Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI0762

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
HV 200.024.496
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesloten jeugdzorg; verklaring gedragswetenschapper; tijdstip onderzoek; mate van bekendheid met tekst rekest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DvdH9 april 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.024.496/01

Zaaknummer eerste aanleg: 182680 / JE RK 08-1973

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

ten tijde van het ingestelde hoger beroep verblijvende in de justitiële jeugdinrichting Den Hey-Acker, locatie De Leij te Vught,

thans verblijvende in de justitiële jeugdinrichting Teylingereind te Sassenheim,

appellant,

hierna te noemen: [X.],

advocaat: mr. I. Gerrand,

t e g e n

namens Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

De William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 december 2008.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 februari 2009, heeft [X.] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de rechtbank ten onrechte een machtiging tot uithuisplaatsing heeft afgegeven, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 maart 2009, heeft de stichting verzocht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [X.], bijgestaan door mr. I. Gerrand;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [K.] en de heer [L.];

- mevrouw [Y.], (hierna: de moeder).

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de stichting d.d. 27 februari 2009;

- de brieven van de raad d.dis 11 februari 2009 en 10 maart 2009.

3. De beoordeling

3.1. [X.] is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] geboren uit het huwelijk van de moeder en de vader (de heer [Z.]). Op 17 april 1996 is [X.]´s vader overleden. Sindsdien is de moeder van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [X.].

3.2.1. Sinds 6 december 1999 is ten aanzien van [X.] een ondertoezichtstelling van kracht. Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 6 december 2009.

Nadat [X.] sinds 18 augustus 2006 in onder meer een gezinshuis van Stichting Oosterpoort heeft verbleven, is hij op 30 juni 2008 in de justitiële jeugdinrichting Den Hey-Acker te Vught geplaatst op grond van een daartoe strekkende (crisis)machtiging.

Op 10 juli 2008 heeft een zitting bij de rechtbank plaatsgevonden waarbij het verzoek (crisis)machtiging gesloten plaatsing is toegewezen en de voormelde machtiging is verlengd tot 6 december 2008.

3.2.2. Vanaf 18 augustus 2008 heeft de stichting de zaak overgenomen van Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: Bjz).

3.3.1. Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch – op het verzoekschrift van de stichting van 6 oktober 2008, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 8 oktober 2008, – een machtiging aan de stichting verleend om [X.] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs gesloten voor de duur van een jaar, te weten tot 6 december 2009.

Op 10 maart 2009 is [X.] geplaatst in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

3.3.2. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het in het belang van [X.]´s verzorging en opvoeding noodzakelijk is dat hij uit huis wordt geplaatst en dat voldaan is aan het wettelijk criterium van artikel 29b lid 3 van de Wet op de Jeugdzorg (hierna: Wjz).

De advocaat van [X.] heeft onder meer aangevoerd dat de verklaring van de gedragswetenschapper niet recent genoeg is en dat derhalve niet is voldaan aan de wettelijke vereisten (van artikel 29b lid 5 Wjz). De rechtbank heeft daarop overwogen dat de wet als eis stelt dat een gedragswetenschapper moet toetsen of de geslotenheid noodzakelijk is, waarbij een hoge actualiteitswaarde van het advies van de gedragswetenschapper relevant is. De wet heeft daarbij geen termijn gesteld, zodat de rechtbank de visie van de advocaat niet deelt. Met het advies van de gedragswetenschapper (d.d. 15 juli 2008) in combinatie met het verslag van het psychiatrisch onderzoek (d.d. 9 september 2008) is voldaan aan de wettelijke vereisten die artikel 29b Wjz stelt, aldus de rechtbank.

3.4. [X.] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. [X.] voert, kort samengevat, in het beroepschrift – zoals aangevuld ter zitting – onder meer aan dat er bij hem geen sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. In de verklaring dat gesloten jeugdzorg noodzakelijk is staat dat [X.] een vriendelijke, aardige en aanpassende jongen is en dat de drift- en agressiemomenten gezien moeten worden als het geen uitweg meer weten. Uit het advies van het psychiatrisch onderzoek komt naar voren dat de problematiek behandelbaar lijkt in een half open situatie, zodat gesloten jeugdzorg volgens [X.] niet noodzakelijk is en met een minder zwaar middel kan worden volstaan.

