Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BI0201

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
HD 103.004.680
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Dak ingestort door wateroverlast. Dekking onder de polis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknr. HD 103.004.680

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 13 januari 2009,

gewezen in de zaak van:

de naamloze vennootschap N.V. INTERPOLIS SCHADE,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding

van 18 januari 2007,

advocaat: mr. R.F.L.M. van Dooren,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeentenaam],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. E.G.W. van Ewijk,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Breda gewezen vonnissen van 9 maart 2005, 26 oktober 2005, 7 december 2005 en 6 december 2006 tussen appellante

– Interpolis - als gedaagde en geïntimeerde – [X.] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 126834/HA ZA 03-1966)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Interpolis is van deze vonnissen tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft Interpolis onder overlegging van vijf producties drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vordering van [X.], met veroordeling van [X.] in de kosten van beide instanties, alles uitvoerbaar bij voorraad.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [X.] onder overlegging van vijf producties de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met veroordeling van Interpolis in de kosten van beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.

2.3. Interpolis heeft een akte uitlating producties genomen en [X.] een antwoordakte.

2.4 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. De vaststelling van de feiten in het tussenvonnis van 9 maart 2005 onder 3.1 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat.

4.2 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a) [X.] is eigenaresse van een bedrijfsgebouw aan de [A-weg] te [plaatsnaam].

b) Het bedrijfsgebouw is bij Interpolis verzekerd tegen onder meer stormschade. Op deze verzekering zijn van toepassing de 'Bijzondere voorwaarden Bedrijfsverzekeringen bedrijfsgebouwen uitgebreide gevaren, model 622-4' (prod. 1 inl. dagv.).

c) Deze polisvoorwaarden vermelden onder A.5 dat het gebouw wordt verzekerd tegen schade veroorzaakt door 'storm waaronder te verstaan een windsnelheid van ten minste 14 meter per seconde'.

d) Onder A.10.a vermelden de polisvoorwaarden dat het gebouw wordt verzekerd tegen schade veroorzaakt door 'neerslag (regen, sneeuw, hagel of smeltwater), onvoorzien het gebouw binnengedrongen'.

e) De polisvoorwaarden vermelden verder onder meer dat de dekking geldt 'voor alle gebeurtenissen ongeacht of deze zijn veroorzaakt door eigen gebrek'.

f) In de nacht van 4 op 5 juli 1999 heeft in de omgeving van het bedrijfsgebouw een storm in de zin van de polisvoorwaarden gewoed, terwijl ter plaatse sprake was van zware, volgens het KNMI uitzonderlijke, regenval. Tijdens dit noodweer is de dakconstructie van het bedrijfsgebouw (gedeeltelijk) ingestort als gevolg waarvan [X.] schade heeft geleden.

g) Op 5 juli 1999 heeft [X.] de schade aan het bedrijfsgebouw bij Interpolis gemeld. Interpolis heeft de aanspraak van [X.] op schadevergoeding wegens het ontbreken van dekking afgewezen.

h) De schade is tussen partijen, onder voorbehoud van dekking, vastgesteld op € 159.276,85 (ƒ 351.000,=).

i) Bij brief van 22 februari 2002 heeft [X.]

Interpolis gesommeerd de schade binnen zeven dagen te betalen, bij gebreke waarvan aanspraak is gemaakt op wettelijke rente. Interpolis heeft geweigerd tot uitkering over te gaan.

4.3 In deze procedure stelt [X.] dat de instorting van het dak van haar bedrijfsgebouw een gebeurtenis betreft die door de polisvoorwaarden is gedekt zodat Interpolis op grond van de verzekeringsovereenkomst de schade die [X.] daardoor heeft geleden moet vergoeden. Primair stelt [X.] dat sprake is van stormschade die gedekt is onder de bepaling die hiervoor in 4.2 onder c) is aangehaald. Subsidiair en meer subsidiair beroept [X.] zich op de onder d) en e) aangehaalde bepalingen. Op grond hiervan vordert [X.], kort gezegd, betaling van het bedrag van € 159.276,85 met rente en kosten.

