Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI1162

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
20-000661-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 273f Wetboek van Strafrecht. Vrijspraak mensenhandel.

Naar het oordeel van het hof kan niet wettig worden bewezen dat verdachte aangeefster zodanig heeft beïnvloed dat zij bewogen is prostitutiewerkzaamheden te gaan verrichten.

Hoewel uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting aanwijzingen naar voren komen die er op zouden kunnen wijzen dat verdachte enige invloed heeft gehad op de handelwijze van aangeefster, is het hof van oordeel dat onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn om te kunnen vaststellen dat de rol van verdachte dermate wezenlijk is geweest dat aangeefster daardoor haars ondanks prostitutiewerkzaamheden heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000661-08

Uitspraak : 15 april 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 februari 2008 in de strafzaak met parketnummer 01-839294-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1980],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte is vrijgesproken van hetgeen hem bij inleidende dagvaarding ten laste is gelegd (mensenhandel).

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2008 gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van EUR 28.000,00 en toepassing ter zake van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Op 19 september 2008 heeft het hof bij tussenarrest het onderzoek ter terechtzitting heropend.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 april 2009 heeft de advocaat-generaal bij voornoemde vordering gepersisteerd.

De verdediging heeft - opnieuw- vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 10 mei 2007 te Eindhoven en/of te Helmond, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, [aangeefster]door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (bestaande uit het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor (een) derde(n) tegen betaling), hebbende verdachte:

- die [aangeefster] voorgesteld om in de prostitutie te gaan werken (zeggende dat die [aangeefster] op die manier geld zou kunnen verdienen voor de huur van (een zelfstandige) woonruimte voor die [aangeefster]) en/of

- die [aangeefster] beloofd dat hij voornoemde woonruimte voor die [aangeefster] zou vinden, althans voorgesteld dat hij voornoemde woonruimte voor die [aangeefster] zou zoeken en/of

- voor die [aangeefster] een raam en/of een kamer (bestemd tot het bedrijven van prostitutie) aan het [adres] te Eindhoven (zijnde een prostitutiegebied) gehuurd, althans geregeld en/of

- die [aangeefster] (voordat zij de eerste dag als prostituee werkzaam zou zijn) gezegd dat zij ervoor moest zorgen dat alles goed geschoren en/of alles schoon was en/of

- die [aangeefster] een of meermalen (waaronder in ieder geval de eerste dag dat die [aangeefster] aldaar werkzaamheden als prostituee heeft verricht) naar het [adres] te Eindhoven gebracht (teneinde haar in staat te stellen aldaar werkzaamheden als prostituee te verrichten) en/of

- die [aangeefster] bewogen (telkens) het geld dat die [aangeefster] verdiende in de prostitutie aan hem, verdachte, af te geven en/of

- die [aangeefster] een of meerdere malen (op dwingende toon) gezegd dat zij door moest gaan met het werken in de prostitutie, waardoor die [aangeefster] werd overgehaald haar werkzaamheden in de prostitutie voort te zetten en/of

- die [aangeefster] (door middel van het zenden van sms-berichten) gedreigd haar iets aan te doen, althans haar nadeel toe te brengen, en/of gedreigd haar ouders en/of haar school en/of vrienden te vertellen dat die [aangeefster] in de prostitutie werkzaam was, althans haar sms-berichten met een dreigende en/of dwingende inhoud heeft gestuurd (onder meer berichten met de volgende inhoud: “Met mij niet spelen he!” en/of “Maar je kent me niet he??? Er kan veel kapot gaan dan dit relatie denk daar goed aan!” en/of “Dont play whit me. Anders begin ik te spelen, en gaat je hele leven naar de klote! Ik dreig niet ik doe het!”).

Het hof leest verbeterd de volgende zinsnede “Don’t play with me …”, aangezien blijkens pagina 177 van het dossier de exacte tekst luidt: “Dont play whit me …”. Blijkens de pagina’s 166 en 177 van het dossier dienen achter de eerste drie sms-berichten de leestekens te worden geplaatst als weergegeven in de hierboven opgenomen tenlastelegging. In die zin leest het hof de tenlastelegging eveneens verbeterd.

Voor zover overigens nog in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vaststaande feiten

Aangeefster en verdachte hebben elkaar in oktober 2006 via MSN leren kennen. Uit dit contact is een seksuele relatie ontstaan, welke heeft geduurd tot en met begin mei 2007.

Verdachte heeft zich onder een andere naam bij aangeefster bekend gemaakt en heeft tegenover haar verzwegen dat hij getrouwd was.

Aangeefster had thuis veel problemen en wilde graag zo snel mogelijk het ouderlijk huis verlaten om onafhankelijk van haar ouders te kunnen zijn. Het was verdachte bekend dat ze thuis ongelukkig was.

