Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH9915

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
K08/380
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 12, 167 Sv.

De Nederlandse wetgever heeft bepaald dat er voor het openbaar ministerie geen verplichting bestaat tot vervolging: van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Indien het slachtoffer zich tijdens het voorbereidend onderzoek als benadeelde partij voegt en kenbaar maakt schade te vorderen, is het openbaar ministerie in beginsel echter verplicht dit feit te vervolgen en ten laste te leggen (Aanwijzing Slachtofferzorg, Stcrt. 2004,80). Hiervan kan worden afgeweken op grond van overwegingen van strafprocesrechtelijke aard indien deze van groter gewicht moeten worden geacht te zijn dan het belang van het slachtoffer om zich te kunnen voegen.

Het hof heeft op basis van de voorhanden zijnde stukken vastgesteld dat bewijsbaar is dat beklaagde zich jegens klager schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Klager heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven zich in het kader van de strafprocedure als benadeelde partij te willen voegen en aldus zijn vordering tot schadevergoeding toegewezen te krijgen. Naar het hof heeft begrepen is in de strafzaak tegen beklaagde, waarbij het feit waarvan klager aangifte heeft gedaan ad informandum is gevoegd, nog geen vonnis gewezen.

Het hof vraagt zich mitsdien af in hoeverre het openbaar ministerie, gegeven de mogelijkheden die de officier van justitie in casu ter beschikking staan, in het licht van het hierboven overwogene, overweegt om het eerder ingenomen standpunt ten aanzien van de zaak, waarop het onderhavige beklag betrekking, heeft te herzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K08/0380

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Tussenbeschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 27 januari 2009 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager],

wonende te Haarlem,

hierna te noemen: klager,

over de beslissing van de officier van justitie te Maastricht tot het niet vervolgen van:

[beklaagde],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

hierna te noemen: beklaagde,

wegens oplichting.

De feitelijke gang van zaken.

Op 10 november 2007 heeft klager aangifte gedaan van oplichting, beweerdelijk jegens hem gepleegd door beklaagde.

Op 9 september 2008 is door [medewerker 1] namens de officier van justitie aan klager – zakelijk weergegeven - bericht dat, gelet op het feit dat verdachte meerdere strafbare feiten heeft gepleegd, bij het dagvaarden een keuze is gemaakt uit de gepleegde feiten, hetwelk tot gevolg heeft dat het feit waarvan klager aangifte heeft gedaan niet in de dagvaarding is opgenomen maar wel ter informatie aan de rechter wordt voorgelegd, waardoor klager niet de mogelijkheid heeft om binnen de strafzaak een vordering tot schadevergoeding toegewezen te krijgen.

Hierop heeft klager bij schrijven van 26 september 2008 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 26 september 2008, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 15 november 2008 het hof geraden het beklag af te wijzen.

Op 20 januari 2009 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld. Klager is behoorlijk opgeroepen en heeft schriftelijk per telefax op 16 januari 2009 laten weten dat hij niet aanwezig zal zijn bij de behandeling van het beklag in raadkamer en dat hij zijn klacht handhaaft.

De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het schriftelijk verslag.

De beoordeling.

Klager stelt dat hij op 4 november 2007 2 kaartjes had besteld voor het dansevenement Qlimax per email via www.marktplaats.nl (internet) en op 5 november 2007 een bedrag van EUR 116,45 heeft overgemaakt naar de bankrekening [rekeningnummer] ten name van [persoon 1]. Via email was de afspraak gemaakt dat de kaartjes, zodra beklaagde het bedrag had ontvangen, zouden worden geleverd. Klager heeft de kaartjes echter nimmer ontvangen.

Klager heeft op de site www.internetoplichting.nl gezien dat [persoon 1] meer mensen had opgelicht.

Klager stelt dat beklaagde is gedagvaard tegen 17 september 2008 voor de rechtbank Maastricht en dat gemeld strafbaar feit niet in de dagvaarding van beklaagde is opgenomen maar ad informandum is gevoegd, waardoor klager de mogelijkheid wordt ontnomen om zich in het kader van de strafprocedure als benadeelde partij te voegen en op die manier zijn vordering tot schadevergoeding toegewezen te krijgen.

Klager is het niet eens met de door het openbaar ministerie gemaakte keuze en de gronden waarop het openbaar ministerie de keuze heeft gebaseerd.

Uit het dossier blijkt dat de aangifte van klager betrokken is bij een groter onderzoek naar zogenaamde internetoplichting, in welke kader beklaagde als verdachte is aangemerkt.