4.4 Interpolis stelt zich op het standpunt dat de instorting is veroorzaakt door wateraccumulatie die met de storm geen verband houdt en dat wateraccumulatie geen evenement is dat door de polisvoorwaarden wordt gedekt. Van schade door onvoorzien binnengedrongen neerslag is volgens Interpolis geen sprake omdat de schade waar het hier om gaat al was ontstaan voordat de neerslag het gebouw was binnengedrongen. De 'eigen gebrek clausule' waar [X.] zich meer subsidiair op beroept komt pas aan de orde als er sprake is van een gedekt evenement, hetgeen volgens Interpolis niet het geval is.

4.5 Bij tussenvonnis van 9 maart 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering van [X.] niet toewijsbaar is op de subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen die zij daarvoor heeft aangevoerd, zodat de vraag resteert of de schade is veroorzaakt door storm als genoemd onder A.5 van de polisvoorwaarden (r.o. 3.5 - 3.7). Met het oog op de beantwoording van deze vraag heeft de rechtbank bepaald dat een deskundigenonderzoek uitgevoerd dient te worden. Tevens heeft de rechtbank voorgesteld tot deskundige te benoemen ir. W.M. Faas, die in een vergelijkbare zaak bij de rechtbank ook tot deskundige was benoemd. Partijen werden in de gelegenheid gesteld zich over de vraagstelling en de benoeming van de deskundige uit te laten.

4.6 Bij tussenvonnis van 26 oktober 2005 heeft de rechtbank naar aanleiding van de reactie van partijen de vraagstelling vastgesteld en voorgesteld als deskundigen te benoemen prof. ir. D.G. Mans, ir. Y.E. Suurenbroek en ir. H.W.J. Kernkamp. Partijen werden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de voorgestelde benoeming van ir. Kernkamp en over de door de deskundigen gehanteerde algemene voorwaarden.

4.7 Bij tussenvonnis van 7 december 2005 heeft de rechtbank geconstateerd dat partijen met de voorgestelde benoeming van ir. Kernkamp en met de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden instemmen. De drie voorgestelde deskundigen zijn benoemd met de eerder vastgestelde vraagstelling.

4.8 Bij eindvonnis van 6 december 2006 heeft de rechtbank de conclusies van het uitgebrachte deskundigenrapport overgenomen en de vordering van [X.] tot betaling van € 159.276,85 toegewezen, met de wettelijke rent vanaf

1 maart 2002.

4.9 In het tussenvonnis van 9 maart 2005 heeft de rechtbank de vordering van [X.] aldus uitgelegd dat de schade die zij vordert bestaat uit de kosten van herstel van het ingestorte dak en niet de schade betreft die is ontstaan nadat het dak was ingestort (r.o. 3.4). Deze uitleg is niet bestreden, zodat ook het hof deze bij de beoordeling van de vordering tot uitgangspunt neemt.

4.10 In het eindvonnis van 6 december 2006 heeft de rechtbank in verband met de (als enige resterende) primaire grondslag voor de vordering tot maatstaf genomen of voldoende aannemelijk is geworden dat de door [X.] gevorderde schade is veroorzaakt door storm als genoemd onder A.5 van de polisvoorwaarden. Voor het bewijs van de stelling van [X.] dat de schade door de storm is veroorzaakt is naar het oordeel van de rechtbank geen absolute zekerheid vereist (r.o. 2.3). Dit uitgangspunt is niet bestreden, zodat ook het hof dit zal hanteren.

4.11 Grief 1 houdt in dat volgens Interpolis de rechtbank in het tussenvonnis van 9 maart 2005 voor de beantwoording van de vraag of de schade was veroorzaakt door storm als genoemd onder A.5 van de polisvoorwaarden ten onrechte een deskundigenonderzoek nodig heeft geoordeeld. Volgens Interpolis is de instorting van het dak het gevolg van wateraccumulatie die ontstaat door een aan de eigenaar van het pand toe te rekenen fout in de constructie en niet door schadeveroorzakende windkracht of onvoorzien het pand binnendringende neerslag. Er is volgens

Interpolis daarom geen sprake van een onder de polis gedekt evenement, zodat de vordering terstond en zonder deskundigenbericht afgewezen had moeten worden.