Medio januari 2007 is aangeefster gaan wonen in een pand op het [adres] te Eindhoven (zijnde een prostitutiegebied), alwaar ze als prostituee heeft gewerkt tot begin juli 2007.

Vrijspraak

Het hof zal bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden in de voorliggende zaak, zoals die op basis van de voorhanden zijnde stukken en het verhandelde ter terechtzitting zijn gebleken, met het oog op de vraag of deze onder de strafbaarstelling van artikel 273f Wetboek van Strafrecht vallen, moeten vaststellen of verdachte dusdanige handelingen (als omschreven in de tenlastelegging) heeft verricht dat aangeefster daardoor (onderstreping hof) gedwongen en/of bewogen is om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, bestaande uit het verrichten van seksuele handelingen met derden tegen betaling.

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat uit het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken van het dwingen of bewegen van aangeefster tot prostitutie door middel van geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), en/of door afpersing en/of fraude. Evenmin is gebleken dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot prostitutie door middel van misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie.

Resteert de vraag of hij haar tot prostitutie heeft bewogen door middel van de hiervoor genoemde misleiding respectievelijk het genoemde misbruik.

Naar het oordeel van het hof vooronderstelt zulks, gelet op het vorenstaande en de redactie van artikel 273f Wetboek van strafrecht, een zeker initiatief en actief handelen van de dader waarbij doelbewust misbruik wordt gemaakt van de zwakkere/kwetsbare positie van een slachtoffer.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dit in casu niet te bewijzen is.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Hoewel uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting aanwijzingen naar voren komen die er op zouden kunnen wijzen dat verdachte enige invloed heeft gehad op de handelwijze van aangeefster, is het hof van oordeel dat onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn om te kunnen vaststellen dat de rol van verdachte dermate wezenlijk is geweest dat aangeefster daardoor haars ondanks prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. De ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 april 2009 door getuigen [getuige 1/aangeefster] en [getuige 2] afgelegde verklaringen doen daaraan niet af.

Zelfs indien veronderstellenderwijs – in weerwil van verdachtes verklaring daaromtrent - wordt aangenomen dat verdachte aangeefster het voorstel heeft gedaan om in de prostitutie te gaan werken, voor haar een daarvoor geschikte plek heeft geregeld, haar daar naar toe heeft gebracht en de kamerhuur heeft betaald, zoals door aangeefster is verklaard, dan nog is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat deze handelingen op dat moment voor haar van doorslaggevende betekenis zijn geweest om als prostituee te gaan werken. Het hof kan niet uitsluiten dat aangeefster het voorstel van verdachte weloverwogen heeft aangegrepen als – in haar visie – een mogelijkheid om thuis weg te kunnen gaan en financiële onafhankelijkheid van haar ouders te bewerkstelligen. Daarbij neemt het hof ondermeer in aanmerking de omstandigheid dat aangeefster er van blijk heeft gegeven dat ze in die tijd – hoezeer wellicht ook getroebleerd - toch in staat was om welbewust belangrijke keuzes te maken. Zo is zij in de tenlastegelegde periode naar school blijven gaan omdat zij haar opleiding wilde afronden, ondanks de moeilijke omstandigheden waarin zij naar haar zeggen toen verkeerde. Ook heeft ze – desgevraagd door de politie toen zij als prostituee ging werken – uitdrukkelijk verklaard dat zij het werk vrijwillig verrichte. Ook nadat haar uitleg was gegeven over loverboys bleef zij in die periode bij haar standpunt dat zij vrijwillig als prostituee werkte.

Daarnaast heeft ze bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 14 januari 2008 verklaard dat ze, toen ze er mee begon, het als haar eigen keuze beschouwde om als prostituee werkzaam te zijn.

Dat zij daar achteraf anders over is gaan denken, maakt nog niet dat verdachte in of omstreeks januari 2007 haar tot prostitutie zou hebben bewogen.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet wettig worden bewezen dat verdachte aangeefster zodanig heeft beïnvloed dat zij bewogen is prostitutiewerkzaamheden te gaan verrichten.

Resumerend kan derhalve bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde – in welke vorm dan ook - heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 30.516,--. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep

- binnen de grenzen van haar eerste vordering - opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering. Tevens heeft zij in hoger beroep ten aanzien van de door de benadeelde partij aan verdachte afgedragen gelden geheel subsidiair - voor zover het hof het terzake primair gevorderde bedrag onredelijk zou vinden - aangevoerd dat de benadeelde partij minstens een bedrag van EUR 10.000,-- heeft afgedragen en dat dit bedrag als ondergrens voor toewijzing vatbaar is.

Het hof is van oordeel dat, nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering niet kan worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], in haar vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de benadeelde partij,[benadeelde], in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. F. van Beuge en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 15 april 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.