Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI0775

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
HD 200.006.402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betekenis van verklaring ex art. 304 lid 1 sub f BW voor de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij voor de verplichtingen van de – inmiddels failliete - dochtermaatschappij tot nakoming van afvloeiingsregelingen uit hoofde van een na het deponeren van die verklaring tot stand gekomen sociaal plan en voor de afwikkeling van de (reeds voor de deponering van de verklaring) aangegane arbeidsovereenkomsten. Voor beide wordt aansprakelijkheid aangenomen, gelet op de tekst en strekking van de verklaring.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 403
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 625
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2009, 76
RI 2009, 47
RN 2009, 58
RO 2009, 49
JRV 2009, 473
JAR 2009/126
JIN 2009/359
JIN 2009/402
JOR 2009/160 met annotatie van Steef M. Bartman
AR-Updates.nl 2009-0290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknr. HD 200.006.402

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 7 april 2009,

gewezen in de zaak van:

BIA BEHEER B.V.,

voorheen genaamd INALFA INDUSTRIES B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van

16 mei 2008,

advocaat: mr. B.M.W. Hunnekens,

tegen:

1. [X.],

wonende te [woonplaats]

2. [Y.],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeentenaam],

3. [Z.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden bij gemeld exploot,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo gewezen vonnis van 20 februari 2008 tussen appellante – hierna: Inalfa - als gedaagde en geïntimeerden – hierna tezamen: [X.] c.s. - als eisers.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 188140\CV EXPL 07-835)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep in het principaal en incidenteel appel

2.1. Bij appeldagvaarding waarin de grieven zijn vermeld, heeft Inalfa negen grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van [X.] c.s..

2.2. Bij memorie van antwoord hebben [X.] c.s. de grieven bestreden en een memorie van grieven in incidenteel appel genomen, waarin zij twee grieven aanvoeren tegen het vonnis waarvan beroep en concluderen tot vernietiging daarvan voorzover het betreft de veroordeling van Inalfa tot voldoening van een bedrag groot € 917,18 terzake proceskosten en waarin zij vorderen dat deze kosten in eerste aanleg worden bepaald op €1.961,18, (en naar het hof begrijpt, dat Inalfa wordt veroordeeld bij arrest uitvoerbaar bij voorraad tot voldoening van dat bedrag aan [X.] c.s.) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na 20 februari 2008 tot aan de dag der voldoening.

2.3. Inalfa heeft in het incidenteel appel een memorie van antwoord genomen, waarin zij concludeert tot, kort gezegd, afwijzing van het incidenteel appel, met veroordeling van [X.] c.s. in de kosten van het geding.

[X.] c.s. hebben vervolgens een akte genomen, waarbij zij producties hebben overgelegd. Inalfa heeft zich vervolgens bij akte over die producties uitgelaten.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de grieven in het principaal en incidenteel appel.

4. De beoordeling

In het principaal en in het incidenteel appel

4.1. In hoger beroep kan van de navolgende, grotendeels ook reeds door de kantonrechter vastgestelde feiten worden uitgegaan:

4.1.1. [X.] is op 23 september 1968 bij (de rechtsvoorgangster van) Inalfa Metal Products BV (hierna: IMP) in dienst getreden, [Y.] is op 7 september 1987 in dienst getreden en [Z.] op 31 juli 1978.

In het jaar 2003 is besloten IMP te reorganiseren.

Op 15 december 2003 heeft IMP met de vakverenigingen FNV Bondgenoten, CNV Bedrijvenbond en De Unie schriftelijk overeenstemming bereikt over een sociaal plan, dat een looptijd heeft van 1 november 2003 tot en met 31 december 2005. De dienstverbanden met [X.], respectievelijk [Y.] en [Z.] zijn beëindigd per 1 juli 2005 respectievelijk 1 januari 2005 en 1 februari 2005. Op basis van het sociaal plan kwam aan [X.] een beëindigingvergoeding toe groot € 60.148,16, aan [Y.] een bedrag groot € 10.464,72 en aan [Z.] een bedrag groot € 31.994,76.

4.1.2. IMP is op 21 september 2005 door de rechtbank Roermond in staat van faillissement verklaard.

IMP diende op dat moment nog ter zake de beëindigingvergoeding aan [X.] te betalen een bedrag groot

€ 42.103,71, aan [Y.] een bedrag groot € 4.239,89 en aan [Z.] een bedrag groot € 12.797,90.

