Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI0901

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
20-004349-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op vrijstelling ex artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 verworpen reeds omdat verdachte niet voor 1 juli een kennisgeving heeft ingediend bij het college van B&W. Geen schending van artikel 9 EVRM.

Wetsverwijzingen
Leerplichtwet 1969
Leerplichtwet 1969 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004349-08

Uitspraak : 2 april 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda van 14 november 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-401512-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1968],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij de verdachte ter zake van “Overtreding van artikel 2 lid 1 Leerplichtwet 1969” werd veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van EUR 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis, waarvan EUR 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor het ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van EUR 125,00 subsidiair 2 dagen hechtenis.

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld:

- primair dat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken;

- subsidiair dat aan de verdachte een geldboete ter hoogte van EUR 251,00 zal worden opgelegd, zodat zij in de gelegenheid zou zijn beroep in cassatie in te stellen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat de kantonrechter ten aanzien van de bewezenverklaring mocht volstaan met een verwijzing naar de dagvaarding en het hof gebonden is aan de beslissings- en motiveringsvoorschriften van de artikelen 358 en 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Geldigheid van de dagvaarding

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding, wat betreft de zinsnede “(en/of tot op heden)” niet voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Immers, zonder nadere aanduiding is niet duidelijk wat met “heden” bedoeld wordt. Dit onderdeel van de tenlastelegging bevat derhalve een onvoldoende duidelijke en begrijpelijke omschrijving van hetgeen waartegen verdachte zich dient te verdedigen.

Het hof zal de inleidende dagvaarding wat betreft deze zinsnede in de tenlastelegging nietig verklaren.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – met inachtneming van het evenoverwogene – ten laste gelegd dat:

zij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 25 september 2007 tot en met 4 juni 2008 te Breda, terwijl zij als degene die het gezag uitoefende over de jongere [betrokkene], geboren op [1998], althans terwijl zij zich met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was/werd ingeschreven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 25 september 2007 tot en met 30 mei 2008 te Breda, terwijl zij als degene die het gezag uitoefende over de jongere [betrokkene], geboren op [1998], niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was ingeschreven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

I. de ten laste gelegde periode loopt tot en met 4 juni 2008 terwijl het “proces-verbaal absoluut schoolverzuim” reeds op 30 mei 2008 is opgemaakt;

II. de verdachte overwegende bedenkingen heeft tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen waarop haar kind geplaatst zou kunnen worden, zodat zij op grond van artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 is vrijgesteld van de verplichting om te zorgen dat [betrokkene] als leerling van een school staat ingeschreven. Ter adstructie daarvan heeft de verdediging – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

a. verdachte niet kan worden tegengeworpen dat zij niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 om voor 1 juli een kennisgeving in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders, aangezien deze bepaling in strijd is met artikel 9 EVRM;

b. verdachte niet kan worden tegengeworpen dat – in strijd met artikel 8, tweede lid, Leerplichtwet 1969 – [betrokkene] in het voorafgaande schooljaar geplaatst is geweest op een school waartegen bedenkingen worden geuit, aangezien [instelling] geen erkende school is, die slechts gedoogd wordt door de leerplichtambtenaar.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.

Met betrekking tot het hiervoor onder B. I. gestelde:

Dit onderdeel van het verweer kan geen doel treffen. Het miskent namelijk dat het hof de verdachte kan vrijspreken van een gedeelte van de tenlastelegging zonder dat daarmee van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Het hof kan verdachte immers vrijspreken van een gedeelte van de periode, hetgeen aan bewezenverklaring van het andere gedeelte van de telastelegging niet in de weg staat.

D.

Met betrekking tot het hiervoor onder B. II a. gestelde:

D.1

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat verdachte gesteld heeft overwegende bedenkingen te hebben tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van haar woning gelegen scholen of instellingen waarop [betrokkene] geplaatst zou kunnen worden. Zij heeft gesteld dat aan haar van rechtswege op grond van artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 een vrijstelling van de verplichtingen neergelegd in artikel 2 Leerplichtwet 1969 toekomt. Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling toe te komen dient te worden bezien of aan de wettelijke voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke vrijstelling is voldaan.

