Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH7873

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
08/00218
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in november 2006 een aanmerkelijk belangwinst van € 333.049,- gerealiseerd en ontvangt een voorlopige aanslag met een heffingsrente van € 2.645,-. Belanghebbende stelt dat het onredelijk is dat hij heffingsrente moet betalen over de periode vanaf 1 juli 2006 , terwijl hij de betreffende AB-winst eerst in november heeft gerealiseerd. Het Hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank, waarin is vastgelegd dat uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 30f AWR blijkt dat dit verschijnsel door de wetgever is onderkend, maar dat een berekeningswijze die met dit verschijnsel rekening zou houden te gecompliceerd werd gevonden. Het staat de rechter verder niet vrij de billijkheid en de innerlijke waarde van de wet te beoordelen. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0657
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00218

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X

te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 6 maart 2008, nummer AWB 07/2738, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag en beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met nummer 000.00.000.H.60 naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 333.049 waarbij een beschikking heffingsrente is genomen van € 2.645, welke aanslag en beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 107.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 12 december 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende heeft in de loop van november 2006 zijn aandelen in de besloten vennootschap A BV, zijnde een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, vervreemd.

2.2. Op 31 maart 2007 heeft belanghebbende een aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2006 ingediend waarbij een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is aangegeven van € 333.049.

2.3. Met dagtekening 4 mei 2007 is de onderwerpelijke voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 2006 opgelegd, waarbij een beschikking heffingsrente van € 2.645 is genomen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of terecht heffingsrente in rekening is gebracht over de periode van 1 juli 2006 tot het moment van ontvangst van de verkoopbate uit aanmerkelijk belang medio november 2006.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige gedingstukken in hoger beroep, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Weliswaar is de wet correct toegepast maar het stoort mij dat ik rente moet betalen over een bate welke ik nog niet heb ontvangen. Dat vind ik niet redelijk. Andere belastingen kunnen wel eerder betaald worden zodat het rentenadeel achterwege blijft.

Uit telefonische informatie van de belastingtelefoon maakte ik op dat ik gewoon het aangiftebiljet moest afwachten. De omstandigheid dat ik deze materiële belastingschuld voor box 3 niet mag aftrekken acht ik het risico van het vak. Dat vind ik niet zo erg. Het gaat mij enkel om de heffingsrente.

De Inspecteur

Reeds bij het tot stand komen van de wetgeving betreffende de heffingsrente is deze oneffenheid onderkend en bewust voor lief genomen. De heffingsrente is op de juiste hoogte vastgesteld.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag in dier voege dat de heffingsrente wordt verlaagd. De Inspecteur concludeert tot ongegrondheid van het hoger beroep.

4. Gronden

4.1. Het oordeel van de Rechtbank dat blijkens de ontstaansgeschiedenis van artikel 30f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de wetgever rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat bij de berekeningswijze van de heffingsrente geen rekening wordt gehouden met het moment waarop een inkomst wordt genoten, en dat de nadelen die daaraan zijn verbonden door de wetgever van onvoldoende gewicht zijn bevonden om af te zien van invoering van deze praktisch en eenvoudig uit te voeren berekeningswijze (Kamerstukken Tweede Kamer 2004-2005, 29 797, nr. 6, blz. 17), is juist.

4.2. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de wet ter zake correct is toegepast maar dat hij vindt dat de wet onredelijk uitwerkt. Te dier zake heeft te gelden dat een rechter op grond van artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, volgens de wet recht moet spreken en in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Griffierecht

4.4. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Proceskosten

4.5. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond, en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 30 januari 2009 door R.J. Koopman, voorzitter, N. van Beelen en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.