Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH4987

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
20-001936-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM6804, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BM6804
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De omstandigheid dat de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik niet op alle punten is nageleefd leidt i.c. niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Afwijzing verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen. De bij de politie afgelegde getuigenverklaringen kunnen voor het bewijs worden gebruikt, nu de verdediging voldoende compensatie is geboden en die verklaringen voldoende steun vinden in verklaringen van verdachte zelf. Geen schending van art. 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001936-07

Uitspraak: 20 februari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 8 mei 2007 in de strafzaak met parketnummer 04-850798-06 tegen:

[VERDACHTE]

geboren te [geboorteplaats] op [1953],

thans verblijvende in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht,

waarbij verdachte ter zake van – kort gezegd – seksueel misbruik van personen jonger dan twaalf respectievelijk zestien jaren werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren en met gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Bij vonnis, waarvan beroep, zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] tot bedragen van respectievelijk EUR 3.000,-- en EUR 4.000,-- toegewezen. De voegingen duren van rechtswege voort in hoger beroep voor zover de vorderingen zijn toegewezen. De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot bedragen van respectievelijk EUR 3.000,-- en EUR 4.000,--. Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] tot een gedeelte van EUR 5.000,-- toegewezen. De voeging duurt in hoger beroep van rechtswege voort voor zover de vordering is toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep – binnen de grenzen van haar eerste vordering – opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van EUR 8.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, mr. M.J.M. de Vries, en van hetgeen door en namens de verdachte door mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen ten aanzien van de feiten onder 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 tot een gevangenisstraf van 5 jaren met aftrek van voorarrest en met toewijzing van de vorderingen der benadeelde partijen, met toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en vervangende hechtenis, op gelijke wijze als door de eerste rechter is toegewezen.

De verdediging heeft:

• de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit;

• ten aanzien van het ten laste gelegde vrijspraak bepleit;

• bepleit dat de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 mei 2006 te Vlodrop, in elk geval in de gemeente Roerdalen, meermalen, althans eenmaal, met [benadeelde partij 1], geboren op 1 juni 1994, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 1];

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 16 oktober 2006 te Vlodrop, in elk geval in de gemeente Roerdalen, meermalen, althans eenmaal, met [benadeelde partij 1], geboren op 1 juni 1994, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd en/of die [benadeelde partij 1] tot het plegen of dulden van ontuchtige handeling(en) heeft verleid, welke ontuchtige handeling(en) heeft/hebben bestaan uit

- het ontuchtig trekken aan, in elk geval betasten van, de penis van die [benadeelde partij 1] en/of

- het ontuchtig door die [benadeelde partij 1] laten trekken aan, in elk geval laten betasten van, zijn, verdachtes, penis en/of

- het ontuchtig in zijn, verdachtes, mond nemen van de penis van die [benadeelde partij 1];

4.

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 4 juli 2005 te Vlodrop, in elk geval in de gemeente Roerdalen, meermalen, althans eenmaal, met [benadeelde partij 2], geboren op 5 juli 1993, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 2];

5.

hij in de periode van 5 juli 2005 tot en met 22 mei 2006 te Vlodrop, in elk geval in de gemeente Roerdalen, meermalen, althans eenmaal, met [benadeelde partij 2], geboren op 5 juli 1993, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 2];

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 22 mei 2006 te Vlodrop, in elk geval in de gemeente Roerdalen, meermalen, althans eenmaal, met [benadeelde partij 2], geboren op 5 juli 1993, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd en/of die [benadeelde partij 2] tot het plegen of dulden van ontuchtige handeling(en) heeft verleid, welke ontuchtige handeling(en) heeft/hebben bestaan uit

- het ontuchtig trekken aan, in elk geval betasten van, de penis van die [benadeelde partij 2] en/of

- het ontuchtig door die [benadeelde partij 2] laten trekken aan, in elk geval laten betasten van, zijn, verdachtes, penis en/of

- het ontuchtig in zijn, verdachtes, mond nemen van de penis van die [benadeelde partij 2];

7.

hij in de periode van 1 januari 1999 tot en met 2 maart 2004 te Vlodrop, in elk geval in de gemeente Roerdalen, meermalen, althans eenmaal, met [benadeelde partij 3], geboren op 3 maart 1992, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 3];

