Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI1396

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
HV 200.008.280
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Andere toetsing dan op grond van artikel 1:401 BW.

Stelplicht en bewijslast. Onderhoudsgerechtigde heeft er niet alles aan gedaan om in eigen levensonderhoud te voorzien. Geen bijzondere omstandigheden die een beroep op verlenging van de alimentatieverplichting zouden kunnen rechtvaardigen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

SBW

14 april 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer HV 200.008.280/01

Zaaknummer eerste aanleg 162596/FA RK 07-3164

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.D.G. Bakker,

t e g e n

[Y.] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. H.M. Vos.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 februari 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 28 mei 2008, heeft de vrouw het hof verzocht om voormelde beschikking te vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – de alimentatieverplichting van de man te verlengen tot 1 augustus 2013, dan wel aan de man de verplichting tot het betalen van een zodanig alimentatiebedrag gedurende een zodanige termijn op te leggen als het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 28 juli 2008, heeft de man verzocht bij beschikking de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans haar verzoek af te wijzen als zijnde onbewezen en/of ongegrond en voormelde beschikking zoals tussen partijen gewezen te bekrachtigen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de producties, overgelegd bij het beroepschrift.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 februari 2009. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 26 maart 1971 met elkaar gehuwd.

De tussen hen gewezen echtscheidingsbeschikking van 24 februari 1995 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 27 april 1995.

4.2. Bij beschikking van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 3 november 2004 heeft dat hof de destijds geldende partneralimentatie met ingang van 1 augustus 2002 gewijzigd in een bedrag van € 1.627,00 per maand, welke bijdrage per 1 januari 2007 € 1.689,58 per maand bedroeg.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het inleidende primaire verzoek van de vrouw tot verlenging van de termijn tot betaling van de partneralimentatie tot 1 augustus 2013 afgewezen.

De vrouw is het met deze beslissing niet eens en komt hiervan in hoger beroep.

4.3. De vrouw voert hiertoe het volgende aan.

In het kader van de door de man in 2003 aanhangig gemaakte alimentatie-wijzigingsprocedure werd in hoger beroep door het gerechtshof ’s-Gravenhage in de beschikking van 3 november 2004 het navolgende overwogen:

“(…) Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de vrouw, gelet op haar leeftijd, het traditionele rollenpatroon ten tijde van het huwelijk van partijen en het feit dat zij niet over een vakdiploma beschikt, zich sedert 1995 in voldoende mate heeft ingespannen om zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zij is er in geslaagd een baan te vinden waarbij zij aanvankelijk vijftien uur per week en momenteel achttien uur per week werkt op basis van een vast contract. Het hof is van oordeel dat thans van de vrouw, gelet op haar leeftijd (58 jaar), niet verlangd kan worden dat zij haar betaalde werkzaamheden nog verder uitbreidt dan zij reeds heeft gedaan.”

Volgens de vrouw is het gerechtshof ’s-Gravenhage van oordeel dat de vrouw het nodige in het werk heeft gesteld om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien en dat zij zich dus hiervoor voldoende heeft ingespannen.

4.3.1. De vrouw stelt vervolgens dat de overweging van de rechtbank in de bestreden beschikking lijnrecht tegenover het oordeel van het gerechtshof staat, nu de rechtbank heeft geoordeeld:

“(…) dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft weten te maken dat zij het nodige in het werk heeft gesteld om thans volledig in het eigen levensonderhoud te voorzien, zodat moet worden geconcludeerd dat de vrouw zich onvoldoende heeft ingespannen om na verloop van de termijn van 12 jaar in haar eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl dat – mede in het licht van het wettelijk uitgangspunt dat na verloop van die termijn de alimentatie¬plicht eindigt – in redelijkheid van haar verwacht had mogen worden. Dit betekent dat er geen aan het huwelijk te relateren behoefte meer is die niet gedekt had kunnen worden door eigen inkomsten, aan welk oordeel de door het gerechtshof Den Haag op 3 november 2004 gegeven beschikking – waarbij nog een aanvullende behoefte aan de zijde van de vrouw is vast¬gesteld – niet kan afdoen.”

De vrouw stelt dat, wanneer over haar behoefte en over het zich in voldoende mate hebben ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien reeds in een andere beschikking in een geschil tussen partijen en zelfs in twee instanties een (onherroepelijk) oordeel is gegeven, in de onderhavige procedure daaraan niet voorbij kan worden gegaan en als daaraan al voorbij wordt gegaan dan zeker niet zonder motivering. De vrouw meent dat artikel 236 Rv naar analogie op deze situatie moet worden toegepast.

