Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH5966

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
HV 103.009.672
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN8027, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BN8027
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding. Rente, onderhoud, en verfraaiing aan echtelijke woning betaald uit overgespaard inkomen. Alleen verfraaiing komt voor verrekening in aanmerking. Tenaamstelling hypotheek niet relevant voor verrekenvordering omdat daarbij overgespaard inkomen niet is betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 74
RN 2009, 79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

dHJ

10 maart 2009

Sector civiel recht

Zevende kamer

Zaaknummer:HV 103.009.672

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats], België,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.H. van Muijen,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeentenaam],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.H.H. Schelhaas,

als vervolg op de op 14 augustus 2008 gegeven beschikking.

5. Het verdere verloop van de procedure

De in de tussenbeschikking gelaste mondelinge behandeling heeft plaats gevonden op 23 januari 2009. Daarbij waren partijen en hun advocaten aanwezig.

De advocaat van de vrouw heeft een pleitnota overgelegd.

Partijen hebben uitspraak gevraagd. Deze is bepaald op heden.

6. De verdere beoordeling

6.1. Het hof volhardt bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking.

6.2. Het gaat in dit hoger beroep om de financiële afwikkeling van het huwelijk van partijen dat op 23 mei 1984 is gesloten en op 4 mei 2007 door echtscheiding is ontbonden. Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden die voor zo-ver thans nog van belang inhouden uitsluiting van de goederengemeenschap en een periodiek verrekenbeding dat betrekking heeft op ‘hetgeen van hun inkomsten resteert na voldoening van de kosten der huishouding en de belastingen’. Dit be-ding is tijdens de looptijd, van 23 mei 1984 tot 25 november 2005, niet uitgevoerd. In de betreffende periode genoot hoofdzakelijk de man inkomen uit dienstbetrekking. De vrouw heeft enige tijd een gering inkomen gehad uit haar B.V. De inkomens zijn geheel verteerd.

In principaal appel

6.3. De echtelijke woningen

6.3.1. De grieven in het principaal appel hebben alle betrekking op de verrekening van de echtelijke woningen. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.

6.3.2. Partijen hebben tussen het sluiten van het huwelijk en juni 1993 gewoond in een (van het bedrijf van de vader van de vrouw) gehuurde woning. Over deze pe-riode is verrekening niet aan de orde.

6.3.3. Deze (eerste) woning is door de vrouw gekocht en op 1 juni 1993 haar ei-gendom geworden en is blijven dienen als echtelijke woning. De man werd geen mede-eigenaar. De aankoop is gefinancierd met een hypothecaire geldlening ge-steld ten name van zowel de man als de vrouw. Blijkens de hypotheekakte is te-vens sprake van een polis van levensverzekering. De koopprijs, in verhuurde staat, bedroeg f. 345.000,-. De vrije waarde bedroeg, aldus de vrouw, een factor 100/60 hoger derhalve, fl. 575.000,-.

Op 1 augustus 1995 is de woning verkocht. Op de hypothecaire geldlening is niet afgelost.

6.3.4. Op 4 augustus 1995 heeft de vrouw (door koop van haar moeder) de tweede woning in eigendom verkregen. Ook deze woning is niet tevens ten name van de man gesteld. De koopprijs is betaald uit de verkoopopbrengst van de eerste wo-ning en een geldlening van fl. 500.000,-, waarvoor alleen de vrouw aansprakelijk was (althans volgens de vrouw). Er resteerde een bedrag van fl. 49.122,83 dat aan de vrouw is uitbetaald en is aangewend voor een verbouwing. Op de geldlening is gedurende de looptijd (tot april 1999) niet afgelost.

6.3.5. Op 9 april 1999 is bij de ING een nieuwe hypothecaire geldlening gesloten, van fl. 650.000,-. Deze is gesteld ten name van zowel de man als de vrouw. Daarmee is de eerdere geldlening afgelost. Het restant is aangewend voor een verbouwing. Tot de peildatum, 25 november 2005, is er niet afgelost.

