Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI1381

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
HD 200.002.925
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering lijfsdwang i.v.m. alimentatie (artikel 585 e.v. Rv).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 585
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 84
JPF 2009/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. KM

zaaknr. HD 200.002.925

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

eerste kamer, van 13 januari 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding

van 22 februari 2008,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. A.S. Sijbom,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. B.Th.H. Boomsma,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis in kort geding van 29 januari 2008 tussen appellante - verder te noemen de vrouw - als eisers in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerde - verder te noemen de man - als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 83685/KG ZA 07-291)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de vrouw drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot verklaring dat de beschikking van de rechtbank [plaats rechtbank] van [datum beschikking rechtbank], althans de beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van [datum beschikking gerechtshof] zoals gewezen tussen de man en de vrouw uitvoerbaar is bij lijfsdwang, en tot veroordeling van de man in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de man de grieven bestreden, in incidenteel appel twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het in reconventie gewezen vonnis en tot veroordeling van de vrouw tot opheffing van de in dit geding bedoelde door haar gelegde beslagen met verbod aan de vrouw deze beslagen te handhaven, te leggen en te laten liggen.

2.3. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft de vrouw geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de man in reconventie.

2.3. Vervolgens is pleidooi gehouden, waarbij de vrouw heeft doen pleiten door mr. A.S. Sanders, terwijl de man zelf als partij heeft gepleit, daarbij bijgestaan door zijn huidige echtgenote als advocate. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

2.4. Tijdens de pleidooizitting heeft het hof na een schorsing meegedeeld dat het de vordering van de vrouw in zijn te wijzen arrest zou toewijzen en de vordering van de man zou afwijzen, en heeft het de man geadviseerd regelingen te treffen (met de bank of anderszins) om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling

4.1. De grieven richten zich niet tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 2.1. Het hof zal de feiten hierna duidelijkheidshalve herhalen, en voor zover nodig aanvullen.

4.2. Het gaat in dit geschil om het volgende.

(a) De man en de vrouw zijn gehuwd geweest. Het huwelijk is op 24 juni 1994 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Roermond van [datum beschikking rechtbank].

(b) Bij die beschikking is de door de man tot het levensonderhoud van de vrouw te betalen bijdrage bepaald op fl. 3.250 (€ 1474,79).

(c) Bij beschikking van de rechtbank Roermond van [datum beschikking rechtbank] is een verzoek van de man tot wijziging van deze bijdrageverplichting afgewezen, omdat het verzoek - kort gezegd - onvoldoende was onderbouwd.

(d) Bij einduitspraak van dit gerechtshof van [datum beschikking gerechtshof] in het door de man ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank is deze bekrachtigd, waarbij het hof concludeerde dat de man nog steeds in staat moet worden geacht om aan zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw te voldoen.

Het hof heeft daarbij het ter zitting door de vrouw gedane verzoek te bepalen dat de beschikking bij lijfsdwang ten uitvoer kon worden gelegd afgewezen, omdat dat niet schriftelijk was gedaan en op dat moment tardief was.

(e) De man heeft vanaf november 2003 de door hem op basis van de beschikking van [datum beschikking rechtbank] aan de vrouw te betalen alimentatie niet meer voldaan, en heeft daarbij volhard na de hiervoor genoemde beschikking van het hof.

(f) Nadat de man enige tijd niet heeft kunnen werken wegens hart-klachten, heeft hij thans (blijkens zijn verklaring tijdens het pleidooi) zijn praktijk als advocaat weer opgevat. Hij oefent deze uit in het pand [pand Z.] te [vestigingsplaats].

(g) Op dat pand is door de vrouw beslag gelegd ten laste van de man. Op dat pand rusten ook eerder gelegde beslagen, alsmede een hypotheek oorspronkelijk van de Rabobank. De schuld waarop die hypotheek betrekking heeft is - zoals de man desgevraagd tijdens het pleidooi heeft verklaard - door de man betaald, maar de hypotheek is op naam van de Rabobank in stand gelaten om voor de man de rang van de Rabobank te handhaven.