8.

hij in de periode van 3 maart 2004 tot en met 4 juli 2005 te Vlodrop, in elk geval in de gemeente Roerdalen, meermalen, althans eenmaal, met [benadeelde partij 3], geboren op 3 maart 1992, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 3];

9.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 4 juli 2005 te Vlodrop, in elk geval in de gemeente Roerdalen, meermalen, althans eenmaal, met [benadeelde partij 3], geboren op 3 maart 1992, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd en/of die [benadeelde partij 3] tot het plegen of dulden van ontuchtige handeling(en) heeft verleid, welke ontuchtige handeling(en) heeft/hebben bestaan uit

- het ontuchtig trekken aan, in elk geval betasten van, de penis van die [benadeelde partij 3] en/of

- het ontuchtig door die [benadeelde partij 3] laten trekken aan, in elk geval laten betasten van, zijn, verdachtes, penis en/of

- het ontuchtig in zijn, verdachtes, mond nemen van de penis van die [benadeelde partij 3].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. In deze weergave van de tenlastelegging zijn de door de eerste rechter aangebrachte verbeteringen begrepen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman het navolgende aangevoerd. Tijdens het opsporingsonderzoek is gehandeld in strijd met de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, zoals deze op 15 februari 2005 in werking is getreden. De raadsman heeft diverse punten naar voren gebracht waarbij naar zijn mening sprake zou zijn van strijd met de genoemde Aanwijzing, zoals het gebrek aan toetsing van de verklaringen, het niet voeren van informatieve gesprekken, het in diverse gevallen niet horen van de minderjarige betrokkenen door een verhoorkoppel van twee deskundige zedenrechercheurs en het in enkele gevallen niet opnemen van verhoren op een geluidsdrager. Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat dit een ernstig en onherstelbaar vormverzuim oplevert en dat hierdoor doelbewust, althans met grove veronachtzaming van de rechten van verdachte inbreuk is gemaakt op zijn, verdachtes, recht op een eerlijk proces, hetgeen slechts de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie tot gevolg dient te hebben.

Van de zijde van de advocaat-generaal is aangevoerd dat de vorengenoemde Aanwijzing weliswaar niet op alle punten naadloos is gevolgd, maar dat dit niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het op onderdelen niet geheel naleven van de Aanwijzing valt deels te verklaren uit de onduidelijkheid die dienaangaande in de praktijk bestond. Van de inhoud van de brief van het College van PG’s van 7 november 2006 die een verduidelijking op onderdelen inhield, droeg de verhorend verbalisant [verbalisant 1] bij de aanvang van het onderzoek en het merendeel van de verhoren geen kennis en hij kon daar ook geen kennis van dragen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Met de advocaat-generaal en de raadsman constateert het hof dat de bovengenoemde Aanwijzing niet steeds op alle punten is nageleefd, zoals het niet opnemen van alle verhoren op een geluidsdrager en het in diverse gevallen niet verhoren door een verhoorkoppel.

Dit leidt evenwel niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemd rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking.

De Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik bevat regels met betrekking tot de opsporing en vervolging van seksueel misbruik in het algemeen en in afhankelijkheidsrelaties en regels voor de bejegening van slachtoffers van zedendelicten. De Aanwijzing is, gelet op haar aard en inhoud, een instructienorm voor met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren voor de bejegening van slachtoffers van zedendelicten en het algemeen belang van de waarheidsvinding. De door de raadsman naar voren gebrachte tekortkomingen in het opsporingsonderzoek zijn niet van dien aard dat daardoor ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd of anderszins aannemelijk geworden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Het hof verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging.

Overwegingen omtrent het bewijs

Door de verdediging is op de in de pleitnota aangevoerde gronden betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De verdediging heeft hiertoe – kort samengevat – aangevoerd dat:

a. de bekennende verklaringen van verdachte niet betrouwbaar zijn en derhalve niet tot het bewijs mogen worden gebezigd en

b. de verklaringen van de minderjarige betrokkenen niet betrouwbaar zijn.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

A. De bekennende verklaringen van verdachte

Na aanvankelijk te hebben ontkend zich aan de tenlastegelegde feiten schuldig te hebben gemaakt, heeft verdachte op 20 oktober 2006 en op 24 oktober 2006 ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1] bekend dat hij [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] seksueel heeft misbruikt. Nadien is verdachte op zijn bekennende verklaringen teruggekomen.