Tenslotte stelt [X.] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voldaan is aan de wettelijke vereisten die artikel 29b lid 5 Wjz stelt.

3.6. De stichting voert – kort samengevat – aan dat [X.] op 30 juni 2008 met gegronde redenen gesloten is geplaatst en dat gesloten jeugdzorg nog steeds noodzakelijk is om [X.]’s veilige en positieve ontwikkeling naar volwassenheid te kunnen waarborgen. [X.] heeft zich in het verleden verschillende keren geheel onttrokken aan de zorg die hij nodig had. Hij loog regelmatig, hield zich niet aan afspraken, stal geld, bleef weglopen, ondermijnde het gezag van volwassenen en had een agressieve houding naar anderen. Diverse vrijwillige hulpverlenende instanties – Stichting Oosterpoort, Verdihuis, Herlaarhof, Bureau Jeugdzorg – zijn betrokken geweest bij [X.], maar kregen geen grip op zijn gedrag, mede doordat [X.] niet wilde meewerken aan de hulpverlening en voortdurend afhaakte.

Tenslotte voert de stichting aan dat de (instemmings-)verklaring van de gedragswetenschapper voldoet aan de eisen die artikel 29b lid 5 Wjz stelt.

3.7. Het hof overweegt het volgende.

3.8. Ingevolge artikel 29a lid 2 Wjz is de minderjarige bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [X.] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.

Machtiging

3.9. Ingevolge artikel 29b lid 4 Wjz kan een machtiging tot verblijf in een gesloten accommodatie slechts worden verleend indien de betrokken stichting een indicatiebesluit heeft genomen dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder, en wanneer de stichting heeft verklaard dat sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen (zoals bedoeld in artikel 29b lid 3 Wjz).

Deze verklaring behoeft op grond van artikel 29b lid 5 Wjz de instemming van een bij de ‘Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg’ aangewezen gedragswetenschapper, die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

3.10.1. [X.] heeft – zoals eerder vermeld – aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voldaan is aan het wettelijke criterium dat artikel 29b Wjz lid 5 stelt. Het verzoekschrift in eerste aanleg is op 8 oktober 2008 door de stichting ingediend, zodat de gedragswetenschapper op 15 juli 2008 niet bekend kon zijn met de inhoud ervan. Bovendien meent [X.] dat een op 15 juli 2008 afgegeven instemmingsverklaring terzake een op 8 oktober 2008 ingediend verzoekschrift niet voldoet aan de eis dat de minderjarige kort tevoren is onderzocht door de desbetreffende gedragswetenschapper. Verder voert [X.] hieromtrent aan dat uit het verslag van het psychiatrisch onderzoek niet blijkt dat de opsteller daarvan instemt met de verklaring van de gedragswetenschapper. Evenmin blijkt uit het verslag van het psychiatrisch onderzoek dat er sprake is van situatie zoals bedoeld in artikel 29b lid 3 Wjz en dat de opsteller van dit verslag een bij de ‘Regeling aanwijzing gedragswetenschapper gesloten jeugdzorg’ is.