(h) De man heeft bij dagvaarding van 13 februari 2008 de vrouw gedagvaard voor de rechtbank Roermond, en gevorderd haar te veroordelen aan hem twee schilderijen van de schilder [naam schilder] af te geven dan wel een bedrag van € 40.000 voor ieder schilderij te betalen.

4.3. De grieven in principaal en incidenteel appel leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal de grieven niet afzonderlijk behandelen.

4.4. In eerste aanleg heeft de vrouw gevorderd dat de beschikking van de rechtbank respectievelijk die van het hof uitvoerbaar bij lijfsdwang zal worden verklaard met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

4.5. De beschikkingen waarvan tenuitvoerlegging bij lijfsdwang wordt gevraagd hebben betrekking op door de man aan de vrouw te betalen alimentatie vanaf november 2003. Uit die beschikkingen blijkt niet alleen dat de vrouw behoefte had aan alimentatie, maar ook dat de man in staat was deze alimentatie te betalen.

Wat betreft de behoefte van de vrouw heeft het hof in zijn tussenbeschikking van 14 april 2005 geoordeeld dat de vrouw zelfs niet voor een deel in staat is in haar behoefte te voorzien.

Het hof heeft voorts het verweer van de man dat hij daartoe niet in staat was uitvoerig onderzocht en heeft daartoe ook een deskundigenrapport gevraagd van een accountant.

In diezelfde tussenbeschikking heeft het hof wat betreft de draagkracht van de man overwogen dat deze sinds 1996 tot 1 januari 2004 een inkomen heeft gehad (inclusief MOVIR-uitkering) van circa € 86.000 bruto per jaar, terwijl hij voorts per 1 januari 2004 recht heeft op een stamrechtuitkering uit zijn bv (Advocatenkantoor mr. [voorletters en achternaam advocaat] B.V.), zodat het er voor moest worden gehouden dat de man in ieder geval met ingang van

1 november 2005 aan zijn alimentatieverplichting kon voldoen. De man heeft bij het hof toen echter gesteld dat de hiervoor genoemde uitkeringen wel theoretisch en op papier bestaan, maar dat de bv in werkelijkheid niet in staat is deze uitkeringen te voldoen. Het hof heeft wat dat betreft in die beschikking onder meer overwogen dat het "niet in staat [is] om de financiële keuzes van de man in het verleden te doorgronden", maar dat de "indruk bestaat dat de man om fiscale redenen of mogelijk om beslaglegging en/of alimentatiebetaling te voorkomen, heeft gekozen voor bepaalde financiële/fiscale constructies al dan niet via zijn bv". Het hof heeft daarom geoordeeld dat ook het vermogen van de bv moet worden betrokken bij de vraag of de man draagkracht heeft. In die beschikking is het hof vervolgens tot het oordeel gekomen dat er voor gehouden moet worden dat de man nog immer in staat was aan zijn alimentatieverplichtingen jegens de vrouw te voldoen maar, omdat hij uitdrukkelijk heeft aangeboden te bewijzen dat de bv niet in staat is om lijfrente- en pensioenuitkeringen aan hem te voldoen, een deskundige zal worden benoemd om die stelling te onderzoeken.

Nadat de deskundige rapport had uitgebracht, heeft het hof in zijn eindbeschikking van 9 mei 2007 overwogen dat uit het deskundigenrapport blijkt dat de door de man geëxploiteerde bv tot en met 2010 de jaarlijkse toezeggingen aan de vrouw kon voldoen uit de aanwezige liquide middelen, en dat, indien de rekening-courant en de langlopende lening door de man aan zijn bv volledig zouden zijn afgelost, de bv tot en met 2019 in staat is de jaarlijkse uitkeringen te voldoen.

Uit de beschikking blijkt ook dat het bruto-inkomen van de man in 2007 (het jaar waarin het hof zijn beschikking gaf) € 98.850 bedroeg en in 2008 € 95.424.

Wat betreft het eerdergenoemde verweer van de man dat zijn bv slechts theoretisch in staat is om de jaarlijkse alimentatie te voldoen heeft het hof opgemerkt dat uit het deskundigenrapport blijkt dat de bv daartoe wel in staat is tot en met 2010, waarbij het hof voorts ten overvloede heeft overwogen dat een aantal keuzes die de man heeft gemaakt voor het hof onduidelijk zijn.

