Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH6958

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
HD 103.006.002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mostazo Claro (HvJ EG 26 oktober 2006, NJ 2007, 201) noch de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten leidt in de gegeven omstandigheden tot vernietigbaarheid van het arbitragebeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 233
Burgerlijk Wetboek Boek 6 236
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1052
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 285
TVA 2010, 7
TBR 2009/110
JOR 2009/310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. SB

zaaknr. HD 103.006.002

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

eerste kamer, van 17 maart 2009,

gewezen in de zaak van:

1. [X.],

2. [Y.],

beiden wonende te [woonplaats], Duitsland

appellanten bij exploot van dagvaarding van 2 januari 2008,

advocaat: mr. H. Nieuwenhuizen,

tegen:

1. de besloten vennootschap [Z.] ARCHITECTEN B.V.,

2. [Z.],

gevestigd respectievelijk wonende te [woonplaats],

geïntimeerden bij gemeld exploot,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch gewezen von¬is van 5 december 2007 tussen appellanten – hierna in enkelvoud te noemen [X.] cs - als eisers en geïntimeerden – hierna afzonderlijk te noemen [Z.] Architecten BV en [Z.] en gezamenlijk te noemen [Z.] Architecten cs - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 152272 / HA ZA 06-2603)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 21 maart 2007.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] cs 10 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot vernietiging van het tussen partijen gewezen arbitraal vonnis van 11 oktober 2006. [X.] cs heeft het arbitrale vonnis en de in de arbitrageprocedure gewisselde stukken ter griffie van dit hof gedeponeerd.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Z.] Architecten cs, onder overlegging van één productie, de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.

2.3. [X.] cs heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Hiervoor verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.De grieven richten zich niet tegen de door de rechtbank in rechtsoverweging 2.1. van het bestreden vonnis vastgestelde feiten. Deze feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal de feiten hierna uitgebreider weergeven.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

(i) [X.] cs en [Z.] Architecten hebben op 26 augustus 2003 een overeenkomst van opdracht gesloten tot het verrichten van in die overeenkomst nader omschreven werkzaamheden. In de overeenkomst zijn de standaardvoorwaarden 1997 Rechtsverhouding Opdrachtgever-Architect (de SR 1997) van toepassing verklaard.

(ii) De SR 1997 bevatten een arbitrageclausule, ingevolge welke geschillen zullen worden beslecht door de Stichting Arbitrage-Instituut Bouwkunst.

(iii) Ter beslechting van een geschil over een vordering van [Z.] Architecten tot betaling van € 37.893,17 heeft [Z.] Architecten BV een arbitrageprocedure geëntameerd. Op 15 december 2004 heeft [Z.] Architecten een “memorie van eis” ingediend. [X.] cs heeft in zijn “memorie van antwoord” als primair verweer aangevoerd dat er geen overeenkomst is gesloten met [Z.] Architecten BV en dus ook geen overeenkomst tot arbitrage, zodat het scheidsgerecht onbevoegd is. [Z.] heeft vervolgens een tweede arbitrageprocedure tegen [X.] cs aanhangig gemaakt, die op 6 april 2005 bij het Arbitrage-Instituut is binnengekomen. De beide procedures zijn synchroon voor de arbiter gevoerd.

(iv) Nadat in beide arbitragezaken schriftelijk debat en mondelinge behandeling hadden plaatsgevonden, is op 11 oktober 2006 vonnis gewezen tussen [Z.] Architecten BV en [X.] cs en tussen [Z.] (pro se) en [X.] cs. Bij dit arbitraal vonnis is [X.] cs veroordeeld om aan [Z.] Architecten BV te betalen € 33.093,90, vermeerderd met rente. In de procedure tussen [Z.] en [X.] cs is [Z.] niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering en is de vordering afgewezen. Tegen deze uitspraak stond geen hoger beroep open.