4.12 Het hof deelt dit standpunt van Interpolis niet. In verband met de opgetreden schade hebben beide partijen eigen deskundigen ingeschakeld en door hen expertiserapporten laten opstellen. Partijen hebben deze ter onderbouwing van hun standpunten in het geding gebracht. Naar het oordeel van het hof kon op basis van de door partijen naar voren gebrachte feiten en omstandigheden en de door hen overgelegde producties, waaronder bedoelde expertiserapporten, niet zonder meer worden vastgesteld welk van beide standpunten als het juiste aangemerkt kan worden. Waar de vraag of de storm al dan niet als schadeveroorzakend element gezien dient te worden een vraag van technische aard is, ligt het voor de hand dat de rechtbank zich voorzag van voorlichting door een of meer onafhankelijke deskundigen en daartoe een deskundigenonderzoek liet plaatsvinden. Het staat de rechter vrij om wanneer daartoe aanleiding bestaat een deskundigenonderzoek te doen plaatsvinden. De omstandigheden die Interpolis in dit verband naar voren heeft gebracht rechtvaardigen niet de conclusie dat daartoe in dit geval geen enkele aanleiding was. Grief 1 wordt verworpen.

4.13 Grief 2 betreft de benoeming van de deskundigen bij tussenvonnis van 7 december 2005 die in het tussenvonnis van 26 oktober 2005 waren voorgesteld.

4.14 De rechtbank heeft bedoelde deskundigen benoemd na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld – die zij ook hebben benut – zich daarover uit te laten. Artikel 194 lid 2 Rv bepaalt dat tegen deze benoeming geen hogere voorziening open staat. Hierop strandt grief 2.

4.15 Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het op grond van het deskundigenrapport voldoende aannemelijk is dat de schade is veroorzaakt door storm als in de polisvoorwaarden gedekt evenement en tegen de hierop gebaseerde toewijzing van de vordering van [X.]. Volgens Interpolis had de vordering van

[X.] moeten worden afgewezen of hadden nieuwe deskundigen benoemd moeten worden.

4.16 Interpolis stelt zich in de toelichting op deze grief op het standpunt dat de conclusies van de deskundigen in overwegende mate zijn gebaseerd op gissingen en op veronderstellingen. Volgens Interpolis is sprake geweest van het langzaam aan ontstaan van schade door een verkeerde constructie van het dak en doordat het water niet via de daarvoor juist bestemde noodafvoeren (of over de dakrand) weg kon. Dáárin is volgens Interpolis de oorzaak van het instorten gelegen waarbij de wind hooguit een ondergeschikte rol heeft gespeeld. Hierbij tekent Interpolis aan dat in het deskundigenrapport niet duidelijk is op welk weerrapport de deskundigen zich gebaseerd hebben. Het dak zou het gezien de extreme neerslag hoe dan ook hebben begeven, aldus Interpolis.

4.17 [X.] heeft de kritiek van Interpolis op het deskundigenrapport bestreden. Volgens [X.] zijn de conclusies van de deskundigen voldoende onderbouwd en was er geen sprake van een verkeerde constructie van het gebouw. Dat aspect zou volgens [X.] overigens onder de 'eigen gebrek clausule' van de polisvoorwaarden vallen.

4.18 Aan de deskundigen zijn de volgende vragen voorgelegd:

1. Wat is naar uw oordeel de oorzaak of zijn de oorzaken voor het instorten van het dak van het aan [X.] toebehorende bedrijfsgebouw aan de [A-weg] in de nacht van 4 op 5 juli 1999?

2. Zou het dak ook zijn ingestort indien er geen sprake zou zijn geweest van storm?

3. Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord, welke invloed heeft de wind naar uw oordeel op het instorten van het dak gehad?

4. Welke opmerkingen zijn naar uw oordeel verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing?

4.19 De deskundigen hebben in hun rapport aangegeven over welke informatie zij beschikten, tot welke feitelijke bevindingen zij zijn gekomen aan de hand van de beschikbare informatie en uitgevoerde computersimulaties, welke scenario's mogelijk zijn en tot welke antwoorden een en ander leidt.

