 1.470 klopt niet als gevolg van een rekenfout.

- De dubbele arbeidsongeschiktheidsaftrek wordt niet geclaimd en is dus niet meer in geschil. Wel wijzigt de drempel van buitengewone lasten als gevolg van de correctie van de hypotheekrente aftrek met 12,2%.

3.3. Belanghebbende concludeert naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en primair vernietiging van de onderhavige aanslag; subsidiair tot vermindering van de aanslag rekening houdend met het door belanghebbende in haar aangifte geclaimde boekverlies op de kantoorruimte, de hypotheekrenteaftrek van per saldo fl. 1.524 en een gewijzigde drempel voor buitengewone lasten.

De Inspecteur concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 43.802, zoals vastgesteld bij uitspraak op bezwaar, en verminderd met een bedrag van fl. 1.524 aan hypotheekrente en een bedrag van 12,2% van fl. 1.524 (correctie drempel buitengewone lasten).

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt, dat de aanslag dient te worden vernietigd, omdat het beroep niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in het EVRM is behandeld. Het Hof begrijpt belanghebbendes stelling als beroep op artikel 6 van dat verdrag. Aangezien artikel 6 EVRM niet toepasselijk is op de procedures met betrekking tot de aanslagen, kan belanghebbendes primaire standpunt niet worden gevolgd (vergelijk Hoge Raad 25 april 2008, nr. 43.871, BNB 2008/175). Wel moet belanghebbende worden toegegeven, dat de behandeling van het beroep uitzonderlijk lang heeft geduurd.

Nadat haar verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het Hof bij uitspraak van 13 december 2005 gegrond is verklaard, heeft de procedure om onverklaarbare reden bij het Hof een geruime tijd stilgelegen. Het Hof zou normaliter hierin de aanleiding hebben gezien om aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te vergoeden. Het beroep is echter reeds om de redenen vermeld hierboven onder 3.1 en 3.3 gegrond, zodat belanghebbende reeds daarom in aanmerking komt voor de vergoeding van het door haar betaalde griffierecht. Het Hof zal daarom volstaan met de constatering van de uitzonderlijk lange behandelduur.

4.2. Voorts stelt belanghebbende dat de aanslag dient te worden vernietigd omdat de termijn van vijf jaren, die geldt voor het opleggen daarvan, inmiddels ruimschoots is overschreden. Deze stelling kan niet worden gevolgd. De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt krachtens artikel 11, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR), door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De aanslag is opgelegd met dagtekening 15 maart 2002, derhalve binnen de wettelijke termijn van drie jaren, die eindigde op 31 december 2003.

4.3. Voor zover belanghebbende met haar stelling, dat aan haar geen "renteopslag" in rekening mag worden gebracht, doelt op de eventueel door de Ontvanger in rekening te brengen rente inzake het genoten uitstel van betaling, overweegt het Hof dat het al of niet berekenen van de uitstelrente geen onderwerp kan vormen van het onderhavige geding over de hoogte van de aanslag. De beslissing omtrent verlening van uitstel van betaling betreft bovendien niet een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking.

4.4. De eerste in geschil zijnde vraag dient derhalve ontkennend te worden beantwoord.

4.5. Partijen houdt voorts verdeeld de vraag, wat de economische waarde is van de kantoorruimte per 1 januari 1997 respectievelijk per 1 augustus 2000 en welk bedrag derhalve in 2000 tot belanghebbendes winst dient te worden gerekend wegens het overbrengen van de kantoorruimte naar privé.

4.6. Belanghebbende stelt met betrekking tot de waarde per 1 januari 1997, dat zij op verzoek van de controlerend ambtenaar de heer D, gedaan in 1999 tijdens een bij belanghebbende ingestelde boekenonderzoek, de kantoorruimte inclusief de aanbouw op haar beginbalans heeft opgenomen voor het bedrag van fl. 81.000. De Inspecteur bestrijdt op zich niet, dat de kantoorruimte terecht tot het ondernemingsvermogen werd gerekend bij de start van belanghebbendes onderneming in 1997 en dat dit wellicht zelfs op aandringen van de behandelende inspecteur is gebeurd. Wel bestrijdt de Inspecteur belanghebbendes stelling, dat de inbrengwaarde destijds in overleg met die inspecteur werd vastgesteld. De Inspecteur stelt, dat het in 1999 bij belanghebbende uitgevoerde boekenonderzoek enkel de aangiften omzetbelasting betrof en dat de (inbrengwaarde van de) kantoorruimte destijds geen onderwerp van gesprek was.

