Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH6014

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
20-001141-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ex artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Bij de beoordeling of de schuld aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Door onder de in het arrest genoemde omstandigheden bij het uitvoeren van de onderhavige bijzondere manoeuvre te handelen zoals verdachte dat heeft gedaan, heeft verdachte naar ’s hofs oordeel schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, als bewezen verklaard. Verwerping verweer dat het onderhavige strafrechtelijk onderzoek mogelijk niet voldoet aan de eisen van de “Aanwijzing verkeersongevallen”. Verwerping verweer dat indien [slachtoffer] op het moment van het verkeersongeval zijn gordel had gedragen, het door hem bij dat verkeersongeval opgelopen letsel niet zou zijn ontstaan dan wel minder ernstig zou zijn geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001141-08

Uitspraak : 10 februari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 maart 2008 in de strafzaak met parketnummer 01/840657-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1986],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren - te weten dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos rijgedrag waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan - en verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis zal opleggen. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal ontzeggen voor de duur van 1 jaar.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 januari 2007 te Sint-Oedenrode als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Zwembadweg en/of de kruising van die weg met de Vliegden en de Vogelwikke, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:

hij heeft met het door hem bestuurde motorrijtuig op die Zwembadweg met een aanmerkelijke snelheid en/of gelet op de situatie ter plaatse (te) hoge snelheid gereden en/of heeft - gekomen ter hoogte van de kruising van die Zwembadweg met de Vliegden en/of de Vogelwikke - naar links gestuurd zonder tijdig af te remmen, althans zonder voldoende te remmen, althans door zodanig te remmen en/of te manoeuvreren dat de (achter)wielen van dat motorrijtuig

blokkeerden en/of is (vervolgens) met dat motorrijtuig van de weg afgeraakt en/of in de berm aan de linkerzijde van die Zwembadweg terechtgekomen en/of is (vervolgens) tegen een boom gereden/geslipt, in elk geval heeft hij niet voortdurend de controle over zijn motorrijtuig gehouden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten

fracturen van verschillende handwortelbeenderen en/of een gebroken pols, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 januari 2007 te Sint-Oedenrode als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Zwembadweg, met een aanmerkelijke snelheid en/of gelet op de situatie ter plaatse (te) hoge snelheid heeft gereden en/of - gekomen ter hoogte van de kruising van die Zwembadweg met de Vliegden en/of de Vogelwikke - naar links heeft gestuurd zonder tijdig af te remmen, althans zonder voldoende te remmen, althans door

zodanig te remmen en/of te manoeuvreren dat de (achter)wielen van dat motorrijtuig blokkeerden en/of (vervolgens) met dat motorrijtuig van de weg is afgeraakt en/of in de berm aan de linkerzijde van die Zwembadweg terechtgekomen en/of (vervolgens) tegen een boom is gereden/geslipt, in elk geval niet voortdurend de controle over zijn motorrijtuig heeft gehouden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans

kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 januari 2007 te Sint-Oedenrode als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Zwembadweg en de kruising van die weg met de Vliegden en de Vogelwikke, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, te handelen als volgt: hij heeft met het door hem bestuurde motorrijtuig op die Zwembadweg

- gekomen ter hoogte van de kruising van die Zwembadweg met de Vliegden en de Vogelwikke - naar links gestuurd zonder tijdig af te remmen, althans zonder voldoende te remmen, en is vervolgens met dat motorrijtuig van de weg afgeraakt en in de berm aan de linkerzijde van die Zwembadweg terechtgekomen en is vervolgens tegen een boom gereden/geslipt, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Van de zijde van verdachte is aangevoerd dat het maken van een enkele verkeersfout niet voldoende is om tot een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te komen, zodat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Bij de beoordeling of de schuld aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.