4.1.3. Inalfa is een holding met een aantal dochtervennootschappen, waaronder IMP, de werkgeefster van [X.] c.s.

4.1.4. Op 16 april 1999 heeft Inalfa een aansprakelijkheidsverklaring als bedoeld in artikel 2:403 lid 1 sub f BW afgegeven, welke als volgt luidt:

“Inalfa Industries B.V., (…) verklaart dat zij zich in dit kader van de toepassing van Artikel 403 Boek 2 BW hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de schulden die voortvloeien uit de door Inalfa Metal B.V. te [plaatsnaam] aangegane rechtshandelingen gedurende 1998 en verder.”

Op 13 februari 2001 heeft Inalfa deze aansprakelijkheidsverklaring vervangen door de volgende:

“Inalfa Industries B.V., (…) verklaart dat zij zich in het kader van de toepassing van artikel 403 Boek 2 BW hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de schulden die voortvloeien uit de door Inalfa Metal B.V. te [plaatsnaam] aangegane rechtshandelingen.”

Partijen zijn het erover eens, dat in beide verklaringen met Inalfa Metal BV te [plaatsnaam] bedoeld is IMP, de werkgeefster van [X.] c.s.

4.1.5. Bij verklaring van 2 september 2005, gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel Limburg-Noord, heeft Inalfa de verklaring ex artikel 2:403 lid f BW per direct ingetrokken:

“Hierbij verklaart Inalfa Industries BV (…) de ten behoeve van:

Inalfa Metal Products BV, (…) gedeponeerde verklaring ex art. 2:403 lid 1 sub BW, waarbij Inalfa Industries zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de uit rechtshandelingen van Inalfa Metal Products BV voortvloeiende schulden, per direct intrekt.

Met andere woorden Inalfa Industries BV aanvaardt per heden geen aansprakelijkheid meer voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die Inalfa Metal Products BV met derden heeft verricht en nog zal verrichten.”

Partijen zijn het erover eens dat de intrekking van deze verklaring niet zag op de aansprakelijkheid bedoeld in artikel 2:204 leden 1, 2 en 3 BW.

4.1.6. Inalfa heeft ondanks sommaties geweigerd de aan [X.] c.s. nog toekomende vergoedingen uit hoofde van het sociaal plan te betalen. Voorts heeft zij geweigerd om aan [X.] een vergoeding te voldoen terzake niet uitbetaalde verlof- en ATV-dagen, zijnde, volgens eisvermeerdering bij repliek, 344,08 vakantie-uren en 12,35 ATV-uren, in totaal 356,43 uren à €17,17 per uur, derhalve € 6.119,90.

4.2. [X.] c.s. hebben Inalfa bij dagvaarding d.d. 27 oktober 2006 in rechte betrokken.

Inalfa heeft verweer gevoerd. De kantonrechter heeft in zijn vonnis waarvan beroep de vorderingen van [X.] c.s. grotendeels toegewezen, met dien verstande dat hij de gevorderde wettelijke verhoging alleen heeft toegewezen over de vordering [X.] ter zake niet genoten ATV- en vakantie-uren en deze verhoging heeft gematigd tot 10%.

De uitspraak luidt als volgt:

I. verklaart voor recht dat Inalfa hoofdelijk aansprakelijk is voor de nakoming van de in art. 3.6.2 en art. 3.6.4 neergelegde verplichtingen uit het sociaal plan, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.4 en nader uitgewerkt in de, in rechtsoverwegingen 2.6 tot en met 2.8 vermelde, brieven van IMP aan [X.] c.s.

II. veroordeelt Inalfa om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [X.] te voldoen een bedrag van €42.103,71 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 april 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. veroordeelt Inalfa om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [X.] te voldoen een bedrag van €6.119,90 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% over dit bedrag alsmede de wettelijke rente vanaf 17 april 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. veroordeelt Inalfa om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Y.] te voldoen een bedrag van €4.239,89 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

V. veroordeelt Inalfa om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Z.] te voldoen een bedrag van €12.797,90 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Inalfa in de kosten van de procedure aan de zijde van [X.] c.s. gevallen en aan die zijde tot op vandaag begroot op een bedrag van € 917,18 waarin begrepen een bedrag van € 500,00 als salaris voor de gemachtigde van [X.] c.s., vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 14e dag na de betekening van dit vonnis tot aan de algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Inalfa is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

4.3.1. De eerste grief is gericht tegen de overweging van de kantonrechter die erop neerkomt dat, nu het sociaal plan ná afgifte van de 403-verklaring en vóór de intrekking daarvan tot stand is gekomen, de door Inalfa gegeven 403-verklaring strekt ten faveure van [X.] c.s. omdat het sociaal plan onvoldoende verband houdt met de individuele arbeidsovereenkomst tussen IMP en [X.] c.s. om als daaruit voortvloeiend te worden aangemerkt.

