Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH9850

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
20-001839-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 18.18 Wet milieubeheer. Naar het oordeel van het hof kan verdachte kan noch in haar hoedanigheid van huurder, noch in die van 'loonwerker' in casu strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het niet naleven van voorschriften verbonden aan de vergunning die aan [bedrijf 1], zijnde de verhuurder respectievelijk opdrachtgever, was verleend. Volgt vrijspraak.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 18.18
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2009, 33K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001839-08

Uitspraak : 13 maart 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

Gewezen - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de Rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 november 2004, parketnummer 01-075210-04 in de strafzaak tegen:

de besloten vennootschap [verdachte],

statutair gevestigd te [plaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 15 april 2008 - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd, dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het impliciet primair ten laste gelegde (het medeplegen van de opzet-variant) zal veroordelen tot een geldboete van EUR 2.000,-.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 21 augustus 2003 te Helmond, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), terwijl aan [bedrijf 1] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Helmond bij besluit van 24 november 1998 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [adres], kadastraal bekend gemeente Helmond, oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in Categorie 7 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich, al dan niet opzettelijk, heeft/hebben gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers

- werden, terwijl zich een onvoorziene gebeurtenis had voorgedaan waardoor hinderveroorzakende stoffen buiten de inrichting waren gekomen, niet onmiddellijk maatregelen getroffen om zoveel mogelijk de gevolgen te beperken en/of werd hiervan niet terstond kennis gegeven aan het bevoegd gezag en/of de gemeentelijke brandweer en/of

- werden mankementen en/of lekkages welke schade of hinder voor de omgeving tot gevolg hadden, niet zo snel mogelijk ongedaan gemaakt en/of

- geschiedde het pompen van producten in of uit een tank niet zoveel mogelijk zonder lekken of morsen en/of werd gemorst product niet direct verwijderd en opgeslagen in een afgesloten vat of container, immers werd product overgepompt middels een slang welke lekte waardoor product in een put terecht kwam en/of

- werden in het openbaar riool voor de afvoer van hemelwater (schoonwaterriool) andere afvalwaterstromen gebracht dan vergund, immers werd in het openbaar riool voor de afvoer van hemelwater meststof en/of Gevakal gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder impliciet primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken:

a. aan [bedrijf 1] is door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Helmond bij besluit van 24 november 1998 een vergunning verleend krachtens de Wet milieubeheer tot het in die gemeente in of op het perceel [adres], kadastraal bekend gemeente Helmond, oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in Categorie 7 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer;

b. in de periode van 18 augustus 2003 tot en met 21 augustus 2003 huurde verdachte twee opslagsilo’s van [bedrijf 1], met respectievelijk de nummers V 210 en V 220, voor de opslag van Gevakal (een vloeibare meststof);

c. de genoemde opslagsilo’s bevonden zich op het perceel van [bedrijf 1] aan [adres] te Helmond en waren eigendom van [bedrijf 1];

d. op 18 augustus 2003 hebben personeelsleden van [bedrijf 1] geconstateerd, dat uit de twee genoemde opslagsilo’s een bruine vloeistof lekte, op een wijze die wordt omschreven als “zweten”;

e. [naam directeur bedrijf 1], directeur van [bedrijf 1], heeft hierop diezelfde dag contact opgenomen met [naam vertegenwoordiger verdachte], vertegenwoordiger van verdachte, om dit te melden en om - zo stelt verdachte - verdachte opdracht te geven de vloeistof tegen betaling met eigen materiaal over te pompen naar een derde silo op het perceel van [bedrijf 1]. Deze silo was eveneens eigendom van [bedrijf 1];

f. de reden dat [naam directeur bedrijf 1] verdáchte opdracht heeft gegeven om de vloeistof over te pompen, is, aldus verdachte, (mede) gelegen in het feit dat verdachte de vloeistof met eigen materieel kon overpompen, opdat “vervuiling” van de vloeistof, waardoor deze voor verdachte waardeloos zou worden, kon worden voorkomen;