Het hof is dan ook tot de conclusie gekomen dat de man nog steeds in staat moet worden geacht aan zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw te voldoen.

4.6. Naar de man tijdens het pleidooi heeft verklaard is door hem geen cassatie ingesteld tegen de beschikkingen van het hof van 14 april 2005 en 9 mei 2007. Derhalve zijn die beschikkingen onherroepelijk geworden (alsook de bij laatstgenoemde beschikking bekrachtigde beschikking van de rechtbank), en dus ook de oordelen die het hof daarin heeft gegeven over de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Ook staat daarmee vast dat de man nog steeds verplicht is tot betaling van de eerder vastgestelde alimentatie aan de vrouw.

4.7. Het gaat in dit geding om de vraag of de eerdergenoemde beschik-kingen bij lijfsdwang kunnen worden geëxecuteerd. Daarbij staan de te executeren beschikkingen zelf in beginsel niet ter discussie zodat daartegen geen inhoudelijke bezwaren kunnen worden aangevoerd. Hetgeen de man wat dat betreft aanvoert moet dan ook worden gepasseerd, omdat hij geen omstandigheden heeft aangevoerd om van dat beginsel af te wijken. Ook de uitvoerige discussie die de man aangaat in verband met diens stelling dat hij een tegenvordering heeft op de vrouw omdat zij beschikt over schilderijen die aan hem toebehoren kan dus niet tot een ander oordeel leiden. Daar komt bij dat stellingen van de man wat dit betreft door de vrouw uitdrukkelijk zijn weersproken en naar het oordeel van het hof ook nog geenszins zijn aannemelijk gemaakt, terwijl bovendien iedere titel tot executie vooralsnog ontbreekt.

4.8. Een beschikking kan – aldus artikel 587 Rv - slechts uitvoerbaar bij lijfsdwang worden verklaard, indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden, en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt.

4.9. Het hof acht het voldoende aannemelijk geworden dat andere dwangmiddelen in dit geval geen soelaas bieden.

Op het enige (aan de vrouw bekende) vermogensbestanddeel waarover de man zelf beschikt in Nederland, het pand [pand z.] te [vestigingsplaats], is weliswaar door de vrouw beslag gelegd, maar daarnaast ook door anderen - waaronder de man zelf via diens bv -, zodat verdergaande executie ten aanzien van het pand er niet toe zal leiden dat de vrouw haar vordering kan verhalen.

Het hof wijst erop dat uit de brief van de man aan de vrouw van 11 november 2005 (door de man gevoegd bij de memorie van antwoord) blijkt dat "de bv nu moet gaan veilen", waarmee de man doelt op zijn eigen bv. Daaruit volgt dat executie daarmee in feite in handen komt van de bv, terwijl de man zoals hij tijdens de pleidooizitting heeft verklaard daarvan de directeur is. Het is dan ook begrijpelijk dat de vrouw (zoals de deurwaarder haar dat naar haar zeggen ook had geadviseerd) niet aan verdere executie heeft willen meewerken.

Het is voorts - zoals het hof in de hiervoor genoemde beschikkingen heeft vastgesteld - duidelijk dat de bv van de man over voldoende middelen beschikt om de alimentatie-achterstand te betalen. Uit bijlage 3 bij het rapport van de door het hof in de alimentatiewijzigingsprocedure benoemde deskundige (door de man overgelegd bij memorie van antwoord) blijkt voorshands ook dat de bv over voldoende liquide middelen beschikte om te betalen (het hof spreekt in de beschikking van 14 april 2005 ook over "aanzienlijke liquiditeiten waarover de bv beschikt").

Anders dan de man stelt kan de vrouw zich echter niet tot de bv richten voor betaling van de aan haar toekomende alimentatie, nu deze geen debiteur is van de vrouw.