4.3.2. Volgens Inalfa bestaat er een zodanige materiële samenhang tussen de verplichtingen uit het sociaal plan en de arbeidsovereenkomst dat de verplichtingen uit dat sociaal plan rechtstreeks voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten van [X.] c.s. De rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het sociaal plan zouden immers niet kunnen bestaan zonder de daaraan ten grondslag liggende arbeidsovereenkomsten. De door haar op 13 februari 2001 gedeponeerde 403-verklaring dient in het licht te worden bezien van de eerder, op 16 april 1999 gedeponeerde 403-verklaring, waarin zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor de schulden van IMP die voortvloeien uit de door IMP aangegane rechtshandelingen gedurende 1998 en verder. Nu alle arbeidsovereenkomsten zijn aangegaan vóór de deponering van de eerste 403-verklaring, stelt Inalfa niet aansprakelijk te zijn voor schulden die voortvloeien uit die arbeidsovereenkomsten. Inalfa stelt in dit verband dat de ratio van de 403-verklaring is dat in concernverband slechts een geconsolideerde jaarrekening behoeft te worden gepubliceerd voor wat betreft de desbetreffende dochtervennootschap, waarbij het gaat om bescherming van degenen die moeten beslissen om al dan niet met de dochteronderneming te contracteren. Werknemers dienen volgens IMP niet te beslissen of zij een arbeidsovereenkomst met de dochteronderneming zullen aangaan of voortzetten, zich daarbij baserend op de jaarstukken van deze dochteronderneming.

4.3.3. Het hof verwerpt deze grief. De door een moedermaatschappij op de voet van art. 2:403 lid 1 sub f BW afgelegde schriftelijke verklaring van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uit rechtshandelingen van de dochtervennootschap voortvloeiende schulden is een niet tot een bepaalde partij gerichte eenzijdige rechtshandeling op grond waarvan rechtstreekse aansprakelijkheid van de moedermaatschappij ontstaat. De contractant van de dochtermaatschappij kan jegens de moedermaatschappij geen recht ontlenen aan artikel 2:403 BW, doch uitsluitend aan de door de moedermaatschappij gedeponeerde verklaring. Wat deze verklaring in een concreet geval inhoudt moet worden vastgesteld door uitleg daarvan. Inalfa heeft zich blijkens de verklaring d.d. 13 februari 2001 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schulden die voortvloeien uit de door IMP aangegane rechtshandelingen. De tekst van deze verklaring wijkt af van de verklaring die eerder, op 16 april 1999 werd gedeponeerd en waarin Inalfa zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor de schulden die zouden voortvloeien uit de door IMP aangegane rechtshandelingen gedurende 1998 en verder. Volgens deze eerdere verklaring vallen duidelijk enkel rechtshandelingen die door Inalfa Metal BV zijn aangegaan ná 1 januari 1998 onder de mede-aansprakelijkheid. Inalfa stelt nu dat ook volgens de verklaring die zij op 13 februari 2001 heeft gedeponeerd, zij enkel aansprakelijk is voor schulden voortvloeiend uit rechtshandelingen verricht ná 1 januari 1998.

Dit standpunt oordeelt het hof onjuist. Anders dan Inalfa meent, heeft de verklaring d.d. 13 februari 2001 een andere inhoud dan de verklaring d.d. 16 april 1999.