4.3. [X.] cs heeft [Z.] Architecten cs in rechte betrokken en gevorderd dat de rechtbank het tussen [Z.] Architecten BV en [Z.] enerzijds en [X.] cs anderzijds op 11 oktober 2006 gewezen arbitraal vonnis zal vernietigen wegens strijd met de in art. 1065 lid 1 aanhef en onder a., c., d. en e. Rv vermelde gronden.

Nadat [Z.] Architecten cs de vordering gemotiveerd had betwist, heeft de rechtbank de vordering afgewezen, met veroordeling van [X.] cs in de proceskosten.

4.4. Met grief I stelt [X.] cs - in hoger beroep voor het eerst – dat het arbitragebeding een oneerlijk beding is als bedoeld in de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Volgens [X.] cs dient dit oneerlijke beding te worden aangemerkt als onredelijk bezwarend als bedoeld in art. 6:233 BW, althans is het beroep op het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dit betekent dat geen sprake is van een partijen bindende en rechtsgeldige arbitrale uitspraak, zodat het arbitraal vonnis reeds op die grond vernietigd had moeten worden, aldus [X.] cs.

4.5. Het hof overweegt als volgt.

4.5.1. Art. 3 lid 1 van de Richtlijn 93/13/EEG bepaalt dat een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument ernstig verstoort. Het derde lid van art. 3 van de Richtlijn verwijst naar een bij de Richtlijn behorende bijlage, die een indicatieve lijst bevat met bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. In onderdeel q van die bijlage is vermeld dat bedingen die tot doel of tot gevolg hebben “het indienen van beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren, met name door de consument te verplichten zich uitsluitend tot een niet onder een wettelijke regeling ressorterend scheidsgerecht te wenden” een beding is als bedoeld in art. 3 lid 3 van de Richtlijn. Art. 6 lid 1 van de Richtlijn bepaalt dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument de consument niet binden.

4.5.2. In de zaak Mostaza Claro/Centro Móvil Milenium SL, waarin het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) op 26 oktober 2006 arrest heeft gewezen (LJN: AZ3959, NJ 2007, 201), en waarop [X.] cs zich beroept, was door de Spaanse rechter in zijn verwijzingsbeslissing vastgesteld dat de arbitrageovereenkomst een oneerlijk beding bevatte, en dat deze derhalve nietig was. Mostazo Claro had de nietigheid van de arbitrageovereenkomst echter niet in het kader van de arbitrageprocedure opgeworpen, zodat zij zich daarop volgens het Spaanse recht in de toetsingsprocedure in beginsel niet meer kon beroepen. De prejudiciële vraag die aan het Hof werd voorgelegd kwam er op neer of deze procesrechtelijke bepaling in strijd was met de Richtlijn. Het HvJ EG oordeelde dat de Richtlijn 93/13/EEG aldus moet worden uitgelegd dat zij van de nationale rechter die kennis neemt van een beroep tot vernietiging van een arbitraal vonnis verlangt dat hij de nietigheid van de arbitrageovereenkomst beoordeelt, en dat vonnis vernietigt wanneer hij van oordeel is dat deze overeenkomst een oneerlijk beding bevat, ook wanneer de consument de nietigheid niet tijdens de arbitrageprocedure heeft opgeworpen.

4.5.3. Ook het Nederlands procesrecht kent een arbitrale regeling die inhoudt dat een partij die in een arbitraal geding is verschenen, vóór alle weren een beroep op de onbevoegdheid van het scheidgerecht moet doen op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, zulks op straffe van verval van haar recht om op dat ontbreken later, in het arbitraal geding of bij de gewone rechter, alsnog een beroep te doen (art. 1065 lid 2 Rv jo. 1052 lid 2 Rv). Vast staat dat [X.] cs zich in de arbitrageprocedure er niet op heeft beroepen dat het arbitragebeding onredelijk bezwarend (en dus vernietigbaar) of oneerlijk was.

4.5.4. Vooropgesteld dient te worden dat de nationale rechter bij toepassing van het nationale recht dit recht zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken. Deze verplichting tot richtlijnconforme interpretatie wordt evenwel begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht.