Anderzijds is er - anders dan de man in zijn memorie van grieven in incidenteel appel aanvoert - geen grond de vrouw te verbieden dit beslag te handhaven, of haar te gelasten het beslag op te heffen en het niet opnieuw te leggen. Het pand is het enige vermogensbestanddeel van de man waarop de vrouw beslag kan leggen. Het is dan ook, zolang de man niet aan zijn verplichtingen voldoet, in het belang van de vrouw dat beslag te handhaven. Dat de man door dit beslag onredelijk wordt benadeeld is - nu hij naar eigen zeggen in het pand woont en daar kantoor houdt, en dus kennelijk niet gericht is op vervreemding daarvan - niet gebleken. In zoverre faalt het incidenteel appel dus.

4.10. Ook rechtvaardigt het belang van de vrouw dat lijfsdwang wordt toegepast. Uit eerder genoemde beschikkingen van het hof blijkt voldoende dat zij nog steeds behoefte heeft aan de aan haar te betalen alimentatie, en die vraag hoeft hier niet verder inhoudelijk te worden onderzocht. In feite heeft de man dit ook onvoldoende bestreden. Weliswaar heeft de man aangevoerd dat de vrouw haar woning heeft verkocht zodat zij liquide middelen heeft, maar van de vrouw kan niet worden verlangd dat zij haar vermogen opsoupeert terwijl de man niet aan zijn verplichtingen voldoet.

4.11. Ook het feit dat de man naar zijn zeggen vele voorstellen heeft gedaan om de zaak te regelen kan niet op een ander oordeel leiden. De vrouw heeft recht op hetgeen de beschikkingen haar toekennen. Voor zover deze voorstellen aan het hof zijn overgelegd gaat het echter steeds om voorstellen waarbij de man niet betaalt wat hij moet betalen, maar op dat bedrag allerlei kosten en posten in mindering brengt, terwijl voorts de vrouw afstand dient te doen van verdere alimentatie. Nu de vrouw recht heeft op de alimentatie in volle omvang hoefde zij op deze voorstellen dus niet in te gaan. Bovendien draagt het feit dat de man al meermalen klachten heeft ingediend tegen de advocaten die de vrouw bij onderhandelingen over dergelijke voorstellen zouden moeten bijstaan er niet aan bij deze voorstellen van de man serieus te achten.

4.12. Uit het voorgaande volgt ook dat geenszins is gebleken dat de man buiten staat is aan zijn verplichtingen te voldoen; de man heeft dat onvoldoende onderbouwd. Het hof acht het geenszins onaannemelijk dat de man andere vermogensbestanddelen heeft waarmee hij aan zijn verplichtingen kan voldoen. Artikel 588 Rv staat derhalve niet aan toewijzing van de vordering in de weg.

4.13. Uit het voorgaande volgt bovendien dat de vrouw voldoende spoedeisend belang heeft bij betaling van de haar toekomende alimentatie.

4.14. Het hof zal de vordering dan ook toestaan, en wel voor de duur van een half jaar.

4.15. Uit het voorgaande vloeit voort dat het principaal appel slaagt en het incidenteel appel faalt. Het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden vernietigd en de vordering zal als boven omschreven worden toegewezen.

Als in het ongelijk gestelde partij zal de man in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep (in principaal en incidenteel appel) worden veroordeeld.

4.16. Het hof acht geen termen aanwezig om deze beslissing aan te houden of een termijn te bepalen voordat tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan. De man is immers reeds zes weken voor de uitspraakdatum, en wel tijdens de pleidooizitting, ervan op de hoogte gesteld dat het hof in het te wijzen arrest lijfsdwang zou opleggen.

5. De uitspraak

Het hof:

op principaal appel:

vernietigt het vonnis van 29 januari 2008 van de voorzieningenrechter in de rechtbank te Roermond;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de beschikkingen van de rechtbank Roermond van 19 mei 1994 respectievelijk het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 mei 2007 uitvoerbaar bij lijfsdwang voor een duur van maximaal zes maanden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

op incidenteel appel:

bekrachtigt voornoemd vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Roermond;

op principaal en incidenteel appel:

veroordeelt de man in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in principaal zowel als incidenteel appel,

in eerste aanleg begroot op € 287,68 aan verschotten en

€ 452 voor salaris advocaat,

en in hoger beroep begroot op € 391,68 voor verschotten en € 894 in principaal appel;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Feddes en Riemens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op

13 januari 2009.