Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI1388

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
HV 200.009.555
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderen uit verschillende relaties die ten tijde van de samenleving tot het gezin van partijen behoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BSU

9 april 2009

Sector civiel recht

Rekestnummer HV 200.009.555/01

Zaaknummer eerste aanleg 83977 / FA RK 07-1785

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: de man,

advocaat: mr. B.K. Louws,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. D.M.J.M.G. Cuijpers.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 16 april 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 27 juni 2008, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarin is beslist met betrekking tot de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon van partijen, [Z.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], en, opnieuw rechtdoende, deze bijdrage met ingang van 1 januari 2008 vast te stellen op € 400,-- per maand, althans op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2008, heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel diens verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. Bij brief van zijn advocaat van 19 februari 2008 heeft de man zijn voormelde verzoek gewijzigd in die zin, dat hij verzoekt de door hem met ingang van 1 januari 2008 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Z.] vast te stellen op € 250,-- per maand, althans op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 27 maart 2008;

- de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 12 februari 2009 met de producties 18 tot en met 22.

2.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen hebben van juli 2004 tot mei 2007 een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] [Z.] geboren. [Z.] is door de man erkend en heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.

4.2. Bij op 24 december 2007 ter griffie van voormelde rechtbank ingekomen verzoekschrift heeft de vrouw verzocht de door de man ten behoeve van [Z.] te betalen onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht tot 24 juli 2007 vast te stellen op

€ 795,-- per maand.

De man heeft tegen dat verzoek verweer gevoerd en zijnerzijds een zelfstandig verzoek tot vaststelling van een omgangs- regeling ingediend. De vrouw heeft tegen dat verzoek verweer gevoerd, waarna de rechtbank bij de bestreden beschikking een omgangsregeling heeft vastgesteld en de door de man met ingang van 24 juli 2007 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Z.] heeft vastgesteld op € 795,-- per maand.

4.3. De man kan zich met deze beschikking niet verenigen voor zover het de door hem voor [Z.] te betalen onderhoudsbijdrage betreft.

Hij heeft tegen deze beschikking drie grieven voorgedragen. Ter zitting van het hof heeft hij de tweede grief, die betrekking had op het door de vrouw te leveren aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van [Z.], ingetrokken.

Grief 1 heeft betrekking op de behoefte van [Z.], terwijl grief 3 zich richt tegen de ingangsdatum van de onderhoudsverplichting.

De behoefte

4.4. In haar verzoekschrift aan de rechtbank heeft de vrouw verzocht de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Z.] vast te stellen op € 795,-- per maand. Ter toelichting op dit verzoek heeft zij aangevoerd dat uitgaande van een netto besteedbaar gezinsinkomen van circa € 5.600,-- per maand de behoefte van [Z.] in ieder geval meer dan € 795,-- bedraagt.

4.5. De rechtbank heeft de behoefte van [Z.] gerelateerd aan het besteedbare inkomen van de man ten tijde van het geven van de bestreden beschikking, omdat dat inkomen hoger was dan het inkomen tijdens de samenleving van partijen en de minderjarige door de beëindiging van de relatie niet in een financieel ongunstiger situatie dient te komen dan wanneer de relatie niet zou zijn beëindigd.

Uitgaande van een winst uit onderneming over 2007 van € 82.515,-- en rekening houdend met de in de bestreden beschikking vermelde bedragen en kortingen, heeft de rechtbank het besteedbare inkomen van de man, exclusief de inkomsten van de man van de SBOH ten bedrage van € 7.250,--, becijferd op € 5.221,-- per maand. Tegen deze becijfering zijn door de man in hoger beroep geen bezwaren aangevoerd.

4.6. Op basis van het hiervoor vermelde besteedbare inkomen van € 5.221,-- per maand achtte de rechtbank de behoefte van [Z.] aan de door de vrouw verzochte bijdrage van € 795,-- voldoende aannemelijk en heeft de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de vrouw beslist.

4.7. In zijn beroepschrift heeft de man gesteld dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met het feit dat ten tijde van de samenleving van partijen tot het gezin ook nog een zoon uit een eerdere relatie van de vrouw behoorde en dat de behoefte van [Z.] mede wordt bepaald door het andere in het gezin van partijen verblijvende kind.

