Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH9869

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
20-001462-08 OWV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ivm onvoldoende causaal verband tussen de ontvangen huurpenningen en het bewezen verklaarde feit.

De door veroordeelde (verhuurder woning) van de huurder ontvangen huurpenningen waren gebaseerd op een huurovereenkomst die was aangegaan ruim vóórdat de huurder met de teelt van hennepplanten was begonnen. De grondslag van de huurovereenkomst was aldus niet gebaseerd op de door de huurder te ontplooien criminele activiteiten. Dit werd niet anders toen veroordeelde op de hoogte raakte van deze hennepkwekerij.

De vermogensvermeerdering van veroordeelde is derhalve niet voortgevloeid uit de strafbare gedraging en kan daarom niet worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001462-08 OWV

Uitspraak : 27 maart 2009

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 4 april 2008 op de vordering ex artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 04-850977-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1976],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 maart 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen, waarbij het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat is vastgesteld op EUR 2.350,-- en waarbij veroordeelde ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, is verplicht tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Vonnis waarvan beroep

De beroepen beslissing zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

De redengeving

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 27 maart 2009 (parketnummer 20-001114-08) terzake van het in de periode van mei 2007 tot en met 18 september 2007 medeplichtig zijn aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot straf.

Anders dan de eerste rechter en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat veroordeelde uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

Het hof overweegt daartoe als volgt. De door veroordeelde van de huurder [naam huurder] ontvangen huurpenningen terzake de woning aan de [adres] te [woonplaats], waren gebaseerd op een huurovereenkomst die was aangegaan ruim vóórdat [naam huurder] met de teelt van hennepplanten was begonnen. De grondslag van de huurovereenkomst was aldus niet gebaseerd op de door [naam huurder] te ontplooien criminele activiteiten. Dit werd niet anders toen veroordeelde in mei 2007 op de hoogte raakte van deze hennepkwekerij.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen de ontvangen huurpenningen en het bewezen verklaarde strafbare feit.

De vermogensvermeerdering van veroordeelde is derhalve niet voortgevloeid uit de strafbare gedraging en kan daarom niet worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

De vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van het openbaar ministerie moet derhalve worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. J. Buhrs en mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 27 maart 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. P.H.P.H.M.C. van Kempen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.