Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH6942

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
HV 200.021.552
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek verkrijging eenhoofdig gezag ex artikel 1:253, lid 3 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DvdH

19 maart 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.021.552/01

Zaaknummer eerste aanleg: 438856-OV-07/1146 en 438866-OV-07/1147

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. B.C.M. Wösten,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde sub 1,

hierna te noemen: de vrouw,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven, tevens kantoorhoudende te Tilburg,

geïntimeerde sub 2,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg (hierna: de kantonrechter) van 14 oktober 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 22 december 2008, heeft de man verzocht voormelde beschikking:

- te bekrachtigen voor zover daarbij is bepaald dat de man met het eenhoofdig gezag over de minderjarige [Z.] zal worden belast;

- te vernietigen voor zover de kantonrechter het meer of anders verzochte heeft afgewezen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:

- de man met het eenhoofdig gezag over de minderjarige [A.] zal worden belast;

- de minderjarigen [A.] en [Z.] hun hoofdverblijf bij de man zullen hebben;

- zolang de minderjarigen [A.] en [Z.] hun hoofdverblijf niet bij de man hebben, de omgangsregeling tussen hem en de minderjarige kinderen zal worden uitgebreid, aldus dat de kinderen eenmaal per twee weken van zaterdagochtend 10:00 uur tot zondagavond 19:00 uur bij de man verblijven, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen, dan wel een uitgebreidere regeling die het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 januari 2009, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de man af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. B.C.M. Wösten;

- de vrouw;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw N. Knip;

- de Raad voor de Kinderbescherming, hierna: de raad, vertegenwoordigd door mr. H. Werger.

Tevens was aanwezig als toehoorder mevrouw [B.], de nieuwe partner van de man, met wie hij inmiddels in het huwelijk is getreden.

De familie [C.], hierna te noemen: de pleegouders, zijn, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 13 juni 2007 met als bijlage de zittingsaantekeningen van de griffier;

- het faxbericht van 3 februari 2009 van mevrouw E. Biemans, pleegzorgwerker bij Kompaan.

3. De beoordeling

3.1. De vrouw heeft vanwege haar toenmalige minderjarigheid onder voorlopige voogdij van de stichting gestaan sinds 26 augustus 2002. Deze voorlopige voogdij is op 28 april 2003 gewijzigd in een voogdijmaatregel.

Uit de inmiddels verbroken affectieve relatie van de vrouw met een voor het hof onbekende man is op [geboortejaar] de thans nog minderjarige [A.] (hierna: [A.]) te [geboorteplaats] geboren.

Als gevolg van een gezagsvacuüm is de voogdij over [A.] sinds 4 september 2003 aan de stichting opgedragen.

3.2. De vrouw en de man hebben van mei 2003 tot medio 2005 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is vervolgens op [geboortejaar] de thans nog minderjarige [Z.] (hierna: [Z.]) te [geboorteplaats] geboren. De vrouw is sinds 5 juni 2004 meerderjarig en is sindsdien van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag over [Z.].

Beide kinderen zijn door de man erkend, [A.] op 28 april 2003 en [Z.] op 24 mei 2005.

3.3. [Z.] is bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2006 onder toezicht gesteld van de stichting en uit huis geplaatst in een verblijf bij een pleegoudergezin 24-uurs. Beide maatregelen zijn laatstelijk verlengd tot 12 december 2009 bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2008 (kenmerk 08-3094/409985).

[A.] en [Z.] verblijven sinds mei 2005 in een pleeggezin en sinds 18 november 2005 verblijven zij gezamenlijk in het huidige pleeggezin.

De kinderen hebben één dag in de vier weken structureel contact met zowel de man als de vrouw van 10:00 uur tot 19:00 uur.

3.4.1. De man heeft in eerste aanleg de kantonrechter onder meer verzocht om te worden belast met het gezamenlijk gezag, subsidiair het eenhoofdig gezag over [A.] en [Z.]. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter dit verzoek ten aanzien van [Z.] toegewezen en ten aanzien van [A.] afgewezen. De kantonrechter legt aan de afwijzing ten grondslag dat er op dit moment geen reden bestaat om de gezags- c.q. voogdijsituatie van [A.] te veranderen nu deze op zich stabiel is en het aandeel van de man nog nader vorm moet krijgen.