D.2

In het onderhavige geval is in beginsel niet aan alle wettelijke voorwaarden voor een vrijstelling van rechtswege voldaan. Immers, verdachte had voor het schooljaar 2007-2008 op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 voor 1 juli 2007 een kennisgeving moeten indienen bij burgemeester en wethouders van de gemeente Breda. Verdachte heeft deze kennisgeving echter eerst op 22 augustus 2007 ingediend.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard niet te hebben geweten dat ze voor 1 juli 2007 de kennisgeving had moeten indienen.

Vast staat dat de verdachte het ouderlijk gezag uitoefende over de in de telastelegging genoemde minderjarige. Het komt voor verantwoordelijkheid van de ouder om zich op de hoogte te stellen van op dit punt relevante wetgeving. De verdachte heeft zich ook niet op enigerlei manier hierover geïnformeerd. Het enkele niet weten levert onvoldoende verontschuldiging op voor het niet naleven van het voorschrift. Het hof verwerpt dan ook het verweer.

D.3

Het hof begrijpt onderdeel a. van het verweer aldus dat bedoeld is te betogen dat op grond van artikel 94 Grondwet artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 buiten werking zou moeten worden gesteld omdat het in strijd is met artikel 9 EVRM, zodat verdachte wel een vrijstelling op grond van artikel 5 Leerplichtwet 1969 toekomt.

Artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 vormt een onmisbaar voorschrift voor een geordende opzet van het onderwijs in Nederland. De door dit artikel gestelde eis vormt – naar het oordeel van het hof – geen inbreuk op de vrijheid van godsdienst. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat in het onderhavige geval aannemelijk is dat verdachte reeds voor 1 juli 2007 overwegende bedenkingen had tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van haar woning gelegen scholen of instellingen waarop [betrokkene] geplaatst zou kunnen worden, en had zij de aanvraag tijdig en in overeenstemming met de voorschriften kunnen doen.

Bijgevolg is geen sprake van een schending van artikel 9 EVRM, zodat verdachte aan de in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 neergelegde eis diende te voldoen. Nu dat niet het geval is, komt verdachte reeds daarom geen vrijstelling toe op grond van artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969. Zij had mitsdien moeten voldoen aan de verplichtingen neergelegd in artikel 2 Leerplichtwet 1969.

E.

Met betrekking tot het hiervoor onder B. II b. gestelde:

Het door de verdediging gevoerde verweer dat verdachte niet kan worden tegengeworpen dat [betrokkene] in het voorafgaande schooljaar geplaatst is geweest op een school waartegen bedenkingen worden geuit, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als overtreding voorzien bij artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, en strafbaar gesteld bij artikel 26, eerste lid, van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht, in geval van strafoplegging, aan de verdachte een geldboete ter hoogte van EUR 251,00 op te leggen, zodat zij in de gelegenheid zou zijn beroep in cassatie in te stellen.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf evenwel aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen – grosso modo – vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan acht het hof oplegging van de gevorderde geldboete in dit geval een passende reactie.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Het verzoek van de raadsvrouwe, een boete van 251 euro op te leggen, zodat verdachte de mogelijkheid heeft cassatie in te stellen, wordt verworpen. De hoogte van de straf wordt bepaald door de ernst van het feit, de persoon van de verdachte en de omstandigheden van het geval. De vraag of al dan niet een rechtsmiddel kan worden aangewend kan naar het oordeel van het hof geen rol spelen bij de door het hof te bepalen van de hoogte van de strafmaat.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding in eerste aanleg, voor zover dit betreft de zinsnede “(en/of tot op heden)” in de tenlastelegging, nietig.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Niet nakomen van de in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 opgelegde verplichtingen.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 125,00 (honderdvijfentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. M.J.C. van Kamp, voorzitter,

mr. H.D. Bergkotte en mr. A.M.G. Smit,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 2 april 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H.D. Bergkotte is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.