6.3.6. Na de peildatum, te weten in oktober 2006, is - na vervanging/herstel van het rieten dak - de woning verkocht en geleverd aan een derde voor ruim 1 mil-joen euro (aldus de vrouw).

6.3.7. In rov. 3.27 jo 3.24 van de beschikking van 16 januari 2007 heeft de recht-bank overwogen dat de netto-verkoopopbrengst van de echtelijke woning dient te worden verrekend aldus dat de vrouw de helft van de opbrengst aan de man dient uit te keren.

De rechtbank heeft derhalve geen rekening gehouden met het tijdsverloop tussen peildatum en de verkoopdatum en met de kosten voor de reparaties/ herstel van het rieten dak. De grieven van de vrouw zijn in zoverre gegrond.

6.3.8. De man stelt op het standpunt dat hij recht heeft op de helft van de overwaarde. Hij beroept zich daartoe op artikel 1:141 BW, de bedoeling van partijen, het bestaan van een natuurlijke verbintenis, de redelijkheid, het feit dat de hypo-theek op beider naam stond en zijn aanspraak op de beleggingen van overgespaard inkomen, in de vorm van betaalde rente, premie levensverzekering en onder-houdskosten.

6.3.9. De rechtbank heeft, mede gelet op het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW, geoordeeld dat de echtelijke woning dient te worden verrekend en aan de man een vordering toegekend van de helft van de verkoopopbrengst. De man verdedigt dit oordeel.

Naar het oordeel van het hof kan deze beslissing van de rechtbank niet in stand blijven. Voor toepassing van het wettelijk bewijsvermoeden is eerst plaats als er sprake is van een bewijsfase. Ten aanzien van die feiten die niet zijn betwist, komt dit vermoeden niet aan de orde. Voor zover wel aan dit vermoeden wordt toegekomen dan volgt daaruit, of uit het ontbreken van feiten en omstandigheden die dit vermoeden ontzenuwen, nog niet dat een vordering ter grootte van de helft van de woning dient te worden toegewezen. Welk bedrag kan worden toegepast hangt af van de stellingen van partijen en de overige omstandigheden.

6.3.10. Voor wat betreft de bedoeling van partijen om de echtelijke woning ([adres1 en adres 2]) en gemeenschappelijk te doen zijn, berusten de stellingen van de man uitsluitend op zijn eigen verklaring geplaatst in het licht van beweerde moeilijke tijden die het bedrijf (waarin de vrouw indirect aandelen hield en de man werkzaam was) omstreeks 1993-1995 doormaakte. De vrouw betwist deze bedoeling. De man beroept zich kennelijk niet op een concreet met de vrouw ge-maakte afspraak die tot een vordering tot nakoming aanleiding zou kunnen geven.

Naar het oordeel van het hof is hetgeen de man aanvoert onvoldoende om daarop enig aanspraak aan de man toe te kennen. De huwelijkse voorwaarden bepalen uitdrukkelijk dat geen sprake is van een gemeenschap van goederen, ook niet een tot de echtelijke woning beperkte gemeenschap. Zowel de eerste als de tweede woning zijn alleen ten name van de vrouw gesteld (naar de man stelt op advies van zijn schoonvader). Daarin is tijdens het huwelijk geen verandering gebracht, ook niet toen de – beweerdelijke - moeilijke tijden achter de rug waren. Dat daar-toe pogingen zijn ondernomen, wordt evenmin gesteld. De gestelde bedoeling is derhalve niet vast komen te staan.

6.3.11. In punt 22 van het verweerschrift in hoger beroep stelt de man recht te hebben op de helft van de overwaarde van de woning ‘omdat op de vrouw een natuurlijke verbintenis jegens hem rust ex art. 6:3 lid 2b BW’.

Wat er ook van deze stelling zij: zij is in rechte niet afdwingbaar.