3.4.2. Tevens heeft de kantonrechter bij de bestreden beschikking het verzoek van de man dat beide kinderen hun hoofdverblijf bij hem zullen hebben alsmede zijn verzoek tot het vaststellen van een (uitgebreidere) omgangsregeling tussen hem en de kinderen, afgewezen. De kantonrechter overweegt daartoe dat gelet op de geconstateerde ontwikkelingen een en ander nog niet in dwingende vorm kan worden voorgeschreven. Deze ontwikkelingen gaan in een richting die de man voorstaat en hij wordt daarom geacht niet te zijn benadeeld door de beslissing op dit punt. Het contact met de kinderen verloopt immers op dit moment naar wens en voorspoedig terwijl er een intensiveringsproces aan de gang is. Dit dient in het belang van alle betrokkenen ongehinderd voort te kunnen gaan, aldus de kantonrechter.

3.4.3. De man kan zich met deze beslissing – voor zover de kantonrechter zijn verzoeken heeft afgewezen – niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. In zijn beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, voert de man – kort samengevat – onder meer aan dat hij geruime tijd met [A.] in gezinsverband heeft geleefd en haar heeft verzorgd en opgevoed; er heeft ‘family life’ bestaan in de zin van artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Nadat de relatie met de vrouw was beëindigd, heeft de man zoveel mogelijk contact met [A.] gehouden en haar – tezamen met [Z.] – ook in vakanties opgevangen. Het zal volgens de man een positieve uitwerking op de verdere ontwikkeling van [A.] hebben wanneer hij wordt belast met het eenhoofdig gezag over haar; ook de raad heeft geadviseerd de man te belasten met het eenhoofdig gezag met name ook over [A.]. De man acht het in het belang van de toekomstige opvoeding van de kinderen dat hij over een aantal zaken van de beide kinderen gelijkelijk kan beslissen.

Ten aanzien van het hoofdverblijf voert de man aan dat hij sinds juni 2006 is getrouwd en vervolgens op 7 juli 2008 een dochtertje heeft gekregen, genaamd [D.]. Met zijn echtgenote is hij in staat om [A.] en [Z.] een goede verzorging en opvoeding te bieden. Gestreefd dient te worden naar een hoofdverblijf van beide kinderen bij de man binnen afzienbare tijd.

Tenslotte stelt de man dat de huidige omgangsregeling onvoldoende is om een goede band met de kinderen op te bouwen.

3.6. De stichting heeft in haar verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, – kort gezegd – gesteld dat zij thans een onderzoeksvraag voorbereidt om duidelijkheid te krijgen over de ontwikkelingsvragen ten aanzien van [A.] en [Z.] en de door de raad aangegeven vragen over de pedagogische vaardigheden van de man en zijn echtgenote, hun inzicht in en kennis over wat de beide kinderen afzonderlijk aan opvoeding vragen. Het is volgens de stichting vooralsnog niet in het belang van [A.] en [Z.] dat zij voor de afronding van dit onderzoek en het beoordelen van de resultaten bij de man gaan wonen.

Ten aanzien van de omgangsregeling voert de stichting aan dat beide kinderen in het jaar 2008 tijdens het sinterklaasweekend en in de kerstvakantie bij de ouders van de man verbleven. Deze bezoeken met overnachtingen vinden gewoonlijk plaats bij de grootouders, omdat de man niet over een eigen woning beschikt. De stichting is van mening dat de omvang van de bezoekregeling uitgebreid kan worden op het moment dat de man over een eigen woning beschikt. De omgangsregeling en een eventuele uitbreiding daarvan moet het belang van de kinderen dienen. Overwegingen zijn daarbij dat een bezoekregeling moet aansluiten bij het huidige karakter van een perspectiefbiedende plaatsing van de kinderen in het pleeggezin en hen niet belast in de continuïteit hiervan, aldus de stichting.

3.7. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man de volgende twee verzoeken ingetrokken:

- zijn verzoek dat [A.] en [Z.] hun hoofdverblijf bij de man dienen te hebben;

- zijn verzoek tot het uitbreiden van de omgangsregeling tussen hem en de kinderen.

3.9.1. Het verzoek van de man tot het verkrijgen van het eenhoofdig gezag over [A.] kan op grond van artikel 1:253c lid 3 Burgerlijk Wetboek – wanneer niet in het gezag is voorzien of wanneer een voogd het gezag uitoefent – slechts worden afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind, in casu [A.], zouden worden verwaarloosd.