4.7. Vaststaat dat aan belanghebbende bij brief van 14 januari 1999 een boekenonderzoek is aangekondigd, waarvan het doel zou zijn

"de aanvaarbaarheid vast te stellen van de fiscale aangiften over het jaar 1997".

In de brief van 14 januari 1999 wordt het doel van het onderzoek niet beperkt tot de aangiften omzetbelasting. In de bijlage bij die brief wordt belanghebbende verzocht haar complete administratie gereed te houden, waaronder de jaarstukken met bijlagen, accountantsrapporten, de kolommenbalansen, afschrijvingsstaten, pensioenbrieven, agenda's, afsprakenboeken, kopieën en specificaties van de aangiften loonbelasting enz. Tot de stukken van het geding behoort slechts een rapport van de Belastingdienst d.d. 25 februari 1999 inzake de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de jaren 1997 en 1998, waarin onder punt 4 het volgende wordt vermeld:

"Slotopmerking

In het kader van het aangekondigde boekenonderzoek d.d. 14-1-1999, zal ook de aangifte IB/PV 1997 beoordeeld gaan worden, i.v.m. ziekte van belastingplichtige heeft dit onderzoek nog niet plaats gevonden, hierover t.z.t. een verslaglegging worden gemaakt."

Tot de stukken van het geding behoort, als bijlage 2 van de brief van de Inspecteur van 27 augustus 2008, gericht aan het Hof,

een uitdraai uit het "klantenbestand inzake bedrijfsbezoek" van de Belastingdienst. In deze uitdraai wordt vermeld:

" Tijdens een eerder ingesteld onderzoek OB is komen vast te staan dat de aangiften IB volledig foutief zijn, uitleg geven hoe het wel zou moeten,".

Voorts vermeldt de uitdraai dat de behandelopdracht, zijnde

"Bedrijfsbezoek individueel" uitgevoerd en beëindigd/afgehandeld is d.d. 22 maart 1999 door de behandelende ambtenaar, de heer D, en dat het "Behandelproces" afgedaan is op 19 maart 1999. Deze datum correspondeert ook met de door belanghebbende eerder in haar brief van 21 juli 2008, gericht aan het Hof, onafhankelijk van de Inspecteur genoemde datum, waarop de heer D met belanghebbende de afrondende bespreking heeft gevoerd met betrekking tot de gecorrigeerde/aangepaste punten, waaronder volgens belanghebbende ook de inbreng en waardering van de kantoorruimte, waarna gedagtekend 18 mei 1999 de definitieve aanslag IB/PH 1997 volgde.

Noch belanghebbende noch de Inspecteur beschikken over een verdere vastlegging van hetgeen op 19 maart 1999 is besproken. Belanghebbende heeft wel een kopie van enkele pagina's van haar aangifte IB/PH 1997 overgelegd, waaruit blijkt, dat de kantoorruimte ultimo 1997 oorspronkelijk niet op de balans van haar onderneming stond vermeld. Vaststaat, dat de kantoorruimte uiteindelijk wel op de inbrengbalans per 1 januari 1997 als ondernemingsvermogen werd vermeld en als zodanig ook bleef vermeld tot de verkoop in augustus 2000.

4.8. Gelet op hetgeen onder 4.7 is vermeld acht het Hof aannemelijk dat de Inspecteur in 1999 actief was betrokken bij de beoordeling van belanghebbendes inbrengbalans. Deze actieve rol mocht naar het oordeel van het Hof van de Inspecteur ook worden verwacht gelet op de sinds 1 januari 1990 ingevoerde geïntegreerde werkwijze van de Belastingdienst en gezien de aankondiging van het boekenonderzoek in de brief de dato 14 januari 1999.