4.5.5. De vraag of door restrictieve of verfijnende interpretatie van art. 1052 lid 2 Rv alsnog een richtlijnconform resultaat kan worden behaald behoeft in dezen evenwel geen beantwoording. Zoals het hof hierna zal overwegen, wordt een arbitragebeding naar Nederlands recht in beginsel niet als onredelijk bezwarend aangemerkt en is in het onderhavige geval evenmin sprake van een onredelijk bezwarend beding in de zin van art. 6:233 sub a BW, zodat de arbitrageprocedure anders dan in de zaak Mostazo Claro niet op basis van een nietig (dan wel vernietigbaar) beding is gevoerd.

4.5.6. Zoals het hof hiervoor in rov. 4.5.1. heeft overwogen, bevat de bijlage bij de Richtlijn slechts een indicatieve lijst van oneerlijke bedingen: een beding dat erop voorkomt hoeft niet noodzakelijkerwijs als oneerlijk te worden beschouwd. Het is aan de nationale rechter om uit te maken of een contractueel beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn (HvJ EG 1 april 2004, LJN: AS7517, NJ 2005, 75). Daarover overweegt het hof als volgt.

4.5.7. Op 1 januari 1992 - kort voor de totstandkoming van de Richtlijn 93/13/EEG – is het huidige Burgerlijke Wetboek in werking getreden, waarvan de inhoud mede op de te verwachten inhoud van de Richtlijn is afgestemd. Het Burgerlijk Wetboek bevat een regeling betreffende onredelijk bezwarende bedingen in de artikelen 231-237 van Boek 6 BW. Naar aanleiding van de Richtlijn heeft de regeling bij Wet van 28 oktober 1999 een aantal wijzigingen ondergaan die per 17 november 1999 in werking zijn getreden. De implementatie van de Richtlijn heeft evenwel niet geleid tot aanpassing van art. 6:236 BW.

4.5.8. Art. 6:236 BW bevat een lijst van bedingen (de “zwarte” lijst) die voor zover zij deel uitmaken van algemene voorwaarden in een overeenkomt met een consument steeds als onredelijk bezwarend worden aangemerkt. In art. 6:236 aanhef en sub n BW wordt als een onredelijk bezwarend beding aangemerkt een beding dat voorziet in geschillenbeslechting door een ander dan hetzij de rechter, hetzij een of meer arbiters, tenzij het de wederpartij een termijn gunt van tenminste een maand nadat de gebruiker zich schriftelijk jegens haar op het beding heeft beroepen, om voor beslechting van het geschil door de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen. Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt dat de Nederlandse wetgever uitdrukkelijk een beding dat de beslissing aan arbitrage onderwerpt niet zonder meer als een onredelijk bezwarend beding heeft willen aanmerken: anders dan bij een bindend advies achtte de wetgever de kwaliteit en onpartijdigheid bij arbitrage voldoende gewaarborgd (MvA II, Parl. Gesch. InvW 6, p. 1718). Dit betekent dat de rechter niet op grond van de nationale wetgeving het onredelijk bezwarende karakter van het beding kan aannemen.

4.5.9. Het vorenstaande laat onverlet dat het arbitragebeding onder omstandigheden onredelijk bezwarend kan zijn in de zin van art. 6:233 sub a BW. De stelplicht en bewijslast ter zake rusten op [X.] cs. Het feit dat over de algemene voorwaarden, waarvan het arbitragebeding deel uitmaakt, niet afzonderlijk is onderhandeld, is inherent aan algemene voorwaarden en vormt op zichzelf geen omstandigheid om dit beding als onredelijk bezwarend aan te merken. Ook het feit dat het beding [X.] cs niet de mogelijkheid bood om de zaak voor te leggen aan een gewone rechter is, nu het hier om arbitrage ging, onvoldoende om aan te nemen dat het beding in het onderhavige geval onredelijk bezwarend is. Blijkens de bewoordingen van art. 6:236 aanhef en sub n BW heeft de wetgever het juist alleen bij beslechting van een geschil in handen van een ander dan een rechter of arbiter onredelijk bezwarend geacht als de consument niet (tenminste een maand) de mogelijkheid had om voor de gewone rechter te kiezen. Het feit dat arbitrage in de regel uiterst kostbaar is, is evenmin voldoende om aan te nemen dat het beding in het onderhavige geval onredelijk bezwarend is (vgl HR 21 maart 1997, NJ 1998, 219). Dat zou slechts anders kunnen zijn indien degene die het voorschot in het kader van de arbitrageprocedure zou moeten voldoen, hiertoe niet in staat zou zijn waardoor in het geheel geen procedure zou kunnen worden gevoerd, hetgeen in casu gesteld noch gebleken is. Ook zijn geen andere omstandigheden gebleken die het beding oneerlijk doen zijn.