Verdachte reed op 12 januari 2007 omstreeks 23:00 uur als bestuurder van een personenauto over de Zwembadweg, zijnde een smalle tweebaansweg, te Sint-Oedenrode. Verdachte, die ter plaatse bekend is, heeft geconstateerd dat het regende. Gekomen ter hoogte van de kruising van de Zwembadweg met de Vliegden en de Vogelwikke heeft verdachte, die op dat moment met zijn bijrijder [slachtoffer] in gesprek was en [slachtoffer] tijdens dat gesprek meermalen heeft aangekeken en (mede) daardoor niet oplette, teneinde te keren naar links gestuurd zonder tijdig af te remmen, althans zonder voldoende te remmen, en is vervolgens met zijn personenauto van de weg afgeraakt en in de berm aan de linkerzijde van de Zwembadweg terechtgekomen en is vervolgens tegen een boom gereden/geslipt. Verdachte heeft zelf verklaard dat de bocht te scherp was voor de snelheid waarmee hij reed en dat sprake was van een grove miscalculatie. Ten gevolge van dit verkeersongeval werd bij [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Door onder de genoemde omstandigheden bij het uitvoeren van de onderhavige bijzondere manoeuvre te handelen zoals verdachte dat heeft gedaan, heeft verdachte naar ’s hofs oordeel schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, als bewezen verklaard. Het hof verwerpt het verweer.

Van de zijde van verdachte is voorts kort gezegd aangevoerd dat, gelet op de summiere omvang van het dossier en de onvoldoende voortvarendheid waarmee getuigen zijn gehoord, het onderhavige strafrechtelijk onderzoek niet voldoet aan de eisen van de “Aanwijzing verkeersongevallen”, welke aanwijzing is opgesteld door het openbaar ministerie, hetgeen tot vrijspraak van verdachte van het primair ten laste gelegde dient te leiden.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet goed heeft opgelet en dat sprake was van een grove miscalculatie en dat hij het onderhavige verkeersongeval heeft veroorzaakt, welke verklaring wordt ondersteund door de (overige) door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Door de inhoud van het geheel der wettige bewijsmiddelen heeft het hof de overtuiging bekomen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. De omstandigheid dat het onderhavige strafrechtelijk onderzoek mogelijk niet voldoet aan de eisen van de “Aanwijzing verkeersongevallen”, doet hieraan niet af. Het hof verwerpt het verweer.

Van de zijde van verdachte is voorts aangevoerd dat indien [slachtoffer] op het moment van het verkeersongeval zijn gordel had gedragen, het door hem bij dat verkeersongeval opgelopen letsel niet zou zijn ontstaan dan wel minder ernstig zou zijn geweest, hetgeen tot vrijspraak dient te leiden.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Naar het oordeel van het hof is het bewezen verklaarde letsel dat aan [slachtoffer] is toegebracht redelijkerwijs als gevolg van het door verdachte veroorzaakte verkeersongeval aan verdachte toe te rekenen. Daaraan doet niet af de aangevoerde omstandigheid dat [slachtoffer] ten tijde van het verkeersongeval geen gebruik maakte van een veiligheidsgordel. Het hof verwerpt dan ook dit bewijsverweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en strafbaar gesteld bij artikel 175, eerste lid, aanhef en onder b van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof komt tot een lagere straf dan door de advocaat-generaal gevorderd, nu het hof minder bewezen verklaard dan waarvan de advocaat-generaal in de vordering is uitgegaan.

Het hof acht de hierna op te leggen straf zowel wat strafsoort als strafmaat betreft het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde feit is gepleegd.

Bijkomende straf

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

In hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen en in hetgeen door en namens verdachte ter zake is aangevoerd ziet het hof, anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, evenwel aanleiding te bepalen dat deze bijkomende straf voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd.

Met oplegging van een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt, dat de bijkomende straf van ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. M.J.H.J. de Vries - Leemans , voorzitter, mr. H. Eijsenga en

mr. W.J.B. Zeyl,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier,

en op 10 februari 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. W.J.B. Zeyl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.