3.10.2. Het is op zich juist dat de instemmingsverklaring van de gedragsweten¬schapper [M.] (gevoegd bij de “verklaring dat gesloten jeugdzorg noodzakelijk is” van de stichting d.d. 22 september 2008) dateert van 15 juli 2008 en het verzoekschrift strekkende tot gesloten plaatsing van [X.] van 8 oktober 2008. Er kan dus bezwaarlijk gezegd worden dat [X.] “kort tevoren” door deze gedragswetenschapper [M.] is onderzocht. Het hof is evenwel van oordeel dat dit er in casu niet toe leidt dat niet is voldaan aan artikel 29b lid 5 Wjz. Er is namelijk nadien een zeer uitvoerig psychiatrisch rapport over [X.] opgemaakt door Den Hey-Acker over de periode 20 augustus 2008 tot 23 september 2008 waaruit blijkt dat, zeker bij de opstart van een behandeling – waarin continuïteit en duidelijkheid naast structuur centraal staan –, een gesloten setting noodzakelijk zal zijn om discontinuïteit te voorkomen. De desbetreffende psychiater [N.] constateert in het rapport dat [X.] de neiging heeft tot vluchten waardoor groei en verandering niet tot stand komen. Het hof is van oordeel dat uit bedoeld rapport, hoewel niet met het oog daarop opgemaakt, de noodzaak van en daarmee instemming met een gesloten plaatsing genoegzaam naar voren komt, alsmede dat er bij [X.] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Het hof leest in artikel 29b lid 5 Wjz niet het vereiste dat de gedragswetenschapper bekend moet zijn met de tekst van het ingediende verzoekschrift, zoals namens [X.] is gesteld. Een dergelijk, niet door de wet gesteld vereiste, zou trouwens ook weinig logisch zijn in met name die gevallen waarin nog onvoldoende zekerheid bestaat of wel is voldaan aan de criteria voor een machtiging als bedoeld in artikel 29b, lid 3 Wjz, zodat, alvorens een bepaald rekest kan worden opgesteld, men eerst van de – precieze – inhoud van de verklaring van de betrokken gedragswetenschapper zal willen kennisnemen.

3.11.1. [X.] heeft verder aangevoerd dat uit het psychiatrisch onderzoek d.d. 9 september 2008 niet blijkt dat de opsteller daarvan – meergenoemde [N.] - een gedragswetenschapper is, zoals vereist in de ‘Regeling aanwijzing gedragsweten¬schapper gesloten jeugdzorg’.

3.11.2. Artikel 1 (aanhef en sub 3) van de ‘Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg’ luidt:

“De in artikel 29b vijfde lid (……) van de Wet op de jeugdzorg bedoelde categorieën van gedragswetenschappers zijn (……) degenen die als gezondheidszorgpsycholoog of psychotherapeut ingeschreven zijn in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg” (hierna: Wet BIG).

Voorts blijkt uit artikel 3 lid 1 Wet BIG dat registers worden ingesteld waarin degenen die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen op hun aanvrage worden ingeschreven, onderscheidenlijk als (onder andere) psychotherapeut.

Uit het RIBIZ (Registratie en Informatie Beroepsbeoefenaren In de Zorg) en uit het openbare BIG-register blijkt dat [N.] voornoemd is geregistreerd. Daarmee is hij een gedragswetenschapper als bedoeld in genoemde regeling. Ook op dit punt is voldaan aan artikel 29b lid 5 Wjz.

3.12. Het hof is derhalve van oordeel dat is voldaan aan de vereisten die artikel 29b lid 5 Wjz stelt, waarmee de derde grief van [X.] per saldo faalt. Nu de formele bezwaren van [X.] tegen de afgegeven machtiging tot gesloten plaatsing niet worden gehonoreerd, zal het hof overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van [X.]´s verzoek.

Inhoudelijk

3.13.1. Gelet op artikel 29b lid 3 Wjz staat ter beoordeling de vraag of er bij [X.] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [X.] zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

3.13.2. Het hof is van oordeel dat – gelet op hetgeen uit de stukken blijkt en ter zitting naar voren is gebracht – aan de wettelijke criteria voor uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg is voldaan en overweegt daartoe het volgende.

3.13.3. [X.] is een bijna 16-jarige jongen met een licht verstandelijke beperking; de Herlaarhof heeft in maart 2008 vastgesteld dat [X.] een IQ heeft van 74. Gebleken is dat [X.] in het verleden probleemgedrag heeft vertoond, zoals diefstal, schoolverzuim, weglopen, liegen, zwerven en drugsgebruik.

Uit het vervolg plan van aanpak d.d. 1 augustus 2008 van Bjz blijkt dat [X.] in het begin van zijn gesloten plaatsing binnen Den Hey-Acker herhaaldelijk grensoverschrijdend probleemgedrag heeft vertoond en dat hij hierin niet direct te stoppen was. Dit gedrag van [X.] bestond onder meer uit het niet naleven van de regels alsmede uit het doen van verscheidene bedreigende uitspraken richting groepsleiding en groepsgenoten; ook deed [X.] suïcidale uitspraken. [X.] is hiervoor diverse keren afgezonderd. De afzondering bleek [X.] wel rust te bieden en hij kon daarna ook weer de structuur van de groep oppakken (ofschoon escalaties frequent bleven voorkomen).