Beklaagde heeft tegenover de politie verklaard dat hij, onder verschillende namen en met gebruikmaking van verschillende (email)adressen en bankrekeningen, gedurende 1 tot 2 jaar veel mensen heeft opgelicht via internet, door op de site www.marktplaats.nl goederen te koop aan te bieden terwijl hij die goederen niet in zijn bezit had, waarbij hij onder meer gebruik maakte van bankrekeningnummer [rekeningnummer].

Beklaagde heeft voorts bekend dat hij zich jegens klager schuldig heeft gemaakt aan oplichting door met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, onder een valse naam aan klager goederen, die hij niet in zijn bezit had en ook niet van plan was te leveren, aan te bieden en met klager een koopovereenkomst te sluiten en de daarop betrekking hebbende betaling door klager in ontvangst te nemen en te behouden.

Beklaagde is gedagvaard om op 17 september 2008 voor de rechtbank Maastricht te verschijnen, ter zake van een vijftal oplichtingszaken terwijl op de dagvaarding tevens 10 feiten ad informandum zijn opgenomen, waaronder het feit waarvan klager aangifte heeft gedaan (feit 7 met parketnummer [parketnummer]). Uit het dossier blijkt dat de zaak tegen beklaagde ter terechtzitting van 17 september 2008 werd aangehouden tot 28 november 2008.

Blijkens het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie van het arrondissement Maastricht past deze wijze van afdoening van de zaak binnen het vigerende strafvorderingskader en overeenkomt met de afspraken die met de rechtbank Maastricht zijn gemaakt.

Tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken dat het hof het wenselijk acht, alvorens een definitieve beslissing in deze zaak te nemen, nader geïnformeerd te worden omtrent de afwikkeling van de strafzaak van beklaagde, waarbij de zaak waarin klager aangifte heeft gedaan ad informandum is gevoegd.

In verband met het spoedeisende karakter van het hierna te formuleren verzoek van het hof aan de advocaat-generaal, heeft het hof besloten om bij vervroeging uitspraak te doen.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

De Nederlandse wetgever heeft bepaald dat er voor het openbaar ministerie geen verplichting bestaat tot vervolging: van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Indien het slachtoffer zich tijdens het voorbereidend onderzoek als benadeelde partij voegt en kenbaar maakt schade te vorderen, is het openbaar ministerie in beginsel echter verplicht dit feit te vervolgen en ten laste te leggen (Aanwijzing Slachtofferzorg, Stcrt. 2004,80). Hiervan kan worden afgeweken op grond van overwegingen van strafprocesrechtelijke aard indien deze van groter gewicht moeten worden geacht te zijn dan het belang van het slachtoffer om zich te kunnen voegen.

Het hof heeft op basis van de voorhanden zijnde stukken vastgesteld dat bewijsbaar is dat beklaagde zich jegens klager schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Klager heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven zich in het kader van de strafprocedure als benadeelde partij te willen voegen en aldus zijn vordering tot schadevergoeding toegewezen te krijgen. Naar het hof heeft begrepen is in de strafzaak tegen beklaagde, waarbij het feit waarvan klager aangifte heeft gedaan ad informandum is gevoegd, nog geen vonnis gewezen.

Het hof vraagt zich mitsdien af in hoeverre het openbaar ministerie, gegeven de mogelijkheden die de officier van justitie in casu ter beschikking staan, in het licht van het hierboven overwogene, overweegt om het eerder ingenomen standpunt ten aanzien van de zaak, waarop het onderhavige beklag betrekking, heeft te herzien.

Gelet op alle voorhanden stukken, alsmede op het verhandelde in raadkamer, acht het hof het raadzaam, alvorens te beslissen, de behandeling van het klaagschrift voor onbepaalde tijd aan te houden teneinde de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen dienaangaande navraag te doen bij de officier van justitie. Het hof verzoekt de advocaat-generaal van zijn bevindingen nader verslag te doen.

Het hof houdt daartoe de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aan.

Klager zal voor een nader te bepalen zitting worden opgeroepen.

De beslissing.

Het hof houdt de behandeling van de zaak aan, één en ander zoals hierboven overwogen.

Aldus gegeven door

mr. F. van Beuge, als voorzitter,

mr. A. de Lange en mr. F.J.M. Walstock, als raadsheer,

in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. Tappenbeck, als griffier,

op 27 januari 2009.