Ook gelet op de hierboven aangehaalde passage uit de interne stukken van de Belastingdienst, dat

"Tijdens een eerder ingesteld onderzoek OB is komen vast te staan dat de aangiften IB volledig foutief zijn, ..."

is het Hof van oordeel, dat de inbreng van de kantoorruimte niet aan de aandacht van de controlerend ambtenaar kon en mocht zijn ontsnapt. Het Hof acht derhalve aannemelijk dat de inbreng en de waardering van de kantoorruimte onderwerp van gesprek waren geweest tijdens het bedrijfsbezoek in 1999 en dat de inbrengwaarde daarvan toentertijd in overleg met de Inspecteur is vastgesteld. Het Hof is van oordeel dat de inbrengwaarde van fl. 81.000 daarom voor partijen bindend is en dat er geen plaats is voor toepassing van de foutenleer, zoals subsidiair door de Inspecteur gesteld (vgl. Hoge Raad 11 juni 2004, nr. 40.010, BNB 2004/310).

4.9. Het Hof is met partijen van oordeel dat de kantoorruimte inclusief de aanbouw terecht tot het ondernemingsvermogen is gerekend. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld, dat de kantoorruimte niet over een eigen uitweg naar de openbare weg beschikte, volgens het bestemmingsplan alleen in samenhang met de eigen woning op het perceel met een maximum van 30m² mocht worden gebruikt als kantoorruimte en niet de beschikking had over eigen nutsvoorzieningen, doch het Hof begrijpt deze belanghebbendes stellingen niet als bestrijding van de etikettering op zich, doch als argument om de door haar verdedigde incourantheid van de kantoorruimte te benadrukken.

Overigens merkt het Hof op, dat anders dan belanghebbende stelt, blijkens artikel 4, onderdeel C, van het bestemmingsplan (als bijlage bij het beroepschrift gevoegd) de voorwaarde van het gebruik als kantoorruimte uitsluitend in samenhang met de eigen woning door het bestemmingsplan niet wordt gesteld. Bovendien is, volgens de stelling van belanghebbende in het beroepschrift, het gebruik als kantoorruimte in 1997 door de gemeente akkoord bevonden.

Hoewel de kantoorruimte volgens belanghebbende niet beschikte over eigen nutsvoorzieningen, was er wel beschikking over alle nutsvoorzieningen zoals elektra, water en verwarming middels een eigen cv-ketel. De kantoorruimte had ook een eigen toilet. Dat de kantoorruimte derhalve niet te verhuren zou zijn, zoals belanghebbende stelt, acht het Hof gelet op de geschetste feiten en omstandigheden niet aannemelijk.

4.10. Belanghebbende heeft de kantoorruime inclusief de aanbouw per 1 augustus 2000 in verband met de verkoop van haar woning overgebracht naar privé voor een waarde van fl. 35.000, te splitsen in fl. 10.200 voor grond en fl. 24.800 voor opstallen. De boekwaarde bedroeg op dat moment fl. 75.969, zodat belanghebbende per saldo een boekverlies claimde van fl. 40.969. Daarbij zou zij zich hebben gebaseerd op een externe taxatie, doch een afschrift van een rapport van die taxatie heeft zij niet overgelegd. Wel heeft zij overgelegd een taxatierapport opgemaakt door E o/g de dato 15 april 2002, dat een onderhandse verkoopwaarde van de kantoorruimte per 1 augustus 2000 vermeldt van fl. 35.000. Dat taxatierapport vermeldt, dat de kantoorruimte in een goede staat van binnenonderhoud en in een voldoende staat van buitenonderhoud verkeerde, alsmede dat de bouwkundige constructie goed was.

De Inspecteur heeft de kantoorruimte inclusief de aanbouw per

1 augustus 2000 conform een taxatie van de taxateur van de Belastingdienst gewaardeerd op fl. 83.000. Dit resulteerde in een winstcorrectie van fl. 48.000.

4.11. Partijen twisten over de exacte afmetingen en de inhoud van de kantoorruimte inclusief een aanbouw, welke door de koper na de koop verwijderd is. De Inspecteur stelt, dat de kantoorruimte inclusief de tot augustus 2000 aanwezige aanbouw een inhoud heeft van 195 m³ en de grond een oppervlakte van 54 m² heeft. Belanghebbende is van mening dat de inhoud van de kantoorruimte inclusief de aanbouw slechts 125 m³ bedraagt en de oppervlakte van de grond 40 m². Tevens stelt zij, dat zij de aanbouw nimmer als kantoorruimte heeft gebruikt, omdat het te laag en te klein was.

4.12. Gelet op de tot de stukken van het geding behorende bouwtekening van de kantoorruimte en de foto van de na de verkoop gesloopte aanbouw (bijlage 3 bij het beroepschrift, hierna: de foto), is het Hof van oordeel, dat de door belanghebbende verdedigde inhoud van 125 m³ zelfs exclusief de aanbouw te laag is.

