Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH5082

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
HV 200.020.169
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vervaltermijn in Wet Gesloten Jeugdzorg, artikel 1:262 BW niet van (overeenkomstige) toepassing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DvdH

26 februari 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.020.169/01

Zaaknummer eerste aanleg: 180109/ JE RK 08-1634

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de Ottho Gerhard Heldringstichting (orthopedagogisch en orthopsychiatrisch centrum voor behandeling van jongeren) te Zetten,

appellante,

hierna te noemen: [X.],

advocaat: mr. W.G.P. Berkers,

t e g e n

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven, tevens kantoorhoudende te Oss,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 september 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 5 december 2008, heeft [X.] verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat door de rechtbank ten onrechte een machtiging uithuisplaatsing is afgegeven, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 30 december 2008, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van [X.] af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [X.], bijgestaan door haar advocaat mr. W.G.P. Berkers;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw W. Keijzers;

- de heer [Y.] en mevrouw [Z.], hierna: de ouders.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 september 2008;

- de brieven van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna: de raad, van 11 december 2008 en 15 januari 2009;

- het door de stichting ter zitting overgelegde verslag van de O.G. Heldringstichting.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De thans nog minderjarige [X.] is op [geboortejaar] geboren te [geboorteplaats]. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch op grond van artikel 29b lid 2 sub c van de Wet op de Jeugdzorg (hierna: Wjz) een machtiging verleend tot plaatsing van [X.] in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs gesloten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, kort gezegd, er in het verleden al veel vrijwillige hulpverlening is geweest, maar dat deze hulp kennelijk niet het beoogde effect heeft gehad. Voor [X.] is behandeling in een gesloten kader noodzakelijk zodat zij behandeld kan worden voor haar problematiek en niet opnieuw kan vluchten.

Op 18 december 2008 is [X.] geplaatst bij de O.G. Heldringstichting te Zetten.

4.2. In haar beroepschrift voert [X.] aan dat er bij haar geen sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat opname en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat zij zich gaat onttrekken aan de zorg die zij nodig heeft of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Ter onderbouwing stelt [X.] dat niet voldaan is aan de wettelijke ondergrens om tot uithuisplaatsing over te gaan, omdat in de stukken die aan de beslissing van de rechtbank ten grondslag liggen enkel wordt gesproken van een bij [X.] voor de toekomst bestaand risico voor het ontwikkelen van een persoonlijkheidsstoornis of depressieve klachten.

Verder stelt [X.] dat er geen enkele concrete aanwijzing bestaat dat zij zou vluchten indien zij bijvoorbeeld in een open setting wordt geplaatst. [X.] heeft in het verleden slechts eenmaal gedreigd met weglopen in een emotionele opwelling, maar heeft dit nooit echt gedaan.

De school van [X.] spreekt over extreem pubergedrag en [X.] is van mening dat die omschrijving bij haar gedrag past.

Ten aanzien van haar toekomstperspectief voert [X.] aan dat zij in een gesloten inrichting geen opleiding op haar niveau kan genieten.

Tenslotte stelt [X.] dat de maatregel van uithuisplaatsing disproportioneel is en dat een minder ingrijpend alternatief – zoals plaatsing in een open setting – voldoende soelaas zou kunnen bieden om een uitweg te creëren uit de ontstane situatie die [X.] zelf ook als moeilijk ervaart.

4.3. De stichting stelt in haar verweerschrift dat de situatie van [X.] sinds de bestreden beschikking – 12 september 2008 – zichtbaar is verslechterd; haar verbale en fysieke agressie is toegenomen in de thuissituatie. Daarnaast ging [X.] slechts sporadisch naar school en vervuilde zij haar kamer. Ten aanzien van het wettelijk vereiste voor een gesloten plaatsing, merkt de stichting op dat extreem pubergedrag tot ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen kan worden gerekend. De door de ouders – die wensen dat [X.] gesloten geplaatst zal worden – opgesomde problemen dienen volgens de stichting in ieder geval als zodanig te worden aangemerkt, zoals een verstoord dag- en nachtritme, veelvuldig schoolverzuim, agressiviteit, vervuiling en pesterijen die gevolgen hebben voor het hele gezin.