4.5.9. De conclusie is derhalve dat het arbitragebeding in het onderhavige geval niet onredelijk bezwarend en dus niet vernietigbaar is, zodat de arbitrageprocedure hoe dan ook op basis van een geldig arbitragebeding is gevoerd. De door [X.] cs gestelde feiten leiden evenmin tot het oordeel dat het beroep op het arbitragebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.5.10. Zoals hiervoor reeds is overwogen behoeft de vraag of art. 1052 lid 2 Rv er aan in de weg staat dat het beroep op de onbevoegdheid van de arbiter in verband met de nietigheid (vernietigbaarheid) van het arbitragebeding eerst bij de rechter is opgeworpen, derhalve geen beantwoording. Grief I faalt dus.

4.6. Met grief II stelt [X.] cs opnieuw aan de orde dat tussen [Z.] Architecten BV en [X.] cs geen overeenkomst is gesloten en dat tussen deze partijen aldus een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, zodat het arbitrale vonnis op grond art. 1065 lid 1 aanhef en onder a Rv vernietigbaar is.

4.7. Het hof overweegt als volgt.

4.7.1. Ingevolge art. 1053 Rv dient de overeenkomst tot arbitrage als een afzonderlijke overeenkomst te worden beschouwd en dient het scheidsgerecht de rechtsgeldigheid van de hoofdovereenkomst (de overeenkomst van opdracht) separaat van de rechtsgeldigheid van de in verband met die hoofdovereenkomst gesloten arbitrageovereenkomst (in casu het arbitragebeding dat deel uitmaakt van de op de hoofdovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden) te beoordelen. Art. 1053 Rv. strekt er toe te voorkomen dat het scheidsgerecht zich onbevoegd moet verklaren als een partij zich (volgens het scheidsgerecht terecht) beroept op de ongeldigheid van de hoofdovereenkomst waarvan het arbitragebeding deel uitmaakt. Naar het oordeel van het hof dient de in art. 1053 Rv. neergelegde separabiliteitsleer ook te worden toegepast indien door een partij wordt betoogd dat tussen partijen geen hoofdovereenkomst bestaat.

4.7.2. Uit voorgaande volgt aldus dat, anders dan [X.] cs stelt, vernietiging van het arbitraal vonnis op grond van art. 1065 lid 1 onder a Rv slechts kan plaatsvinden indien een geldig arbitragebeding tussen partijen ontbreekt, hetgeen zoals hiervoor reeds in grief I aan de orde is geweest niet het geval is, en ook overigens door [X.] cs in de arbitrageprocedure niet aan de orde is gesteld.

4.7.3. De vraag met welke partij [X.] cs de hoofdovereenkomst heeft gesloten, [Z.] Architecten BV of [Z.], ziet naar het oordeel van het hof dus niet op de vraag of de arbiter bevoegd was van het geschil kennis te nemen, maar betreft een materieel aspect van het geschil, op welk punt de arbiter in het arbitraal vonnis een gemotiveerd oordeel heeft gegeven. Voor zover [X.] cs mocht hebben bedoeld de door hem gevorderde vernietiging van het arbitraal vonnis tevens te baseren op art. 1065 lid 1 onder d Rv op de grond dat het vonnis op dit punt niet met redenen is omkleed, faalt zulks. Volgens vaste rechtspraak (laatstelijk HR 22 december 2006, LJN: AZ1593, NJ 2008, 4) komt de rechter niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen. De rechter dient slechts in sprekende gevallen in te grijpen in arbitrale beslissingen: vernietiging van een arbitraal vonnis op de in art. 1065 lid 1 onder d Rv vermelde grond is uitsluitend mogelijk indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld.