De vrouw stelt zich derhalve op het standpunt dat de rechtbank alleen al op grond van het oordeel van het hof had moeten oordelen dat de vrouw zich voldoende heeft ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, zodat mede gelet op de andere door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden, die de vrouw als herhaald en ingelast beschouwt, de alimentatieverplichting diende te worden verlengd. Immers, zo stelt de vrouw, als zij in 2004 nog behoefte heeft en dan door het hof wordt geoordeeld dat van de vrouw niet verwacht kan worden dat zij haar betaalde werkzaamheden nog verder uitbreidt, geldt dat evenzeer, zo niet sterker, in 2007.

De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist.

4.4. Het hof oordeelt als volgt.

4.4.1. Op het onderhavige verzoek van de vrouw is de Wet inhoudende Wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van limitering van alimentatie na scheiding (WLA) van toepassing. Deze wet is in werking getreden op 1 juli 1994 en daarbij is artikel 1:157 BW ingrijpend gewijzigd. Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, indien de rechter niet eerder een (andere) termijn heeft vastgesteld, welke situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet. Dit eindigen van de alimentatie- plicht na ommekomst van voormelde termijn heeft een in beginsel definitief karakter, en vindt plaats ongeacht de financiële draagkracht van de alimentatiegerechtigde. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 27 april 1995, zodat de alimentatieverplichting ingevolge artikel 1:157 lid 4 BW van rechtswege is geëindigd op 27 april 2007.

Tussen partijen staat overigens als onweersproken vast dat de man tot 27 april 2007 ook daadwerkelijk heeft bijgedragen in het levensonderhoud van de vrouw.

4.4.2. Op grond van artikel 1:157 lid 5 BW kan de rechter, indien de beëindiging van de bijdrage ten gevolge van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen.

Dat voor de vrouw sprake is van een ingrijpende terugval in inkomen is tussen partijen in hoger beroep niet in geschil.

4.4.3. Blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1985/1986, 19 295 nr. 3 en 6) is uitgangspunt van de wetgever geweest dat de alimentatieverplichting na twaalf jaar in beginsel definitief eindigt en dat verlenging van deze termijn slechts in bijzondere gevallen mogelijk is. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de ander, maar deze rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De wetgever is er voorts vanuit gegaan dat de alimentatiegerechtigde in de periode van twaalf jaren in beginsel voldoende gelegenheid heeft om zich voor te bereiden op het voorzien in eigen levensonderhoud, en dat dit ook in redelijkheid van de alimentatiegerechtigde gevergd kan worden.

Bij een verzoek tot verlenging dient de vrouw naar het oordeel van het hof te stellen en aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, waarbij de leeftijd, gezondheid, het arbeidsverleden, de achtergrond en de zorg voor de kinderen, van belang kunnen zijn.

4.4.4. De Hoge Raad heeft in de beschikking van 19 december 2008 (LJN BF3928) ten aanzien van de verlenging van de alimentatietermijn het volgende geoordeeld:

“Of er grond bestaat voor verlenging zal moeten worden beoordeeld in het licht van de strekking van de regeling. Het gaat in de eerste plaats erom of aan de zijde van de alimentatiegerechtigde bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die, gelet op de ingrijpende aard van de beëindiging, in beginsel meebrengen dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Daarbij zal, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer van belang kunnen zijn in hoeverre zijn of haar behoefte aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk, en of hij of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijze mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken.

Indien de rechter bijzondere omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde in beginsel zwaarwegend genoeg acht, zal hij vervolgens ook omstandigheden aan de zijde van de alimentatieplichtige, waaronder zijn of haar draagkracht, in zijn beoordeling moeten betrekken.”

Van belang is derhalve of uit de omstandigheden van het geval zulke zwaarwegende argumenten voortvloeien dat die een uitzondering op de regel en daarmee een voortgezette alimentatieverplichting na de wettelijke termijn van twaalf jaar rechtvaardigen. Daarbij dient allereerst de balans te worden opgemaakt van de inspanningen die door de onderhouds- gerechtigde gedurende de gehele alimentatieperiode zijn verricht om de kansen in eigen levensonderhoud te voorzien te vergroten. De stelplicht en de bewijslast dat men er alles aan heeft gedaan om in eigen levensonderhoud te voorzien, maar dat men daar desondanks niet in is geslaagd, alsmede dat dit niet verwijtbaar is, berust bij de alimentatiegerechtigde.