De verklaring uit 2001 houdt immers aansprakelijkheid in voor schulden die voortvloeien uit de vóór èn op het moment van de verklaring aangegane rechtshandelingen van de dochtermaatschappij. Het hof oordeelt voor de uitleg van de verklaring uit 2001 niet relevant dat in een eerdere verklaring de aangegane hoofdelijke aansprakelijkheid anders luidde. Relevant is immers slechts hoe de crediteuren de verklaring, gelet op de inhoud en strekking ervan redelijkerwijs mochten opvatten. De verklaring uit 2001 stemt overeen met de tekst van artikel 57 van de Vierde EEG-richtlijn, waarin eveneens over aangegane verplichtingen wordt gesproken. De door Inalfa op 13 februari 2001 gedeponeerde verklaring betekent dan ook dat zij hoofdelijk aansprakelijk is voor alle op dat moment bestaande verbintenissen voortvloeiend uit vóór en op dat moment aangegane rechtshandelingen van IMP, waarbij vanzelfsprekend geldt dat zolang Inalfa het groepsregime bij het opmaken van de jaarrekeningen toepast, steeds de verbintenissen voortvloeiend uit rechtshandelingen die zijn aangegaan in de lopende boekjaren tot het moment waarop de jaarrekening wordt opgemaakt onder de hoofdelijke aansprakelijkheid vallen.

Het hof is dan ook van oordeel dat Inalfa hoofdelijk aansprakelijk is voor alle verplichtingen van IMP uit hoofde van de bestaan hebbende arbeidsovereenkomsten met [X.] c.s.. Overigens tekent het hof hierbij aan dat verplichtingen voortvloeiend uit een sociaal plan dat is aangegaan nà het deponeren van de verklaring (en vóór de intrekking daarvan), anders dan Inalfa beweert, niet zijn aan te merken als op het moment van het deponeren van die verklaring reeds aangegane verplichtingen. Het feit dat er enkel verplichtingen uit hoofde van het sociaal plan jegens de werknemers ontstaan omdat er - in het verleden aangegane - arbeidsovereenkomsten bestaan, doet daaraan niet af. Pas door de aanvaarding door de werknemer van de afvloeiingsregeling van het sociaal plan ontstaan de rechtstreekse verbintenissen van de werkgeefster jegens de werknemer. Tot slot wijst het hof erop dat het ook voor de onderhandelende vakbonden van belang is dat zij op basis van de verklaring ex artikel 2:403 lid 1 sub f BW ervan uit mogen gaan dat de moedermaatschappij hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen van de contracterende dochtermaatschappij.

Uit het voorgaande vloeit voort dat Inalfa zowel hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen van IMP uit hoofde van het sociaal plan als voor de correcte afwikkeling van de verplichtingen van IMP als werkgeefster voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomsten. Onder dat laatste valt de betaling van aan het einde van de arbeidsovereenkomst resterende niet genoten vakantiedagen. Een en ander is ook vermeld in het sociaal plan, waarin is bepaald dat alle openstaande financiële verrekeningen tussen werkgever en werknemer bij het beëindigen van het dienstverband samen met de laatste salarisbetaling worden verrekend.

Weliswaar is de verplichting tot uitbetaling van niet genoten vakantiedagen opgenomen in artikel 7:641 lid 1 BW, maar deze verplichting vloeit direct voort uit een rechtshandeling met betrekking tot het aangaan van de arbeidsovereenkomst en het beëindigen daarvan, en valt mitsdien onder de hoofdelijke aansprakelijkheidsverklaring. De vordering van [X.] tot betaling van niet genoten vakantiedagen is dan ook terecht door de kantonrechter toegewezen. Partijen zijn het er kennelijk over eens dat er een verplichting bestond van IMP om aan het einde van de arbeidsovereenkomst ook niet genoten ATV-uren uit te betalen. Ook de toewijzing van deze vordering door de kantonrechter zal derhalve worden bekrachtigd. Aldus falen ook de grieven 4 en 5.

4.4.1. Met grief 2 komt Inalfa op tegen de toewijzing door de kantonrechter van het bruto equivalent van de afvloeiingsvergoeding.

Volgens Inalfa strekt de aansprakelijkstelling zich niet uit tot belasting- en premieschulden omdat de verplichting tot afdracht daarvan niet uit een rechtshandelingen maar uit de wet voortvloeit. Zij beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 1996 (NJ 1997/187).

4.4.2. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Inalfa zelf op grond van de fiscale wetgeving gehouden is om, wanneer zij tot betaling overgaat, het bruto equivalent van de afvloeiingsvergoeding te voldoen.

Het hof acht dit oordeel juist. Daargelaten de betekenis van de fiscale wetgeving is Inalfa immers gehouden om het overeengekomen brutoloon te voldoen. [X.] c.s. hebben derhalve jegens Inalfa recht op de bruto loonbedragen, verminderd met hetgeen Inalfa uit eigen hoofde wettelijk gehouden is af te dragen aan loonbelasting en premies. Dit betreft een geheel andere situatie dan in het arrest van de Hoger Raad waarop Inalfa zich beroept. Daar betrof het immers een vordering ingesteld door de bedrijfsverenging tot afdracht van premies. Grief 2 faalt.