g. personeel van verdachte is diezelfde dag, 18 augustus 2003, naar het perceel van [bedrijf 1] gereden en is gestart met het overpompen van de vloeistof naar genoemde derde silo. Dit betrof een silo die niet door verdachte werd gehuurd;

h. het perceel van [bedrijf 1] was alleen tussen 07.00 uur en 17.00 uur voor (personeel van) verdachte toegankelijk;

i. het “zweten” van de opslagsilo’s was het gevolg van een of meer mankementen aan de opslagsilo’s;

j. in de tussen [bedrijf 1] en verdachte gesloten huurovereenkomst was geen bepaling opgenomen, waarin verwezen werd naar (een deel van) de te dezen relevante vergunningsvoorschriften van [bedrijf 1];

k. verdachte stelt niet bekend te zijn met de voorschriften verbonden aan de aan [bedrijf 1] krachtens de Wet milieubeheer door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Helmond verleende vergunning. In het dossier zijn geen aanknopingspunten die wijzen op het tegendeel.

Uit het vorenstaande blijkt, dat verdachte in twee hoedanigheden bij deze zaak is betrokken: enerzijds als huurder van de opslagsilo’s, anderzijds als ‘loonwerker’ voor het overpompen van de Gevakal naar een derde silo.

Vooropgesteld wordt dat op geen enkele wijze is gebleken dat verdachte bekend was met de voorwaarden verbonden aan de meergenoemde aan [bedrijf 1] verleende vergunning.

Niet kan worden aangenomen, dat op verdachte in zijn hoedanigheid van huurder van de silo’s, die hij als professionele marktspeler huurde van een andere professionele marktspeler, een informatieplicht c.q. onderzoeksplicht rustte naar de vergunningsvoorschriften waaraan de verhuurder gebonden was. Verdachte mocht voorts - in beginsel - ervan uitgaan, dat de verhuurder zich er niet alleen van zou vergewissen of hij, verhuurder, op grond van de hem verleende vergunning(en) gerechtigd was tot het opslaan van Gevakal, maar ook dat de verhuurder zich gedurende de opslag daarvan zou gedragen conform de vergunningsvoorschriften behorende bij de meergenoemde vergunning. Van bijzondere omstandigheden waarom dit in casu voor verdachte anders zou zijn, is niet gebleken.

Voorts kan evenzeer niet worden aangenomen, dat op verdachte in zijn hoedanigheid van ‘loonwerker’, waarbij hij als professionele marktspeler een opdracht uitvoerde ten behoeve van een andere professionele marktspeler, een informatieplicht c.q. onderzoeksplicht rustte naar de vergunningsvoorschriften waaraan de opdrachtgever gebonden was. Verder mocht verdachte er - in beginsel - van uitgaan dat de opdrachtgever aan hem, verdachte, aanwijzingen zou geven met betrekking tot de wijze waarop de opdracht moest worden uitgevoerd c.q. instanties die zouden moeten worden gewaarschuwd, indien de vergunningsvoorwaarden, verbonden aan de vergunning van de opdrachtgever, daartoe aanleiding zouden geven. Van bijzondere omstandigheden waarom dit in casu voor verdachte anders zou zijn, is niet gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan verdachte - gelet op het vorenstaande - noch in haar hoedanigheid van huurder, noch in die van ‘loonwerker’ strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het niet naleven van voorschriften verbonden aan de vergunning die aan [bedrijf 1], zijnde de verhuurder respectievelijk opdrachtgever, was verleend. Derhalve kan niet bewezen worden dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Nu ook niet is gebleken van een strafrechtelijk relevante samenwerking met betrekking tot het ten laste gelegde tussen verdachte en de vergunninghouder [bedrijf 1], kan evenmin worden bewezen dat verdachte het feit heeft medegepleegd.

Een en ander heeft te gelden voor zowel de ten laste gelegde opzettelijke als de niet opzettelijke variant.

Verdachte dient derhalve van de gehele tenlastelegging te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder impliciet primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend, voorzitter,

mr. J.A. van Zon en mr. G.P.M.F. Mols,

in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes, griffier,

en op 13 maart 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.