4.4. Ter zitting heeft het hof het verslag van de O.G. Heldringstichting – overgelegd door de stichting – geaccepteerd, nu [X.] desgevraagd daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.

4.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.6.1. De advocaat van [X.] heeft ter zitting van het hof betoogd dat de verleende machtiging niet ten uitvoer had mogen worden gelegd, aangezien deze drie maanden na de beschikking waarvan beroep op grond van het bepaalde in artikel 1:262 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is vervallen. [X.] is op 18 december 2008, derhalve na die termijn opgenomen bij de O.G. Heldringstichting.

4.6.2. Deze grief slaagt niet. Op een machtiging tot plaatsing van een minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg is sinds 1 januari 2008 een afzonderlijk regime van toepassing, opgenomen in hoofdstuk IVA van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz). In artikel 29d lid 2 Wjz is bepaald welke bepalingen van het BW van overeenkomstige toepassing zijn. Artikel 1:262 lid 3 BW behoort daar niet toe.

Ook in artikel 1:261 lid 5 BW, dat een aantal bepalingen van het BW van overeenkomstige toepassing verklaart op de machtiging gesloten jeugdzorg, wordt artikel 1:262 lid 3 BW niet vermeld.

In het oorspronkelijk wetsontwerp voor de wijziging van de Wjz was in artikel 29h lid 1 eenzelfde vervaltermijn van drie maanden opgenomen als neergelegd in artikel 1:262 lid 3 BW. Deze ontwerpbepaling is echter komen te vervallen na aanname van het amendement van het parlementslid Çörüz.

Op grond van artikel 29h lid 4 Wjz vervalt een door de rechter verleende machtiging indien de aanspraak is vervallen, omdat de stichting met toepassing van artikel 6 lid 4 Wjz een (indicatie)besluit heeft genomen waarbij is vastgesteld dat de betrokkene niet langer is aangewezen op jeugdzorg. Dit is bij [X.] niet het geval.

De in het indicatiebesluit vermelde "verzilveringstermijn" van drie maanden betreft geen vervaltermijn. Op grond van artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Wjz kan de stichting, indien de in het indicatiebesluit aangeduide zorg niet tijdig beschikbaar is, na deze termijn een indicatie voor vervangende zorg verstrekken. De aanspraak op de oorspronkelijk aangeduide zorg blijft echter bestaan.

4.7. Het hof overweegt voorts op grond van artikel 29b lid 2 sub c Wjz dat een machtiging tot plaatsing van een jeugdige in een accommodatie kan worden verleend, ongeacht of de jeugdige daarmee instemt, indien degene die het gezag over hem/haar uitoefent met de opneming en het verblijf instemt. De ouders van [X.] hebben herhaaldelijk aangegeven gesloten plaatsing van [X.] in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs te ondersteunen; in eerste aanleg hebben de ouders de stichting benaderd met het verzoek tot gesloten plaatsing van [X.] en in hoger beroep hebben zij schriftelijk en ter zitting hun standpunt gehandhaafd en nader toegelicht.

4.8. Wat de criteria betreft die gelden voor het verlenen van een machtiging is het hof – met de rechtbank – van oordeel dat aan het bepaalde in artikel 29b lid 3 Wjz in het geval van [X.] is voldaan, nu er bij haar sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat zij zich zal onttrekken aan de zorg die zij nodig heeft of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Van deze problemen blijkt onder meer uit het indicatiebesluit van de stichting van 15 juli 2008, de rapportage van psycholoog drs. M.J.G.M. Wetsteyn van 3 september 2008 en verklaringen van de ouders. Verder heeft, zo is ter zitting van het hof gebleken, recentelijk een incident plaatsgevonden – op de zondag in de week voor de mondelinge behandeling in hoger beroep – waarbij [X.] tijdens een bezoekmoment van haar ouders een woedeaanval kreeg en vernielingen aanbracht in de bezoekkamer.