3.9.2. Uit het raadsrapport van 14 augustus 2008 blijkt, kort samengevat en voor zover hier van belang, dat de geboden structuur en stabiliteit in het pleeggezin een positieve ontwikkeling heeft op de kinderen. Zij hechten zich thans beiden op een gezonde manier aan hun pleegouders en deze hechtingsrelatie moet verder worden verstevigd; dit is voor hun ontwikkeling van belang. Het contact tussen de man en beide kinderen verloopt goed in een ontspannen sfeer en de man heeft tevens goed contact met het pleeggezin en werkt goed met de pleegouders samen. Verder houdt de man zich aan afspraken en neemt adviezen van de pleegouders over. Uit het raadsrapport blijkt verder dat de man het laatste jaar een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt in zijn vaderrol naar beide kinderen toe. De band tussen beide kinderen en de man is sterker geworden, evenals de band tussen de kinderen en zijn partner. De man heeft volgens de raad voldoende aangetoond en aannemelijk gemaakt dat hij op een goede manier invulling zou kunnen geven aan het gezag. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw de wens uitgesproken dat de man belast wordt met het eenhoofdig gezag over [A.]. Uit het raadsrapport blijkt verder dat de gezinsvoogd de bezoekregeling wil uitbreiden naar één weekend per maand en een deel van de vakanties.

Tot slot is uit het vervolgplan van aanpak ondertoezicht¬stelling van 13 oktober 2008 gebleken dat de langere verblijven van de kinderen bij de ouders van de man steeds beter verlopen, mede door duidelijke adviezen van pleegouders.

3.9.3. De man heeft desgevraagd – hoewel hij bedenkingen heeft over het pleeggezin nu hij met name vermoedt dat, als gevolg van de grote omvang van het pleeggezin, [A.] aandacht te kort komt, – ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij – ook – het verblijf van [A.] in het pleeggezin niet zal beëindigen of op enige andere manier in gevaar zal brengen, wanneer hij zal worden belast met het eenhoofdig gezag over haar. Verder heeft de man verklaard dat hij, hoewel hij graag zijn kinderen frequenter zou willen zien, geen pogingen meer zal ondernemen om een uitbreiding van de omgangsregeling tot stand te brengen. De man heeft begrip getoond voor het traject dat beide kinderen thans doormaken en waarop de omgangsregeling is/wordt ingevuld. Dit traject zullen de kinderen moeten afronden en enige versnelling hiervan is niet in hun belang. De man zal de huidige omgangsregeling – hoe summier hij deze ook vindt – respecteren, hetgeen het hof positief beoordeelt. Het hof geeft de man mee dat zowel de stichting als de raad positief over de man spreekt en dat de positie van de man bij deze instanties duidelijk in beeld is.

Het is aan de stichting, in casu de gezinsvoogdijwerker, om de omgangsregeling op termijn verder uit te breiden wanneer de kinderen hieraan toe zijn. Het hof vertrouwt erop dat de stichting naar de omgangsregeling tussen de man en de kinderen blijft kijken en deze zal uitbreiden wanneer dit op een verantwoorde wijze mogelijk is.

3.9.4. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat – wanneer de man zal worden belast met het eenhoofdig gezag over [A.] – de raad een verzoek strekkende tot zowel verlenging van de ondertoezichtstelling als verlenging van de uithuisplaatsing zal indienen bij de rechtbank. De man heeft verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben.

3.10. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er geen gegronde vrees bestaat dat de belangen van [A.] zouden worden verwaarloosd wanneer de man wordt belast met het eenhoofdig gezag over haar en derhalve zal het hof het verzoek van de man toewijzen per 1 mei 2009. De raad wordt hiermee de gelegenheid geboden om een machtiging strekkende tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ten aanzien van [A.] te verzoeken aan de rechtbank.

Beslist dient te worden als volgt.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg van 14 oktober 2008, voor zover (nog) aan het oordeel van het hof onderworpen en derhalve de kantonrechter het verzoek van de man tot het verkrijgen van het eenhoofdig gezag over [A.] heeft afgewezen;

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat het ouderlijk gezag over [A.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats] aan de man alleen toekomt per 1 mei 2009;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregister een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Breda;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Feith en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2009.