De vrouw heeft erkend dat naast [Z.] in het gezin van partijen het uit een eerdere relatie van de vrouw geboren kind [A.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], verbleef. De vrouw is echter van mening dat er geen aanleiding bestaat om uit te gaan van de situatie dat er twee kinderen zijn, nu dat tot de onbillijke situatie zou leiden dat de hoogte van de door de man te leveren bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Z.] wordt gedrukt doordat de gemiddelde kosten van twee kinderen lager zijn dan wanneer wordt uitgegaan van één kind, terwijl de man slechts voor één kind betaalt.

Subsidiair heeft de vrouw aangevoerd dat, uitgaande van een gezinsinkomen ten tijde van het uit elkaar gaan van partijen van ongeveer € 5.821,08 netto per maand, de behoefte van de beide kinderen tezamen conform de tabellen van de Werkgroep alimentatienormen kan worden becijferd op in totaal € 1.413,-- per maand, hetgeen neerkomt op € 706,50 per maand, welk bedrag de door de rechtbank in de bestreden beschikking berekende behoefte van [Z.] van € 795,-- dicht benaderd.

4.8. Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor reeds is vermeld is de rechtbank voor de bepaling van de behoefte van [Z.] uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het verbreken van de relatie van € 5.221,-- per maand. De vrouw heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de beschikking, terwijl de man dit uitgangspunt niet ter discussie heeft gesteld, zodat dit bedrag vaststaat.

Het hof volgt de man in zijn stelling dat bij de vaststelling van de behoefte van [Z.] dient te worden uitgegaan van de situatie dat ten tijde van het verbreken van de relatie twee kinderen tot het gezin van partijen behoorden. Het inkomen dat partijen toen genoten is bepalend voor de uitgaven die ten behoeve van deze beide kinderen werden gedaan en dit inkomen dient dan ook als uitgangspunt te worden genomen bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen conform de tabel ‘eigen bijdrage kosten van kinderen’.

4.9. Ten tijde van het verbreken van de relatie (mei 2007) waren [Z.] en [A.] respectievelijk 2 jaar en 7 jaar oud. Uitgaande van 10 kinderbijslagpunten komen de kosten van de kinderen conform de tabel bij een netto gezinsinkomen van € 5.000,-- of meer neer op een bedrag van in totaal € 1.200,--, dit is € 600,-- per kind per maand. Geïndexeerd voor 2009 komt dat thans neer op € 637,11 per maand.

In meergenoemde brief d.d. 19 februari 2009 van zijn advocaat heeft de man nog aangevoerd dat als gevolg van het verschil in inkomen van de man en van de vader van [A.] er discrepantie in de behoefte van de beide kinderen bestaat en dat, waar de vrouw en de beide in haar gezin verblijvende kinderen in de praktijk gewoon in dezelfde - beperkte - welvaartssfeer verkeren, er aanleiding bestaat de kinderalimentatie ten behoeve van [Z.] te beperken tot maximaal € 250,-- per maand. Aan de man kan worden toegegeven dat er discrepantie bestaat tussen de behoefte van [Z.] en die van [A.], zoals deze destijds bestond ten tijde van de relatie van de vrouw en de heer [B.], maar dit laat onverlet dat de gezins¬situatie van de vrouw en de man ook effect heeft gehad op de behoefte van [A.] en dat in ieder geval [Z.] op basis van de hiervoor vermelde uitgangspunten behoefte heeft aan een bedrag van (geïndexeerd) € 637,11 per maand. [Z.] dient door de beëindiging van de relatie niet in een financieel ongunstiger situatie te komen dan wanneer de relatie niet zou zijn beëindigd en het is aan de vrouw om te bepalen op welke wijze zij de door haar ten behoeve van [Z.] te ontvangen bijdrage wenst te besteden. Desgevraagd heeft de vrouw ter zitting van het hof verklaard dat zij een deel van dat bedrag wenst te reserveren voor studie ten behoeve van [Z.].

Uit het voorgaande volgt dat grief 1 ten dele gegrond is.