4.20 Bij hun beantwoording van vraag 1 geven de deskundigen aan het dak is ingestort doordat het fenomeen wateraccumulatie optrad, met dien verstande dat het water een bij de betreffende dakconstructie kritische hoogte overschreed. Deze overschrijding kan zijn opgetreden met of zonder invloed van de wind. Bij vraag 2 geven de deskundigen aan dat er een scenario denkbaar is waarbij het dak ook zonder storm zou zijn ingestort en dat er scenario's denkbaar zijn waarbij wind leidde tot instorting.

4.21 Bij vraag 3 geven de deskundigen het volgende antwoord:

"De invloed van wind op het instorten van het dak kan als volgt zijn geweest:

- Windbelasting (zuiging en druk op het dakvlak) kan de dakvorm ongunstig hebben beïnvloed en daarmee de kritische grens voor wateraccumulatie hebben verlaagd

- Wind kan water tegen het afschot in naar het later ingestorte dakdeel hebben geblazen. Daardoor ontstaat daar een tot twee maal zo hoge watertoevoer, welke kan leiden tot een waterhoogte boven de kritische waarde voor wateraccumulatie

- Wind kan een waterplas langs de dakrand hebben opgestuwd tot boven de kritische waarde voor wateraccumulatie.

Een combinatie van genoemde factioren is uiteraard mogelijk."

4.22 Het antwoord van de deskundigen op vraag 4 luidt:

"Het moge op grond van voorgaande beschouwingen duidelijk zijn dat bij regen en het niet functioneren van de hemelwaterafvoeren, een kritieke situatie ontstaat. Wind maakt deze situatie nog meer kritiek door de eerder genoemde drie invloeden. Wij achten het, mede op grond van het weerrapport, waarschijnlijk dat wind een doorslaggevende rol heeft gespeeld op de instorting. Zonder wind zou de dakconstructie langer in tact zijn gebleven. Het blijft gissen of het dak dan toch zou zijn ingestort omdat aanvoer van water door regen voortging en afvoer onvoldoende was door niet of niet goed functionerende afvoer of dat het dak overeind zou zijn gebleven door afnemende of stoppende toevoer (regen) en/of weer functionerende afvoer."

4.23 Allereerst de opmerking van Interpolis over onduidelijkheid met betrekking tot het weerrapport waar de deskundigen naar verwijzen. Die onduidelijkheid is er niet. Blijkens paragraaf 2.2 van hun rapport betreft het weerrapport waar de deskundigen van uitgaan een opgave van het KNMI. In de procedure is een rapport van het KNMI d.d. 15 juni 2000 overgelegd (prod. 6 inl. dagv.). Het gegeven dat de deskundigen in paragraaf 2.2 vermelden komt overeen met de inhoud van dit rapport van 15 juni 2000. Het ligt dus voor de hand dat de deskundigen dit stuk op het oog gehad hebben. Door Interpolis is niet aangegeven welk ander stuk in het deskundigenrapport eventueel een rol zou kunnen spelen. De brief van het KNMI van 19 april 2000 waar Interpolis naar verwijst, is door haar eerst bij memorie van grieven overgelegd (prod. 5). Het ligt dan ook tevens voor de hand dat de deskundigen zich steeds alleen op het rapport van het KNMI van 15 juni 2000 baseren en niet tevens op enig ander stuk. Door Interpolis is in ieder geval niets gesteld dat enige andere conclusie rechtvaardigt.

4.24 Het hof verwerpt het bezwaar van Interpolis dat het rapport van de deskundigen is gebaseerd op gissingen en veronderstellingen. Het gaat bij een onderzoek in een geval als dit uit de aard der zaak om een reconstructie achteraf van gebeurtenissen en om het vaststellen van de verschillende factoren die een rol kunnen hebben gespeeld bij het instorten van het dak. Gesteld noch gebleken is dat de deskundigen hierbij bepaalde factoren of gebeurtenissen over het hoofd hebben gezien. Het dient er dan ook voor gehouden te worden dat de deskundigen van een zo volledig mogelijk beeld van de situatie zijn uitgegaan. Wanneer de deskundigen verschillende scenario's presenteren blijkt daaruit naar het oordeel van het hof dat zij zich rekenschap hebben gegeven van de verschillende opties die mogelijk zijn bij de situatie die zij onderzoeken. Dat betekent niet dat zij daarmee hun daarna gegeven conclusie ondergraven maar dat zij er blijk van geven oog te hebben gehad voor de verschillende mogelijkheden.