3.13.4. Ter zitting en uit de stukken is gebleken dat het verblijf en de behande¬ling die [X.] heeft ondergaan in Den Hey-Acker en thans in Teylingereind, waar hij – zoals vermeld – sinds 10 maart 2009 verblijft, vooralsnog heeft geresulteerd in een positieve gedragsontwikkeling bij [X.]. [X.] neemt deel aan groepsactiviteiten en inmiddels heeft hij meerdere certificaten behaald. Verder heeft [X.] in het Equip-programma de status van trainer bereikt en stuurt hij andere jongeren aan. Volgens de stichting is de sociale aanpassing van [X.] binnen de groep aanzienlijk verbeterd.

[X.] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat hij tijdens zijn verblijf binnen de gesloten jeugdzorg heeft geleerd om zowel met zijn woede om te gaan als zijn mening op een rustige manier te uiten. De moeder heeft dit onderschreven. Zij heeft ter zitting verklaard dat [X.] zich tegenwoordig beleefd en rustig gedraagt. Daarnaast ervaart de moeder het als een aangename ontwikkeling dat [X.] nu wel naar haar luistert en niet meer, zoals vroeger, tegen haar schreeuwt.

3.13.5. Tijdens de mondelinge behandeling is hoger beroep heeft [X.] verder verklaard dat hij zich wil bekwamen als tuinier, maar dat binnen Teylingereind de keuzes daarvoor te beperkt zijn. De stichting heeft daarop onweersproken gesteld dat er binnen Teylingereind opleidingen zijn die aansluiten bij de voorkeur van [X.] en dat zowel interne als externe stages mogelijk zijn in de tuiniersbranche.

3.13.6. De stichting heeft voorts verklaard dat de verlofmomenten van [X.] goed verlopen en dat na elk verlofmoment wordt gekeken naar uitbreidingsmogelijkheden. De stichting acht het van groot belang dat [X.] het Equip-programma en de behandelingen die daarmee gepaard gaan – waaraan [X.] tot nu succesvol heeft deelgenomen – afrondt, temeer omdat dit een goede manier is om [X.] voor te bereiden op verblijf in een (half)open setting. De stichting streeft er naar om deze plaatsing nog in het jaar 2009 te realiseren onder het voorbehoud dat [X.]’s gedrag zich in een positieve lijn blijft ontwikkelen.

Hoewel een verblijf van [X.] binnen een (half)open setting in het verschiet ligt, zou dit, in vergelijking met de huidige plaatsing, thans een te groot verschil voor [X.] vormen ingeval dit op korte termijn zou geschieden. De stichting vreest voor een terugval in zijn gedrag wanneer de structuur zou wegvallen die [X.] binnen een gesloten accommodatie wordt geboden.

3.13.7. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat [X.] binnen de gesloten accommodatie een ontwikkeling doormaakt waarin van vooruitgang sprake is dankzij de structuur en veiligheid die de gesloten accommodatie aan [X.] biedt op dit moment.

Nu de stichting onweersproken heeft gesteld dat [X.] zich in het verleden heeft onttrokken aan de hulpverlening, acht het hof het momenteel een te groot risico om [X.] nu in een (half)open setting te laten verblijven, temeer omdat behandelingen in een open setting in het verleden niet hebben geleid tot positieve resultaten als waarvan thans sprake is. Het hof is van oordeel dat ook [X.] op dit moment, met het oog op de in artikel 29b, lid 3 Wjz beoogde ontwikkeling, baat heeft bij de gesloten plaatsing.

Het hof geeft [X.] mee dat de vooruitzichten voor hem gunstig zijn en dat – wanneer hij zich positief blijft ontwikkelen – de stichting er in beginsel naar streeft om [X.] nog dit jaar te plaatsen in een (half)open setting, hetgeen [X.] ambieert. Daarmee falen ook de overige grieven.

3.14. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 december 2008.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Waaijers en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2009.