De draagkracht:

4.10. De man heeft voor het eerst in hoger beroep en wel in zijn brief d.d. 19 februari 2009 alsook ter zitting alsnog zijn draagkracht ter discussie gesteld. In de brief van zijn advocaat van 19 februari 2009 heeft de man gesteld dat hij ter zake van de destijds door beide partijen tezamen bewoonde, maar thans leegstaande woning tot 1 januari 2008 aan eigenaarslasten een bedrag van € 1.250,-- per maand heeft betaald en dat hij sinds genoemde datum nog € 1.000,-- per maand voor zijn rekening neemt en dat dit bijzondere element bij de draagkracht¬berekening betrokken dient te worden. Ter zitting van het hof heeft de man ook nog gesteld dat hij sinds 1 maart 2008 nog slechts gedurende drie dagen per week als vervangend huisarts werkzaam is, hetgeen tot gevolg zal hebben dat de winst uit onderneming over 2008 aanzienlijk lager zal zijn dan die over 2007.

Voor zover de man heeft beoogd in hoger beroep alsnog zijn draagkracht tot betaling van de onderhoudsbijdrage ter discussie te stellen, overweegt het hof dat de man al ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gedurende een lager aantal uren als vervangend huisarts werkzaam was, dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de rechtbank niet blijkt dat de man daarvan toen mededeling heeft gedaan, dat hij ook in zijn beroepschrift aan het hof heeft nagelaten van die wijziging mededeling te doen en geen grief met betrekking tot zijn draagkracht tot betaling van de door de rechtbank vastgestelde bijdrage heeft aangevoerd. Daarnaast heeft de man nagelaten met betrekking tot de door hem gestelde verlaging van zijn inkomen in rechte geloof verdienende bescheiden in het geding te brengen, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. De man had op zijn minst de financiële gegevens met betrekking tot zijn onderneming over het eerste half jaar 2008 kunnen overleggen. Onder deze omstandigheden acht het hof het in strijd met een goede procesorde dat de man in een dergelijk laat stadium van de procedure in hoger beroep zijn draagkracht ter discussie stelt.

De man heeft het hof nog wel verzocht hem in de gelegenheid te stellen nadere stukken in het geding te brengen en in verband daarmede de uitspraak aan te houden, maar het hof willigt dit verzoek niet in nu de vrouw tegen dat verzoek bezwaar heeft gemaakt en in dit verband heeft gesteld dat de man inmiddels voldoende mogelijkheden heeft gehad om nadere gegevens met betrekking tot zijn huidige financiële situatie in het geding te brengen. De vrouw heeft daaraan toegevoegd dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de behoefte van [Z.], dat zij over die behoefte en over de ingangsdatum op korte termijn een beslissing van het hof wenst en dat zij bereid is tot nader overleg met de man over de hoogte van de door hem ten behoeve van [Z.] te betalen onderhoudsbij¬drage, mits hij haar tijdig van voldoende en in rechte geloof verdiende bescheiden met betrekking tot zijn huidige financiële omstandigheden voorziet.

4.11. Grief 3 is gericht tegen de ingangsdatum van de onderhoudsverplichting (24 juli 2007). De man stelt dat de onderhoudsverplichting dient in te gaan op 1 januari 2008, nu het vaste jurisprudentie althans hoogst gebruikelijk is dat de onderhoudsverplichting ingaat op of omstreeks de datum van indiening van het verzoekschrift.

De grief faalt. Artikel 1:402 BW laat de rechter een grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden, welke gronden het hof overneemt en tot de zijne maakt, bepaald dat de onderhoudsverplichting ingaat op 24 juli 2007.

4.12. Gelet op al het vorenstaande dient te worden beslist als volgt.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 april 2008, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en derhalve uitsluitend voor zover daarin is beslist met betrekking tot de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [Z.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar],

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de door de man met ingang van 24 juli 2007 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Z.] voornoemd vast op:

€ 600,-- per maand tot 1 januari 2008,

€ 613,20 per maand met ingang van 1 januari 2008 tot 1 januari 2009,

€ 637,11 per maand met ingang van 1 januari 2009,

voor wat de niet verschenen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst alsnog af het door de vrouw meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Everaars-Katerberg en Schyns, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2009.