6.3.12. De man heeft zich er voorts op beroepen dat de hypotheken mede op zijn naam hebben gestaan, dat wil zeggen dat hij tijdens de looptijd van de met hypo-theek gedekte leningen voor de rente en aflossing mede aansprakelijk was. Het is volgens hem volstrekt onredelijk dat de vrouw, zonder een cent eigen vermogen te hebben geïnvesteerd en (vrijwel) zonder in de kosten van de huishouding te heb-ben bijgedragen, de gehele overwaarde van de woning zou toekomen. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

6.3.13. Vaststaat dat op de leningen niet is afgelost. Er kan dan ook in zoverre geen sprake zijn van een belegging of herbelegging van overgespaard inkomen in de woningen, waarop artikel 141 lid 1 BW doelt. De aansprakelijkstelling zelf kan evenmin als zodanige belegging worden aangemerkt, zoals hiervoor overwogen. De man doet nog een beroep op de mening van prof. Verstappen ter zake, maar het hof deelt die mening niet.

Het resultaat (dat de man vrijwel geen aanspraak op de overwaarde heeft) is im-mers een gevolg van de keuze van partijen om te huwen met uitsluiting van een goederengemeenschap en de tenaamstelling van de woningen op die van de vrouw. De vrouw heeft daarom als eerste alle risico’s gedragen verbonden aan deze eigendom. Anders dan de man meent heeft de vrouw wel degelijk in de wo-ning geïnvesteerd, namelijk middels de (hypothecaire) geldleningen. Die leningen zijn immers aangegaan om de vrouw in staat te stellen de koopprijs – die alleen zij, niet de man, verschuldigd was - te betalen. De omstandigheid dat op de man als hoofdelijk aansprakelijk voor de rentebetalingen en aflossing na afloop van de lening verhaal zou kunnen worden gehaald – welke risico’s zich bovendien niet hebben verwezenlijkt – kan niet worden aangemerkt als een investering van de man. Het is ook de eigendom/het huis van de vrouw geweest dat als onderpand heeft gediend. De omstandigheid dat de man de rentelasten en overige kosten heeft gedragen vloeit voort uit de keuze van partijen, gemaakt bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden (in artikel 4 lid 2) om die kosten ten laste van de huis-houdkosten te brengen. Ook het enkele feit dat partijen tijdens de verrekenperiode in de woning hebben samengewoond (punt 24 verweerschrift in hoger beroep) is ontoereikend voor enige aanspraak van de man op de vrouw.

6.3.14. Rentebetaling is verteren van inkomen, zodat zij niet als onverteerde in-komsten in aanmerking genomen kunnen worden, HR 27 januari 2006, LJN AU5698. De vrouw bestrijdt in grief 1 derhalve terecht het andersluidende oordeel van de rechtbank (rov. 3.27 jo rov. 3.24).

6.3.15. Blijkens de hypotheekakte uit juni 1993 (die heeft gegolden tot augustus 1995) heeft er een polis van levensverzekering bestaan. Geen van partijen heeft nadere informatie over deze polis kunnen verstrekken.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van een verzekering met een spaarelement, noch dat er in de betreffende periode een bedrag is gespaard dat later met bij de aflossing in mindering is gebracht op het terug te betalen bedrag. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat, zo er daadwerkelijk een verzekering heeft bestaan, sprake is geweest van een verzekering zonder spaarelement. Premiebetalingen zijn dan, net als rentebetalingen, verteringen die niet voor ver-rekening in aanmerking komen.

Overigens zou het hier gaan om een relatief kleine bedragen aan (spaar)premie gedurende een termijn van 26 maanden. Dit feit is, in aanmerking nemende dat hooguit sprake is op een evenredige vergoeding, onvoldoende om de man aan-spraak te geven zoals door de rechtbank uit het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW afgeleid (in de orde van grootte van € 350.000,-). De beschikking van 16 januari 2007 kan ook in zoverre niet in stand blijven.