4.7.4. De arbiter heeft met betrekking tot dit geschilpunt als volgt overwogen:

“Naar aanleiding van het beroep op niet ontvankelijkheid van de opdrachtgevers heeft de architect eveneens op eigen naam een vordering ingesteld tegen de opdrachtgevers. Gesteld voor de vraag welke van de partijen – het architectenbureau of de architect in persoon – ontvankelijk is, stelt arbiter vast dat de overeenkomst tussen partijen is gesloten op naam van “[Z.] Architecten”. Blijkens de inschrijving in de Kamer van Koophandel is dit de handelsnaam van de besloten vennootschap “…. B.V.”. Dit betekent dat het architectenbureau ontvankelijk is in haar vordering. Spiegelbeeldig is de architect in persoon derhalve niet ontvankelijk en zal de door hem tegen gedaagde ingestelde vordering mitsdien moeten worden afgewezen.”

De arbiter heeft vervolgens [Z.] niet ontvankelijk verklaard in diens vordering.

4.7.5. Niet in geschil is dat de (schriftelijke) overeenkomst van opdracht is gesloten tussen [X.] cs en [Z.] Architecten, en dat laatstgenoemde daarbij rechtsgeldig werd vertegenwoordigd door M. [Z.]. Het oordeel van de arbiter dat [Z.] Architecten BV als contractspartij van [X.] cs heeft te gelden en de daarbij gegeven motivering acht het hof gezien de bewoordingen van de schriftelijke overeenkomst steekhoudend. Grief II faalt derhalve.

4.8. De grieven III tot en met VII richten zich – kort samengevat – tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is geweest van voeging als bedoeld in art. 17 van het toepasselijke arbitragereglement, en dat de beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het beginsel van hoor en wederhoor, niet zijn geschonden. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling

4.9. Het hof overweegt als volgt.

4.9.1. Art. 17 lid 1 van het arbitragereglement bepaalt dat een derde die belang heeft bij een arbitraal geding kan vorderen zich daarin te mogen voegen. Het vierde lid van art. 17 bepaalt dat het scheidsgerecht op de vordering beslist nadat het partijen in het arbitraal geding heeft gehoord. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht en op goede gronden beslist dat in dezen geen sprake is van voeging in voormelde zin: art. 17 (evenals art. 217 Rv) gaat immers over een derde die zich voegt in een tussen andere partijen aanhangige arbitrageprocedure en zich daarbij aan de zijde van één van de partijen voegt. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake: [Z.] heeft immers bij “memorie van eis” van 5 april 2005 zelfstandig een vordering ingediend tegen [X.] cs.

4.9.2. Vast staat dat de advocaat van [Z.] Architecten cs bij brief van 5 april 2005 de Stichting Arbitrage-Instituut Bouwkunst heeft verzocht beide zaken te voegen. Naar het hof begrijpt betreft het hier een verzoek tot voeging in verband met connexiteit (verknochte zaken). Het arbitragereglement voorziet echter niet in een dergelijke regeling zij het dat, zoals ook blijkt uit de brief van de Stichting Arbitrage-Instituut Bouwkunst van 29 augustus 2005, de arbiter heeft besloten beide procedures gelijktijdig te behandelen en synchroon af te werken (in de dagvaardingprocedure bij de overheidsrechter wordt dit een rolvoeging genoemd). Deze gelijktijdige behandeling ontneemt aan de zaken niet hun zelfstandigheid, zodat het niet noodzakelijk was dat [X.] cs hierover moest worden gehoord. Het zijn immers zelfstandige procedures gebleven, waarin afzonderlijk is geconcludeerd, zodat het voor [X.] cs ook mogelijk was in de respectieve zaken verschillende standpunten in te nemen. De stelling van [X.] cs dat het door de gelijktijdige behandeling van de zaken niet mogelijk was verschillende standpunten in te nemen wordt als niet, althans onvoldoende onderbouwd verworpen. De grieven III tot en met VII falen mitsdien.