De door de Inspecteur gestelde afmetingen/inhoud zijn beter in overeenstemming met de bouwtekening en de foto. Gesteld noch gebleken is, dat de werkelijke afmetingen van de kantoorruimte van de bouwtekening afweken, zodat naar het oordeel van het Hof uitgegaan dient te worden van de door de bouwtekening en de foto gesteunde afmetingen en inhoud van de kantoorruimte van respectievelijk 54 m² voor de grond en 195 m³ voor de opstallen. Daarbij gaat het Hof uit van de kantoorruimte inclusief de aanbouw, nu uit de stukken van het geding (bijlage 8 van het verweerschrift) blijkt, dat de aanbouw een berging betrof, en gesteld noch gebleken is, dat die berging niet zakelijk zou zijn gebruikt.

4.13. Voorts stelt belanghebbende dat de woning een totale inhoud had van 1.260 m³. De Inspecteur stelt, dat de inhoud van de woning 780 m³ bedroeg exclusief de garage, de overkapping en het zwembad. Het Hof acht aannemelijk, dat de totale inhoud van de woning - dus inclusief de garage, de overkapping en het zwembad - de door belanghebbende gestelde 1.260 m³ bedraagt.

Uitgaande van het door belanghebbende gestelde inhoud van de woning en gelet op de bouwtekening van de kantoorruimte en de foto, de door de Inspecteur ter zitting toegelichte grondstaffel en de verkoopopbrengst van de woning inclusief de kantoorruimte per 1 augustus 2000 aan een derde voor een bedrag van fl. 1.735.000, is het Hof van oordeel, dat de door de Inspecteur gestelde waarde van de kantoorruimte inclusief de aanbouw ad fl. 83.000 beter de waarde in het economische verkeer per 1 augustus 2000 weergeeft, dan de taxatie van de door belanghebbende ingeschakelde makelaar E o/g. De Inspecteur is bij zijn taxatie uitgegaan van een m³ waarde van fl. 300, welke waarde meer dan 50% lager ligt dan de m³ waarde uitgaande van de verkoopprijs van de woning. Overigens merkt het Hof op, dat de door belanghebbende genoemde factorenbetreffende de kantoorruimte, wat er ook zij van de vraag of zij wel of niet waardedrukkend zijn, ook aanwezig waren ten tijde van de inbreng van de kantoorruimte in 1997. Van enige per 1 augustus 2000 ten opzichte van 1997 gewijzigde omstandigheden is niet gebleken.

Het Hof merkt ten slotte op, dat de daadwerkelijk in het maatschappelijk verkeer tot stand gekomen verkoopprijs naar de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het beste de waarde van een onroerende zaak in het economische verkeer weergeeft. Gesteld noch gebleken is dat de in casu gerealiseerde koopsom niet die waarde weergeeft. Nu de Inspecteur zijn taxatie gebaseerd heeft op de per

1 augustus 2000 daadwerkelijk gerealiseerde opbrengst van de woning inclusief de kantoorruimte, heeft die taxatie voorrang boven de in opdracht van belanghebbende uitgevoerde taxatie door E o/g.

4.14. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag eveneens aan de zijde van de Inspecteur. Het beroep is gelet op de ter zittingen van het Hof bereikte overeenstemming over de aftrek van de hypotheekrente eigen woning, gegrond. De derde in geschil zijnde vraag betreffende de - naar belanghebbende stelt - "onterechte" heffingsrente behoeft geen behandeling, nu de heffingsrente uit de wet voortvloeit en krachtens artikel 30h, lid 2, van de AWR, verlaagd wordt bij vermindering van het positieve bedrag van de aanslag.

Het belastbare inkomen dient te worden verlaagd als volgt:

fl.

Belastbaar inkomen na bezwaar 43.802

Af: hypotheekrenteaftrek 1.524

Af: 12,2% x fl. 1.524 correctie drempel ziektekosten 186

Belastbaar inkomen 2000 na beroep 42.092.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, lid 1, van de Awb dient aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft deze kosten beperkt tot de reiskosten voor het bijwonen van twee zittingen van het Hof.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende ad € 28.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 42.092 (€ 18.244),

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 28, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 23 januari 2009 door J. Swinkels, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van H.J. van den Helm, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 23 januari 2009

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.