Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH7958

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
HV 200.017.510
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging hoofdverblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

EB

24 maart 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer HV 200.017.510

Zaaknummer eerste aanleg 173468 / FA RK 08-1753

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna: de vader,

advocaat: M.J. van de Laar,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. M. Lochte, opgevolgd door mr. J.J.J.M. van Ruth.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 12 augustus 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 31 oktober 2008, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen wordt gewijzigd en bij de vader zal komen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 november 2008, heeft de moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans dit beroep als zijnde ongegrond en onbewezen af te wijzen.

De moeder heeft voorts incidenteel appel ingesteld en daarbij verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover de vader daarbij in zijn verzoek is ontvangen en opnieuw rechtdoende de vader alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek.

2.3. De behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden op 17 februari 2009.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. P.J.A. van de Laar;

- de moeder, bijgestaan door mr. J.J.J.M. van Ruth;

- mevrouw Kalfsen, namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift, het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel;

- de brief van de raad van 22 november 2008;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder van 20 januari 2009;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man van 2 februari 2009;

- de brief van mr. J.J.J.M. van Ruth van 17 februari 2009;

- een vijftal schriftjes namens de vader op 2 februari 2009 ter griffie van het hof gedeponeerd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel.

4. De beoordeling

4.1. Partijen hebben gedurende drie jaar een affectieve relatie gehad, welke relatie in februari 2003 is beëindigd.

Uit deze relatie zijn geboren:

- [A.], te [geboorteplaats] op [geboortejaar] (hierna: [A.]) en,

- [B.], te [geboorteplaats] op [geboortejaar] (hierna: [B.]).

[A.] en [B.] zijn door de vader erkend en partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. [A.] en [B.] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.

Bij beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 7 augustus 2007 is tussen de man en de kinderen een ruime omgangsregeling vastgesteld.

4.2. Bij verzoekschrift van 26 maart 2008 heeft de vader de rechtbank verzocht te bepalen dat het hoofdverblijf van [A.] en [B.] bij hem zal zijn.

De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader afgewezen en daartoe - ondermeer - het volgende overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat de kinderen thans in de eerste plaats behoefte hebben aan rust en stabiliteit en dat het juist in die situatie - waarbinnen de kinderen betrokken zijn bij hulpverleningstrajecten - bij voorkeur geen verandering in hun hoofdverblijf behoort te worden aangebracht. Daarbij komt dat naar het oordeel van de rechtbank de door de vader aangevoerde gronden onvoldoende zwaarwegend zijn, om daarop de ingrijpende beslissing tot wijziging van het hoofdverblijf te rechtvaardigen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de moeder zich inspant om de kinderen het nodige te bieden. Volgens de rechtbank moet worden geoordeeld dat de resultaten van de hulpverlening behoren te worden afgewacht. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen hun verantwoordelijkheid als ouders van [A.] en [B.] zullen nemen en de door de hulpverlening te geven adviezen ter harte zullen nemen. De rechtbank volhardt bij haar oordeel, zoals vervat in de op 7 augustus 2007 tussen partijen gegeven beschikking, dat partijen zich dienen in te spannen om vanuit hun ouderlijke verantwoordelijkheid hun kinderen zoveel mogelijk te vrijwaren van hun onderlinge problematiek.

Zowel de vader als de moeder kan zich niet met deze beslissing verenigen en zij komen hiervan in hoger beroep.

4.3. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen overweegt het hof als volgt.

4.3.1. Ter zitting heeft de advocaat van de moeder namens de moeder haar incidentele beroep ingetrokken. Het hof zal de moeder, bij gebreke van enige grief, niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.

4.3.2. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen heeft afgewezen. Hetgeen de vader in zijn beroepschrift heeft gesteld doet hieraan niet af.

Hoewel aan de vader kan worden toegegeven dat er bij de kinderen, en dan met name bij [A.], sprake is van een bepaalde problematiek, is het hof evenwel uit de overgelegde stukken gebleken dat het voornamelijk kindeigen problematiek betreft en dat deze problematiek versterkt wordt door de onderlinge -slechte- verhouding van de ouders. Wijziging van het hoofdverblijf zal, naar het oordeel van het hof, daarin dan ook niet het door de vader gewenste effect sorteren.

Het is het hof voorts uit hetgeen door de vader in hoger beroep naar voren is gebracht en dan met name uit de door hem in het geding gebrachte “omgang”schriftjes gebleken dat de vader de moeder diskwalificeert in haar moederrol. Gelet hierop acht het hof het risico dan ook aanwezig dat wanneer de kinderen het hoofdverblijf bij de vader hebben, het contact tussen de kinderen en de moeder door de vader zal worden beperkt waardoor het loyaliteitsconflict van de kinderen zal toenemen. Dit is niet in het belang van de kinderen te achten. De moeder is daarentegen meer in staat om vader die rol te geven die hem toekomt. Zo heeft ondermeer de moeder de vader betrokken bij de door haar opgestarte vrijwillige hulpverlening. Ook om deze reden acht het hof een wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen in de door de vader gewenste zin niet in hun belang.

Op grond van het bovenstaande zal het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 augustus 2008;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 augustus 2008.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Waaijers en Van der Linden, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2009.