4.10. Grief VIII richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat [X.] cs tijdens de mondelinge behandeling van de arbitrageprocedure de gelegenheid heeft gehad om te reageren op een stelling van [Z.] Architecten cs betreffende de sloopopdracht, en dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden. Met grief IX stelt [X.] cs opnieuw aan de orde dat de door de arbiter getrokken conclusie dat “de opdrachtgevers vooralsnog vrede hadden met een investering van €1.800.000” onvoldoende is gemotiveerd. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.11. Het hof overweegt als volgt.

4.11.1. In het arbitrale vonnis (blz. 11) heeft de arbiter ten aanzien van de vraag of [Z.] Architecten cs jegens de opdrachtgevers tekort is geschoten het volgende overwogen:

“Arbiter stelt vast dat partijen op 11 november 2003 overeenstemming hadden over een programma van eisen dat voorzag in een ontwerp van 1400 m3, bouwkosten ad € 730.000 voor de woning en € 30.000 voor een buitenzwembad, met een totaal aan stichtingskosten ter grootte van ruim € 1.400.000. Dit plan is vervolgens tot 1 december 2003 geëvolueerd tot een plan met € 2.200.000 aan stichtingskosten.

Bezuinigingen hebben vervolgens geleid tot een ontwerp waarvan de bouwkosten werden geraamd op € 1.041.000 en de stichtingskosten op € 1.800.000.

Arbiter stelt vast dat deze ontwikkeling de opdrachtgevers er niet van weerhouden heeft op 19 januari 2004 reeds aan de aannemer een sloopopdracht voor de bestaande bebouwing te verstrekken.

Dit suggereert dat de opdrachtgevers vooralsnog vrede hadden met een investering van € 1.800.000.

Dat de architect verwijtbaar tekortgeschoten is acht arbiter niet aannemelijk gemaakt.”

4.11.2. [X.] cs stelt dat de arbiter uit het feit dat [X.] cs op 19 januari 2004 de sloopopdracht had verstrekt niet, althans niet zonder [X.] cs te horen over de redenen van de sloopopdracht, de conclusie mocht trekken dat [X.] cs vooralsnog vrede had met een investering van € 1.800.000. Naar ’s hofs oordeel heeft de arbiter het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden nu hij zijn beslissing heeft gebaseerd op stellingen van de partijen waarop zij hebben kunnen reageren. In zoverre treffen de grieven geen doel.

4.11.3. Ook de stelling van [X.] cs dat de door de arbiter getrokken conclusie zodanig onvoldoende is gemotiveerd, en dat zulks dient te leiden tot vernietiging van het arbitraal vonnis op grond van schending van het motiveringsbeginsel als bedoeld in art. 1065 lid 1 onder d Rv faalt. Zoals het hof hiervoor in rov. 4.7.3. heeft overwogen, komt de rechter niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen. Vernietiging van een arbitraal vonnis op de in art. 1065 lid 1 onder d Rv vermelde grond is uitsluitend mogelijk indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld, hetgeen niet het geval is. De grieven VIII en IX falen derhalve.

4.12. Grief X keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat de beantwoording van de vraag of de motivering van de arbiter juist is buiten de toetsingsmogelijkheden van de rechter valt.

4.13. Deze grief is eveneens vruchteloos opgeworpen. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen het hiervoor in rov. 4.11.3. en 4.7.3. reeds heeft overwogen.

4.14. Uit het vorenstaande volgt dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [X.] cs zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 december 2007;

veroordeelt [X.] cs in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [Z.] Architecten cs tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 1.255 aan verschotten en € 1.631 aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Hendriks-Jansen en Riemens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 maart 2009.