Uit het rapport van drs. Wetsteyn blijkt onder meer dat [X.] een geringe zelfreflectie kent en niet weet, althans niet beseft, wat haar gedrag oproept bij haar omgeving en tot welk bedreigend perspectief dit gedrag voor haarzelf en anderen kan leiden. Een vrijwillige plaatsing in een jeugdpsychiatrische voorziening lijkt niet haalbaar: in een open setting zal zij zich onttrekken aan de behandeling en wellicht weglopen, met grote risico’s voor haar eigen veiligheid en ontwikkeling, aldus drs. Wetsteyn die, in navolging van eerder Herlaarhof in maart 2008, bij [X.] de diagnose ‘Syndroom van Asperger’ heeft gesteld.

4.9. [X.] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat zij soms woedeaanvallen heeft en dat dit voor haar de enige manier is – alhoewel zij toegeeft dat dit geen juiste manier is – om haar emoties te uiten. Verder heeft [X.] verklaard dat zij zichzelf is kwijtgeraakt door de dingen die zij heeft meegemaakt. [X.] heeft ter zitting erkend hulp nodig te hebben, maar deze slechts in een open setting te willen aanvaarden. Het hof is van oordeel dat dergelijke hulp in het geval van [X.] niet zal volstaan. Voldoende duidelijk is namelijk geworden dat [X.], ondanks dat zij dit herhaaldelijk heeft ontkend en dit nog steeds ontkent, in het verleden alle hulp afwees. Zo kon [X.] in mei/juni 2008 op een crisisplek binnen Herlaarhof worden geplaatst, waardoor ze ook op dezelfde school kon blijven. [X.] weigerde echter haar medewerking. De ouders hebben vervolgens Multi System Therapy (MST) overwogen in het gezin, maar ook dit heeft [X.] geweigerd.

Daarbij merkt het hof op dat – zoals eerder vermeld – tussen het tijdstip van de bestreden beschikking en de daadwerkelijke plaatsing van [X.], een periode van iets meer dan drie maanden zit. [X.] heeft deze tijd niet benut om door middel van haar gedrag te laten zien dat zij niet gesloten hoeft te worden geplaatst en dat een open setting voor haar inderdaad voldoende soelaas zou kunnen bieden, mede in verband waarmee het hof naar de bij het verweerschrift gevoegde ‘verweerbrief’ van de ouders verwijst nu deze brief ook betrekking heeft op de periode nadat er bij de rechtbank een zitting was geweest. Integendeel: het gedrag van [X.] is alleen maar verslechterd volgens de stichting en de ouders.

4.10. In het licht van haar ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid in casu ernstig belemmeren, is het hof van oordeel dat de gesloten plaatsing van [X.] niet disproportioneel is, hetgeen nog eens wordt bevestigd in het verslag van de O.G. Heldringstichting, zoals overgelegd ter zitting van het hof. Daarin wordt onder meer gesproken van veel zelfbepalend gedrag, het uit de weg gaan van verantwoordelijkheden, het verantwoordelijk houden van haar ouders voor de – redenen van – de (gesloten) plaatsing, het geen rem kunnen zetten op negatief gedrag als de uitkomst niet is wat zij ervan verwacht en de omstandigheid dat na één bezoek van de ouders de situatie volledig escaleerde doordat zij een woedeaanval kreeg en de bezoekkamer vernielde, zoals hiervoor reeds vermeld. Het hof is van oordeel dat dit de laatste kans is – voordat [X.] meerderjarig wordt – om haar leven op de rails te krijgen, waarbij het hof hoopt dat [X.] deze kans met beide handen aangrijpt.

4.11. Tenslotte merkt het hof op dat de ouders thans doende zijn om [X.] te voorzien van schoolmateriaal, zodat zij op haar eigen niveau kan werken. Het hof prijst [X.] met haar behaalde schoolresultaten. Ter zitting hebben de ouders verklaard dat er een ‘rugzakje’ is aangevraagd en dat het slechts een kwestie van tijd is voordat [X.] weer onderwijs op haar eigen niveau (gymnasium) kan krijgen.

4.12. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 september 2008.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Everaars-Katerberg en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2009.