4.5. Grief 3 komt op tegen de veroordeling van Inalfa tot betaling van de wettelijke rente over de toegewezen bedragen. Volgens Inalfa is zij niet aansprakelijk voor de betaling van de wettelijke rente omdat dit een schuld is die rechtstreeks voortvloeit uit de wet.

Het hof verwerpt ook deze grief. De veroordeling van Inalfa tot betaling van de wettelijke rente betreft immers wettelijke rente die door haarzelf rechtstreeks aan [X.] c.s. is verschuldigd vanwege het niet nakomen van haar verplichtingen uit hoofde van haar hoofdelijke aansprakelijkheid.

4.6. De grieven 6 en 7 komen op tegen de toewijzing door de kantonrechter van het bruto-equivalent van de niet genoten vakantie- en ATV-uren en tegen toekenning van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente met betrekking tot de resterende niet genoten verlofdagen.

Volgens Inalfa vloeien de verplichtingen tot het voldoen van het bruto-equivalent en van de wettelijke verhoging en rente rechtstreeks voort uit de wet en vallen daarom niet onder haar hoofdelijke aansprakelijkheidsstelling voor verplichtingen voortvloeiend uit rechtshandelingen.

Voor wat betreft de veroordeling tot betaling van het bruto-equivalent en van de wettelijke rente verwijst het hof mutantis mutandi naar hetgeen het hiervoor ten aanzien van de grieven 2 en 3 heeft overwogen en beslist.

Ten aanzien van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW oordeelt het hof dat de verschuldigdheid daarvan weliswaar uit de wet voortvloeit, doch deel uitmaakt van de wettelijke rechten en verplichtingen van de werkgever en werknemer jegens elkander, en als zodanig rechtstreeks voortvloeit uit het bestaan van de arbeidsovereenkomst. Inalfa is derhalve ook hoofdelijk aansprakelijk jegens [X.] voor de voldoening van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de uit te betalen verlofdagen. De grieven 6 en 7 falen.

4.7.1. In grief 8 maakte Inalfa bezwaar tegen de vaststelling door de kantonrechter van de wettelijke verhoging op 10% en de toewijzing van de wettelijke rente. Voorzover het een herhaling van argumenten betreft, verwijst het hof verwijst naar zijn overwegingen ten aanzien van de grieven 2, 6 en 7.

Inalfa stelt voorts dat de kantonrechter de wettelijke verhoging over de vergoeding voor verlofdagen had dienen te matigen tot nihil. Zij voert daartoe onder meer het volgende aan. De niet-betaling door IMP was gelegen in haar faillissement, zodat de te late betaling Inalfa niet kan worden aangerekend. De wettelijke verhoging dient bovendien als prikkel tot tijdige betaling van salaris. Inalfa is niet de werkgever van [X.] c.s., zodat het toekennen van enige wettelijke verhoging niet in overeenstemming is met de ratio van artikel 7:625 BW, te weten het geven van een prikkel tot tijdige betaling.

4.7.2. [X.] brengt hiertegen in dat de wettelijke verhoging tevens de strekking heeft van een aanvullende schadevergoeding.

4.7.3. Het hof is van oordeel dat de grief slaagt. De arbeidsovereenkomst met [X.] is geëindigd op 1 juli 2005. Kort daarna is IMP in staat van faillissement verklaard. Het niet betalen van het tegoed aan verlofdagen vindt dan ook, naar mag worden aangenomen, zijn oorzaak in betalingsonmacht aan de zijde van IMP. Onder deze omstandigheden oordeelt het hof het redelijk en billijk om de wettelijke verhoging over het tegoed aan verlofdagen te matigen tot nihil. Inalfa wijst er immers terecht op dat zij niet de werkgever is van [X.]. Het uitblijven van tijdige betaling door Inalfa als hoofdelijk aansprakelijke debiteur oordeelt het hof geen grond voor de toekenning van de wettelijke verhoging.