Anders dan de verdediging hieromtrent heeft aangevoerd, acht het hof de door verdachte afgelegde bekennende verklaringen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Hiertoe overweegt het hof als volgt:

a. Verdachte heeft zelf het initiatief genomen tot het afleggen van zijn – bekennende – verklaring. Hij heeft op 20 oktober 2006 arrestantenverzorger [arrestantenverzorger 1] verzocht verbalisant [verbalisant 1] te kunnen spreken. Verdachte is vervolgens in contact gebracht met verbalisant [verbalisant 1].

b. Verdachte heeft ten overstaan van [verbalisant 1] verklaard dat hij, verdachte, alleen [verbalisant 1] wilde spreken omdat hij in hem vertrouwen had. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de waarheid wil vertellen omdat hij spijt had van hetgeen was gebeurd en dat hij met zijn bekentenis naar de jongens toe wilde aangeven dat hij fout is geweest.

c. Vervolgens is verdachte voorgeleid aan de rechter-commissaris. In het bijzijn van zijn raadsman heeft verdachte bij de rechter-commissaris, mw. mr. [rechter-commissaris], verklaard dat hij best een bekentenis wil afleggen, maar dat hij over de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden makkelijker praat tegen een man. Verdachte gaf daarbij aan dat hij vertrouwen heeft in verbalisant [verbalisant 1] en dat hij tegenover [verbalisant 1] gaat verklaren over hetgeen op seksueel gebied met [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] is voorgevallen.

d. Uit de brief van justitieel forensisch psychiater H.L.C. Morre blijkt dat hij verdachte op 20 oktober 2006 in psychiatrisch consult heeft gezien, zulks onder meer ter beoordeling van de psychische conditie van verdachte. Verdachte heeft tegenover hem verklaard dat hij tot inkeer is gekomen en dat hij openheid van zaken wil geven, maar dit slechts ten overstaan van [verbalisant 1]. Uit het psychiatrisch onderzoek komt voorts naar voren dat het bewustzijn van verdachte helder en normaal van omvang was, de concentratie ongestoord, dat er geen defecten bestonden in geheugen en oriëntatie en dat het denken coherent van vorm was en normaal van tempo. H.L.C. Morre concludeerde dat hij in zijn onderzoek geen verschijnselen waarnam die hem deden denken aan een psychiatrische ziekte of stoornis.

e. Verdachte heeft vervolgens bij een tweetal verhoren op 24 oktober 2006 ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1] bekend zich schuldig te hebben gemaakt aan seksueel misbruik van [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1].

f. Verdachte heeft een vrij gedetailleerde bekentenis afgelegd. Zo beschrijft verdachte in zijn verklaring over het seksueel contact met [benadeelde partij 3] nauwkeurig hoe een en ander plaatsvond. Over het seksueel contact met [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] verklaart verdachte onder meer dat met hen hetzelfde is gebeurd als met [benadeelde partij 3], waarna verdachte ook de met hen verrichte seksuele handelingen heeft beschreven.

g. Hoewel tijdens het verhoor van 15 november 2006 weliswaar een kentering plaatsvond in de houding van verdachte, heeft hij op die datum zijn eerder afgelegde bekentenis niet ingetrokken, doch onder meer gezegd dat hij niet weet wat hem bezield heeft om die dingen te doen.

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte herhaalde malen heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan seksueel misbruik van jongens, dat hij zijn bekennende verklaring heeft afgelegd ten overstaan van een persoon in wie hij op dat moment vertrouwen had en dat bij hem, toen hij de beslissing had genomen om openheid van zaken te geven, het bewustzijn helder en normaal was en dat geen verschijnselen zijn waargenomen die deden denken aan een psychiatrische ziekte of stoornis.

Om bovengenoemde redenen, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof – anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal – van oordeel dat geen sprake is van verklaringen die door de samenloop of de druk van de omstandigheden tot stand zijn gekomen en deswege onbetrouwbaar zijn. Het hof acht de door verdachte afgelegde verklaringen over het seksueel misbruik van [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1], gelet op hetgeen hiervoor is vermeld, betrouwbaar. Het hof zal deze verklaringen dan ook – zoals na te melden onder het kopje ‘bewijsmiddelen’ – tot het bewijs bezigen.