4.4.5. De vraag die zich in dit geval voordoet is of het oordeel van het hof ’s-Gravenhage waarbij het hof in het kader van een wijzigingsprocedure ex artikel 1:401 BW heeft geoordeeld dat de vrouw zich in voldoende mate heeft ingespannen om zoveel mogelijk in eigen levensonderhoud te voorzien, er toe leidt dat in de onderhavige procedure er ook vanuit gegaan moet worden dat zij zich in voldoende mate heeft ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien bij het einde van de alimentatieverplichting ex artikel 1:157 lid 5 BW, hetgeen er toe zou leiden dat de alimentatieverplichting verlengd zou moeten worden, althans dat de vrouw daarop mocht vertrouwen.

Het hof is van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord, nu het onderhavige verzoek van de vrouw van een andere aard is dan het verzoek dat de man indertijd aan het hof ’s-Gravenhage heeft voorgelegd. Uit het vorenstaande blijkt dat de Hoge Raad bij het beëindigen van de alimentatieverplichting ex artikel 1:157 lid 5 BW aan een ander criterium toetst dan bij een wijzigingverzoek, namelijk of “hij of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijze mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken”.

Het hof is verder van oordeel dat in dit geval niet voldoende gebleken is dat de vrouw er alles aan heeft gedaan om tot financiële zelfstandigheid te geraken en neemt daarbij het volgende in aanmerking. De vrouw werkte voor het huwelijk als stewardess en heeft ten tijde van het huwelijk nooit gewerkt. Na de echtscheiding is zij in 1996 parttime gaan werken. Ten tijde van de uitspraak van het hof ’s-Gravenhage werkte de vrouw 18 uur per week als adviseuse Engels bij Eurocom Opleidingen en heeft dat hof rekening gehouden met een inkomen van de vrouw van € 513,00 netto per maand. Begin 2006 had de vrouw een inkomen van afgerond € 650,00 netto per maand. De vrouw heeft aangegeven dat haar bij Eurocom werd voorgehouden dat zij mogelijk promotie kon maken tot assistent-manager. Gedurende een bepaalde periode heeft zij iemand in deze functie ook mogen vervangen. Klaarblijkelijk beschikt de vrouw wel over capaciteiten voor een leiding- gevende functie. Toen bleek dat de promotie geen doorgang vond, was het - zo is het hof van oordeel - aan de vrouw om ander werk te zoeken waar zij haar capaciteiten wel had kunnen inzetten waardoor zij een hoger salaris had kunnen genereren. Op de vraag van het hof waarom de vrouw niet fulltime (in plaats van 18 uur per week) is gaan werken, antwoordde zij dat zij dan een andere baan had moeten zoeken, terwijl zij het werk bij Eurocom Opleidingen nu juist zo leuk vond. De vrouw heeft verder desgevraagd verklaard dat zij via via navraag heeft gedaan of zij bij haar voorhuwelijkse werkgever, de KLM, weer aan het werk kon, maar volgens de vrouw was de reisafstand van meer dan één uur voor haar een beletsel om bij de KLM te gaan solliciteren, en mogelijk ook haar leeftijd. Het hof is van oordeel dat indien de vrouw bereid zou zijn geweest om te verhuizen, zij mogelijk wel in aanmerking zou zijn gekomen voor een baan bij de KLM.

Ook na de uitspraak van het hof ’s-Gravenhage is niet gebleken dat de vrouw er alles aan heeft gedaan om financieel zelfstandig te worden. Zo heeft zij, nadat zij in de Ziektewet was gekomen, met ingang van 1 augustus 2006 ontslag genomen omdat naar haar mening haar gezondheid in het geding kwam. Het UWV heeft dit, blijkens brief van 27 februari 2007, als zodanig onderkend en haar alsnog met ingang van 2 oktober 2006 een WW-uitkering toegekend. De man heeft onweer¬sproken gesteld dat de vrouw deze WW-uitkering heeft aangevraagd, omdat het einde van de alimentatieverplichting in zicht was. In de tijd tussen het ontslag in augustus 2006 en de toekenning van de WW-uitkering begin 2007 heeft de vrouw slechts één keer gesolliciteerd. Nadat de WW-uitkering aan de vrouw was toegekend, heeft zij slechts zeven keer gesolliciteerd in zeven maanden tijd. Weliswaar heeft het UWV in haar rapportage van 19 februari 2007 geconcludeerd dat er bij de vrouw sprake is van spanningsklachten met vasculaire gevolgen door het arbeidsconflict met haar werkgeefster en dat voortzetting van dat diensverband zoveel stress bij de vrouw zou hebben opgeroepen door de in het rapport vermelde gedragingen van de werkgeefster dat het schadelijk voor haar gezondheid zou zijn, maar dat neemt niet weg dat de vrouw wel bij een andere werkgever een dienstverband had kunnen accepteren, waar zij niet met zulke gedragingen zou zijn geconfronteerd. In ieder geval heeft de vrouw niet aangetoond dat dit niet mogelijk was. Ter zitting heeft de vrouw nog aangegeven dat zij thans, naast haar WW-uitkering, als gastouder een inkomen ontvangt van circa € 200,00 à € 250,00 netto per maand, zodat zij thans per maand in totaal circa € 750,00 netto ontvangt. Het hof merkt daarbij op dat de vrouw heeft gesteld dat zij de overwaarde in haar eigen woning gedeeltelijk te gelde heeft gemaakt door in 2006 een hypothecaire lening af te sluiten. Niet is gesteld of gebleken dat de vrouw niet in staat is om de periode totdat zij het haar toekomende deel van het pensioen van de man ontvangt (maart 2012) en haar eigen pensioen en AOW (augustus 2013) daarmee te overbruggen.