4.8. Grief 9 betreft de proceskostenveroordeling van Inalfa in eerst aanleg. Ook deze grief faalt, aangezien Inalfa in eerste aanleg had te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zodat de kantonrechter haar terecht heeft veroordeeld in de proceskosten. Nu het hoger beroep eveneens grotendeels faalt wordt Inalfa ook verwezen in de kosten van het geding in het principaal appel gevallen aan de zijde van [X.] c.s.

4.9.1. Met grief 1 van het incidenteel appel komen [X.] c.s. op tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij hebben miskend dat de wettelijke verhoging niet zozeer is bedoeld als schadevergoeding, maar als prikkel voor de werkgever het loon tijdig te betalen en derhalve niet is aan te merken als een aanvullende schadevergoeding die onder de materiële reikwijdte van de 403-verklaring valt.

4.9.2. Het hof oordeelt niet duidelijk wat [X.] c.s. met deze grief beogen. Voorzover [X.] c.s. hiermee bedoelen te betogen dat de wettelijke verhoging op een hoger percentage dan 10 dient te worden gesteld, faalt deze grief reeds gelet op hetgeen het hof hiervoor ten aanzien van grief 8 in het principaal appel heeft overwogen en beslist. Voorzover [X.] c.s. hiermee beogen op te komen tegen de afwijzing van de wettelijke verhoging over de toegewezen afvloeiingsregelingen, faalt

deze grief eveneens, aangezien dergelijke vergoedingen niet vallen onder het begrip loon in die zin van artikel 7:625 BW.

4.10. Met de tweede grief in het incidenteel appel komen [X.] c.s. op tegen de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde proceskostenveroordeling ad € 917,18. Volgens [X.] dient deze € 1.961,18 te bedragen. De verschotten bedroegen volgens hem € 84,87 + € 84,31 terzake deurwaarderskosten en € 292,- terzake griffierecht. Het door de kantonrechter vastgestelde salaris voor de gemachtigde ad € 500,00 is te laag. Volgens [X.] c.s. is het liquidatietarief € 600,- per punt en hebben zij recht op 2,5 punten x € 600.

Inalfa bestrijdt dat er een tarief van € 600,- per punt diende te worden gehanteerd.

Het hof is van oordeel dat uitgegaan kan worden van twee punten, nu in de akte na tussenvonnis de onbevoegdheid van de kantonrechter werd verdedigd, welk standpunt door de rechtbank niet is gevolgd.

Gelet op het belang van de zaak oordeelt het hof een tarief in eerste aanleg van € 600,- per punt juist. De grief slaagt in zoverre. Er zal derhalve voor wat betreft de eerste aanleg een salaris gemachtigde van € 1.200 worden toegekend. De door [X.] c.s. genoemde deurwaarderskosten ad € 84,31, blijken niet uit de inleidende dagvaarding, en worden door het hof derhalve niet toegekend, nu [X.] c.s. dit bedrag verder niet onderbouwen. De verschotten in eerste aanleg worden door het hof berekend op 84,87 + € 292,00 terzake griffierecht, = € 376,87 in totaal. Nu er zijdens Inalfa niet is gegriefd tegen het toegewezen bedrag van € 417,18, zal het hof dit handhaven. De wettelijke rente wordt voorwaardelijk over de proceskosten in appel toegewezen vanaf 14 dagen na de uitspraak van dit arrest.

4.11. De kosten van het incidenteel appel worden tussen partijen gecompenseerd, nu slechts een van de twee grieven gedeeltelijk slaagt.

5. De uitspraak

Het hof:

In het principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep uitsluitend voor wat betreft:

- de toewijzing onder III aan [X.] van de wettelijke verhoging van 10% over het tegoed aan ATV- en vakantiedagen en van de wettelijke rente daarover;

- de veroordeling van Inalfa tot betaling aan [X.] c.s. van een bedrag groot € 917,18 ter zake proceskosten en van de wettelijke rente daarover;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt Inalfa in de kosten van beide instanties aan de zijde van [X.] c.s., welke kosten in de eerste aanleg worden vastgesteld op € 1.617,18 waarvan € 1.200,- ter zake salaris gemachtigde en vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis in eerste aanleg, en in het hoger beroep in het principaal appel op €254,- ter zake verschotten en op € 1.631,- ter zake salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na het wijzen van dit arrest;

bepaalt dat partijen in het incidenteel appel ieder de

eigen kosten dragen.

verklaart dit arrest voor wat betreft de uitgesproken veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Venner-Lijten, Spoor en Slootweg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 april 2009.