4.25 Met de opzet en de inhoud van hun rapport bieden de deskundigen een adequate onderbouwing voor de beantwoording van de vragen en de conclusies die zij daarbij trekken met betrekking tot de rol die de storm heeft gespeeld. Cruciaal in het rapport van de deskundigen is de conclusie die zij op dat punt formuleren bij de beantwoording van vraag 4: zij achten het waarschijnlijk dat de wind een doorslaggevende rol heeft gespeeld. Dit houdt duidelijk méér in dan het enkel aangeven van een mogelijkheid naast andere mogelijkheden: in de visie van de deskundigen is het gelet op de verschillende opties die zij in hun overwegingen hebben betrokken waarschijnlijk dat de wind een hoofdrol heeft gespeeld. Die visie is duidelijk en voldoende onderbouwd; hetgeen Interpolis naar voren heeft gebracht, zowel in eerste aanleg als nu in hoger beroep, kan daaraan niet afdoen

4.26 In dit geval heeft de storm de schade niet veroorzaakt op een manier zoals het geval is wanneer bijvoorbeeld een schoorsteen wordt omgeblazen. Tot een dergelijk rechtstreeks effect van storm zijn de polisvoorwaarden evenwel ook niet beperkt. Het gaat in dit geval om het effect dat de opgetreden storm heeft gehad op de watermassa die zich op het dak had verzameld en daardoor op het dak zelf. Een dergelijk effect valt binnen het bereik van de polisvoorwaarden. Door Interpolis is in ieder geval niets gesteld dat een andere conclusie rechtvaardigt.

4.27 De slotsom is dat het meest waarschijnlijk is dat de storm de oorzaak is van het instorten van het dak. Naar de maatstaf die hiervoor onder 4.10 is vermeld is hiermee voldoende aannemelijk geworden dat de door [X.] gevorderde schade is veroorzaakt door storm als genoemd onder A.5 van de polisvoorwaarden.

4.28 Interpolis heeft gewezen op de uitkomst van een procedure over het instorten van een dak tussen Transcargo BV en Interpolis, waarin ir. W.M. Faas als deskundige is opgetreden en waarin de vorderingen van Transcargo BV bij vonnis van de rechtbank Breda van 10 november 2004 zijn afgewezen (prod. 3 mvg). Interpolis heeft gewezen op de overeenkomsten tussen het onderwerp van die procedure en dat van de onderhavige zaak. Het gegeven dat tussen beide zaken overeenkomsten bestaan brengt evenwel niet mee dat dit in de onderhavige zaak tot hetzelfde resultaat moet leiden als in het aangehaalde vonnis.

4.29 Bij akte uitlating producties heeft Interpolis een aantal overwegingen aangehaald van een vonnis van de rechtbank Breda van 5 juli 2006. Door Interpolis wordt hierbij in het geheel niet aangegeven in welke zaak dit vonnis is gewezen, zodat reeds om deze reden aan dit citaat voorbijgegaan dient te worden. Daar komt bij dat dit vonnis, zoals Interpolis aangeeft, inmiddels is vernietigd zodat geheel ongewis is welk argument Interpolis eraan zou kunnen ontlenen.

4.30 Op grond van bovenstaande overwegingen komt het hof tot de conclusie dat grief 3 wordt verworpen.

4.31 In haar memorie van antwoord heeft [X.] voorwaardelijk een incidentele grief geformuleerd tegen de verwerping van de subsidiaire grondslag voor haar vordering (nr.80-91). Nu de vordering op de primaire grondslag wordt toegewezen behoeft de subsidiaire grondslag, en dus ook deze voorwaardelijke incidentele grief, geen behandeling.

4.32 Nu alle grieven zijn verworpen worden de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd met veroordeling van

Interpolis als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt Interpolis in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [X.] begroot op €1.136,= aan verschotten en op € 3.948,= aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en de Klerk-Leenen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 januari 2009.