6.3.16. Uit het inkomen van de man is gedurende het hier aan de orde zijnde deel van de verrekenperiode van 1 juni 1993 tot 25 november 2005 (bijna 150 maan-den) bijgedragen in de kosten van het onderhoud van de woningen. Partijen hebben niet nader aangegeven waarvoor deze bijdragen zijn aangewend, noch wat de hoogte is geweest. De vrouw heeft (in eerste aanleg) opgemerkt dat hiermee niet meer dan € 5.000,- per jaar gemoeid kan zijn geweest(naar het hof begrijpt aan het eind van de verrekenperiode). In hoger beroep is de vrouw hierop teruggekomen en zij heeft gesteld dat werknemers van het bedrijf een deel van dit onderhoud hebben uitgevoerd. Verder is van belang dat de man erkent dat grote verbouwingen zijn gefinancierd uit geldleningen (waarop niet is afgelost). Partijen stellen verbouwingen en onderhoud kennelijk naast elkaar.

Het hof is van oordeel dat kosten van het gebruikelijke onderhoud aan een echte-lijke woning, dus kosten om de woning in nette staat te houden zoals kleine reparaties, verven, tuinonderhoud en dergelijke, moeten worden aangemerkt als kosten van de huishouding. Het gaat hierbij om verteren van genoten inkomsten en niet om een belegging van overgespaard inkomen. Bij dit oordeel heeft het hof mede gelet op artikel 4 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden waarin wordt bepaald dat onder de kosten van de huishouding mede zijn begrepen ‘alle dagelijkse uitgaven welke passen in het leefpatroon van partijen’.

Anderzijds kan het voorshands niet uitgesloten worden geacht dat een deel van bedoelde onderhoudskosten heeft gestrekt tot verfraaiing van de woning en ter dekking van eigenaarslasten, niet zijnde huishoudkosten en zijn betaald uit inkomen van de man. Voorts valt niet uit te sluiten dat een klein deel van de verbou-wingen uit het inkomen van de man is betaald, De waarde van de echtelijke wo-ning dan kan derhalve vermoed worden (in de zin van artikel 1:141 lid 3 BW) mede te zijn gevormd door deze bijdragen.

Nu partijen niet beschikken over enige relevante administratie is het hof aangewe-zen op een schatting. Het hof begroot de vordering van de man als volgt. Er kan van uitgegaan worden dat de bijdragen aan onderhoud/verfraaiing uit het inkomen van de man in de verrekenperiode van ruim 12 jaar (150 maanden) gemiddeld ongeveer € 250,- per maand zal hebben bedragen. Dan is in totaal € 37.500,- uit overgespaard inkomen in de woning geïnvesteerd. Een derde deel kan worden toegerekend als verfraaiing, dus € 12.500,-. Mede als gevolg van deze investerin-gen is de woning over de verrekenperiode ongeveer 4 maal zoveel waard gewor-den. Die waardevermeerdering wordt toegerekend aan de hier bedoelde investe-ring zodat van de waarde van de woning op de peildatum € 60.000,- valt te kwalificeren als overgespaard inkomen. De man heeft een vordering op de vrouw van de helft daarvan. Tegen deze achtergrond zal het, ex aequo et bono oordelende, de man een bedrag toekennen van € 30.000,-.

In incidenteel appel

6.4. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen zowel de tussenbeschikking van 16 januari 2007 als de eindbeschikking van 13 september 2007. Hij heeft evenwel geen grieven gericht tegen de tussenbeschikking. De man is mitsdien in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

6.5. Betaalde hypotheekrente

6.5.1. De man vordert bij wege van vermeerdering van verzoek een bedrag van € 5.850,- terzake van door hem over de maanden december 2005 tot augustus 2006 betaalde hypotheekrentetermijnen, termijnen dus die betrekking op een periode ná de peildatum. De vrouw betwist deze vordering stellende dat in het kader van het bepalen van de voorlopige voorzieningen bepaald is dat de man de beta-ling van deze rente voor zijn rekening dient te nemen.

