Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH6022

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
20-004260-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwerping verweer dat [naam] en [naam], beiden wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, brigade Hoogerheide, niet bevoegd waren de bestuurder van de personenauto, merk Volkswagen, type Golf, staande te houden en hem vervolgens te vorderen mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht als bedoeld in artikel 160, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, hetgeen tot vrijspraak van verdachte van het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde dient te leiden. Uit de in het arrest opgenomen overwegingen volgt dat naar het oordeel van het hof de staandehouding heeft plaatsgevonden ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, waartoe artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de bevoegdheid verschaft. De staandehouding was derhalve rechtmatig. Na de vorenomschreven staandehouding namen [naam] en [naam] waar dat de adem van de bestuurder riekte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. In de lijn van het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2003 (NJ 2003, 218) was [naam], daartoe aangewezen opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 7 van het Besluit Alcoholonderzoeken, op basis van artikel 163, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 juncto artikel 159 aanhef en onder a van die wet juncto artikel 141 aanhef en onder c van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 1 van de Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke Marechaussee juncto artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b van de Politiewet juncto artikel 6, vierde lid, van die wet na het verkrijgen van verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 naar ’s hofs oordeel bevoegd de bestuurder van de Volkwagen Golf te vorderen zich te onderwerpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994. Verwerping verweer dat de persoon die op 15 november 2006 is aangehouden mogelijk één van de twee broers van verdachte was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-004260-07

Uitspraak : 27 februari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 23 mei 2007 in de strafzaak met parketnummer 02/700031-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1981],

wonende te [woonplaats], Koning Willem II straat 25,

thans uit anderen hoofde verblijvende in Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, niet gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, waarbij verdachte ter zake van “Overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994” (feit 1) en “Overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” (feit 2) werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken en waarbij verdachte ter zake van “Door het bevoegd gezag naar zijn naam gevraagd, een valse naam opgeven” (feit 4) werd veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 2 weken, zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 november 2006 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 360 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op of omstreeks 15 november 2006 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Rijksweg A-4, een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd;

4.

hij op of omstreeks 15 november 2006 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht, toen hij, verdachte, door het bevoegd gezag, te weten een Wachtmeester der Koninklijke Marechaussee (van de Brigade Hoogerheide), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, naar zijn identiteitsgegevens werd gevraagd, een valse naam en/of voorna(a)m(en) en/of geboortedatum heeft opgegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 15 november 2006 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 360 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op 15 november 2006 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Rijksweg A-4, een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd;

4.

hij op 15 november 2006 te Ossendrecht, gemeente Woensdrecht, toen hij, verdachte, door het bevoegd gezag, te weten een Wachtmeester der Koninklijke Marechaussee (van de Brigade Hoogerheide), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, naar zijn identiteitsgegevens werd gevraagd, een valse naam en voornaam en geboortedatum heeft opgegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Van de zijde van verdachte is aangevoerd dat [naam] en [naam], beiden wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, brigade Hoogerheide, niet bevoegd waren de bestuurder van de personenauto, merk Volkswagen, type Golf, staande te houden en hem vervolgens te vorderen mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht als bedoeld in artikel 160, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, hetgeen tot vrijspraak van verdachte van het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde dient te leiden.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Uit het door [naam] en [naam] voornoemd op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal d.d. 12 december 2006, dossiernummer PL275E/06-006274, volgt dat [naam] en [naam] op 15 november 2006 omstreeks 02:40 uur de bestuurder van de Volkswagen Golf, rijdende over de Rijksweg A4 te Ossendrecht, komende uit de richting van België en gaande in de richting van Bergen op Zoom en daarbij de grensovergang passerend, staande hebben gehouden op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000, ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Ingevolge het bepaalde in artikel 46, eerste lid, aanhef en onder a. van de Vreemdelingenwet 2000, zijn de ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee belast met het toezicht op de uitvoering van de Schengengrenscode en de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking.

Artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 luidt, voor zover hier van belang:

“De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn bevoegd, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.”

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat de staandehouding heeft plaatsgevonden ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, waartoe artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de bevoegdheid verschaft. De staandehouding was derhalve rechtmatig.

Na de vorenomschreven staandehouding namen [naam] en [naam] waar dat de adem van de bestuurder riekte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. In de lijn van het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2003 (NJ 2003, 218) was [naam], daartoe aangewezen opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 7 van het Besluit Alcoholonderzoeken, op basis van artikel 163, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 juncto artikel 159 aanhef en onder a van die wet juncto artikel 141 aanhef en onder c van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 1 van de Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke Marechaussee juncto artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b van de Politiewet juncto artikel 6, vierde lid, van die wet na het verkrijgen van verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 naar ’s hofs oordeel bevoegd de bestuurder van de Volkwagen Golf te vorderen zich te onderwerpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof verwerpt het verweer.

Van de zijde van verdachte is voorts aangevoerd dat de persoon die op 15 november 2006 is aangehouden mogelijk één van de twee broers van verdachte was. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en zijn broers qua uiterlijk veel op elkaar lijken, waardoor [naam], die verdachte op 16 november 2006, toen verdachte reeds in vrijheid was gesteld, aan de hand van een foto heeft geïdentificeerd en geen foto’s van de broers van verdachte heeft bekeken, mogelijk ten onrechte heeft geconcludeerd dat de persoon die op 15 november 2006 is aangehouden verdachte betrof.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Nu de verdediging de aan zijn verweer ten grondslag liggende stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd noch anderszins aannemelijk is geworden, verwerpt het hof het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 en strafbaar gesteld bij artikel 176, derde lid, van die wet.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en strafbaar gesteld bij artikel 176, derde lid, van die wet.

Het onder 4 bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 435 aanhef en onder 4º van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, alsmede de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 9 januari 2009 reeds eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten als onder 1 en 2 bewezen zijn verklaard is veroordeeld.

Het hof acht de door de advocaat-generaal gevorderde straffen, zowel wat strafsoort als strafmaat betreft, passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 18, 57, 63 en 435 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

2.

Overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

4.

Door het bevoegd gezag naar zijn identiteitsgegevens gevraagd, een valse naam, voornaam en geboortedatum opgeven.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde:

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Veroordeelt verdachte tot hechtenis voor de duur van 2 (twee) weken.

Aldus gewezen door mr. E.F.G.M. Gelderman, voorzitter, mr. H. Eijsenga en mr. M. van Zinnen, in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier, en op 27 februari 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.