Verder staat vast dat de vrouw wist dat na twaalf jaar een einde zou komen aan de alimentatiebetalingen. Dit stond vermeld in het door haar mede ondertekende echtscheidingsconvenant en gedurende de looptijd van de alimentatieverplichting heeft de man haar daar verschillende keren op gewezen.

Overigens is het hof niet gebleken van – naar zeggen van de vrouw – mondelinge afspraken ten tijde van de echtscheiding, waarin de man zou hebben verklaard dat hij ook na twaalf jaar er voor zou zorgen dat de vrouw financieel niets te kort zou komen.

Gezien het vorenstaande is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de vrouw niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij er alles aan heeft gedaan om financieel onafhankelijk te worden.

Het hof is verder van oordeel dat nu zoals reeds hierboven is overwogen het toetsingscriterium bij beëindiging van de alimentatieverplichting ex artikel 1:157 lid 5 BW een andere is dan bij een wijzigingsverzoek, de vrouw er niet op kon en mocht vertrouwen dat zij mocht handelen volgens het eerder genoemde oordeel van het hof ’s-Gravenhage en dat derhalve niet van haar verwacht kon worden dat zij haar betaalde werkzaamheden nog verder zou uitbreiden dan zij had gedaan.

Dat zij er desondanks op heeft vertrouwd dat zij door de uitspraak van het hof ’s-Gravenhage zich niet meer hoefde in te spannen dan zij destijds heeft gedaan, komt naar het oordeel van het hof voor haar risico.

4.4.6. Het hof overweegt voorts dat, nu de toetsingsgrond in deze procedure een andere is dan in die bij het hof ’s-Gravenhage, dit meebrengt dat de door de vrouw gestelde toepasselijkheid van artikel 236 Rv. niet aan de orde is.

4.4.7. De vrouw heeft in eerste aanleg verder nog een beroep gedaan op andere omstandigheden, namelijk dat zij geen vakopleiding heeft, dat er sprake was van een traditioneel rollenpatroon tijdens het huwelijk, dat zij sinds 2006 kampt met gezondheidsproblemen, en dat zij voor wat betreft de pensioenrechten geen beroep kan doen op de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding nu de echtscheidingsbeschikking vóór de inwerkingtreding van deze wet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.4.8. Voor wat betreft deze aangevoerde omstandigheden is het hof van oordeel dat – mede gezien het voorgaande onder r.o. 4.4.5 – de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat in haar geval sprake is van een uitzonderlijke situatie. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat de vrouw geen verdere lasten heeft gesteld dan de extra hypotheeklasten in verband met de extra hypothecaire lening die de vrouw is aangegaan, en dat zij heeft gesteld dat zij met ingang van maart 2012 een deel van het pensioen van de man ontvangt.

4.4.9. Het vorenstaande brengt mee dat het hof - evenals de rechtbank - van oordeel is dat de behoefte van de vrouw aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud gezien haar mogelijkheden om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien vanaf het moment van echtscheiding niet langer verband houdt met het huwelijk.

4.4.10. Gezien het voorgaande acht het hof derhalve geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een beroep op verlenging van de alimentatieverplichting rechtvaardigen.

4.4.11. De vrouw heeft ter zitting van het hof nog een in algemene bewoordingen gesteld bewijsaanbod gedaan om alsnog te bewijzen dat zij er alles aan heeft gedaan om in eigen levensonderhoud te voorzien, maar het hof gaat hieraan voorbij gezien het feit dat het aanbod niet voldoende gespecificeerd is en gezien de fase waarin deze procedure zich thans bevindt.

4.5. De beschikking waarvan beroep, dient dus te worden bekrachtigd.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 februari 2008.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bijleveld-van der Slikke, Schaafsma-Beversluis en Van Arkel-van Gasselt, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2009.