6.5.2. Het hof neemt eerst in aanmerking dat hetgeen is bepaald in het kader van de voorlopige voorzieningen geen definitief karakter draagt. In het kader van de definitieve financiële afwikkeling van het huwelijk kan daarop worden teruggekomen. Het hof neemt dan in overweging dat de woning inmiddels is verkocht en de vrouw daaraan een aanzienlijke som aan overwaarde heeft overgehouden, zodat er aanleiding bestaat daarmee rekening te houden. Naar het oordeel dienen de kosten van de hypotheekrente in de bedoelde periode in alle redelijkheid door de vrouw te worden gedragen omdat het haar woning is en zij het genot daarvan heeft gehad. Er bestaat geen aanleiding meer om deze lasten door de man te laten dragen. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

6.6. De aandelen in [X.] Holding B.V.

6.6.1. In rov. 2.4 van de beschikking van 13 september 2007 heeft de rechtbank overwogen en beslist dat de man geen aanspraak kan maken op een verrekenings-bijdrage zijdens de vrouw ter zake van het aan haar toebehorende aandeelkapitaal in [X.] Holding B.V. (noch voor wat betreft de waardestijging noch ten aanzien van eventueel opgepotte winsten). De grief in het incidenteel appel keert zich te-gen beslissing.

Tevergeefs. Het hof is met de rechtbank, op de door haar aangegeven gronden die het hof tot de zijne maakt, van oordeel dat de man ter zake geen aanspraak jegens de vrouw heeft.

6.6.2. Vast staat dat de aandelen de vrouw zijn geschonken zodat de waarde daar-van buiten de verrekening valt. Ten aanzien van de winsten is de toepasselijkheid van artikel 1:141 lid 4 BW in geschil. De man erkent dat de vrouw formeel en juridisch gezien geen zeggenschap heeft in de uitgeoefende bedrijven, maar stelt dat zij die zeggenschap feitelijk wel heeft, in aanmerking nemende dat de broers en vader van de vrouw die zeggenschap uitoefenen.

Het hof verwerpt deze stelling. De enkele omstandigheid dat de vrouw naaste familie is van degene die de zeggenschap in de ondernemingen uitoefenen, leidt niet tot de conclusie dat de vrouw ook daadwerkelijk zeggenschap heeft. Feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de vrouw zodanige invloed kan uitoefenen op haar broers en vader dat zij in feite zeggenschap heeft zijn gesteld noch gebleken en ook niet aannemelijk nu de man erkent dat de vrouw zich in de verrekenperiode afzijdig heeft gehouden van de bedrijfsvoering.

6.6.3. De man voert verder aan dat het een keuze van de vrouw is geweest om zich niet bezig te houden met het bestuur van de ondernemingen, een keuze die ‘enkel en alleen gebaseerd [is] op het benadelen van de man’.

Het hof kan de man hierin niet volgen. De feitelijke situatie, waarin de vrouw geen zeggenschap heeft, heeft van meet af aan, 1994, bestaan. Er bestaat geen grond om aan te nemen dat al in 1994 de bestaande verhoudingen zijn opgezet ter benadeling van de man. Feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van misbruik of benadeling zijn het hof niet gebleken.

Dat de vrouw zich niet bezig houdt met het bestuur van de onderneming is bovendien niet alleen een keuze van de vrouw. Ook haar broers en vader zijn betrokken bij de inrichting van het bestuur. Kennelijk zijn de verhoudingen zodanig dat de vrouw in dat bestuur geen rol speelt.

6.7. De proceskosten zullen worden gecompenseerd.

7. De beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn (incidenteel) hoger beroep tegen de be-schikking van 16 januari 2007;

vernietigt de beschikkingen van 16 januari 2007 en 13 september 2007, maar al-leen in zoverre daarin is beslist dat de vrouw de helft van de netto-verkoop-opbrengst van de woning aan het [adres 2] te [plaatsnaam] aan de man dient uit te keren;

en in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt de vrouw om als verrekenvordering aan de man € 30.000,- te betalen;

wijst af het meer of anders gevorderde;

bekrachtigt de beschikkingen van 16 januari 2007 en 13 september 2007 voor het overige;

recht doende op het vermeerderde verzoek van de man:

veroordeelt de vrouw om aan de man € 5.850,- te betalen;

compenseert de proceskosten aldus dat elk van partijen haar eigen kosten draagt.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Van Gink en Tjong Tjin Tai en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2009.