B. De verklaringen van [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1]

De verklaringen van [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] vinden op diverse onderdelen bevestiging in de bekennende verklaringen van verdachte. De verdediging heeft echter aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, aangezien door de wijze van verhoren door de verhorend verbalisant (met name door het stellen van gesloten, suggestieve vragen) de betrouwbaarheid van die verklaringen niet meer kan worden getoetst.

Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verklaringen van [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Weliswaar komen de deskundigen prof. dr. R. Bullens en dr. I. Candel , die beiden een onderzoek hebben gedaan naar de door [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] afgelegde verklaringen teneinde daarvan de betrouwbaarheid te beoordelen, tot de conclusie dat op de wijze van verhoren het nodige aan te merken valt. Dit staat er naar het oordeel van het hof echter niet aan in de weg de verklaringen van de drie jongens, waar deze verklaringen steun vinden in de door verdachte zelf afgelegde verklaringen over het seksueel misbruik, betrouwbaar te achten, te meer nu ook de verklaringen van de jongens elkaar op onderdelen bevestigen.

Het hof neemt daarbij nog het navolgende in aanmerking:

a. Ten aanzien van de verklaring van [benadeelde partij 3] heeft deskundige Bullens op pagina 22 van zijn rapport verklaard: “Hij gaat gedurende het interview niet in op de suggestieve vragen van de interviewers. Hij is dan ook suggestieresistent te noemen. Voorts heeft hij nergens de neiging om zijn verhaal ‘erger’ (i.e. heldhaftiger of ‘groter’) te maken. Zelfs als hij, door de vragen van de kant van de interviewer, daarvoor de gelegenheid zou hebben om zijn verklaring (fors) aan te dikken, doet hij dat nadrukkelijk niet. Voorts maakt de verklaring van [benadeelde partij 3] geen ‘ingeblikte’ indruk”. Op pagina 33 verklaart deskundige [deskundige 2]: “De verklaring van [benadeelde partij 3] kent een logische structuur en hij lijkt zijn verhaal op elk moment te kunnen oppakken.” Op pagina 66 van zijn rapport merkt deskundige Bullens op: “Samenvattend kan worden gesteld dat er een redelijk groot aantal criteria wordt teruggevonden in de CBCA die een bijdrage leveren aan de betrouwbaarheid/geloofwaardigheid van de verklaring die [benadeelde partij 3] heeft afgelegd.”

b. Ten aanzien van de verklaring van [benadeelde partij 2] heeft deskundige Bullens op pagina 32 van zijn rapport verklaard: “De verklaringen van [benadeelde partij 2] maken geen ‘ingeblikte’ indruk: hij geeft geen blijk van een tamelijk vastomlijnde ordening in zijn verhaal. Hij kan over losse (vermeende) seksuele handelingen vertellen, zonder dat deze in een specifieke context moeten worden verteld. Ook kan [benadeelde partij 2] af en toe letterlijke conversatie noemen.” Op pagina 65 verklaart deskundige Bullens: “Samenvattend kan worden gesteld dat er een aantal criteria in de CBCA wordt teruggevonden die een bijdrage leveren aan de betrouwbaarheid/geloofwaardigheid van de verklaringen die [benadeelde partij 2] heeft afgelegd.”

Bij weging van de argumenten pro en contra die volgens de deskundige Bullens in gedragswetenschappelijk opzicht geacht worden betrekking te hebben op de betrouwbaarheid/geloofwaardigheid van de verklaringen van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2], acht het hof die verklaringen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de omstandigheid dat die verklaringen steun vinden in de bekennende verklaringen van verdachte en op onderdelen ook elkaar ondersteunen, betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het hof zal deze verklaringen dan ook – zoals na te melden onder het kopje ‘bewijsmiddelen’ – tot het bewijs bezigen.

Voor wat betreft de verklaring van [benadeelde partij 1] heeft de deskundige Bullens gerapporteerd dat over de (on-)betrouwbaarheid van [benadeelde partij 1]s verklaring niets kan worden gezegd. Nu evenwel ook de verklaringen van [benadeelde partij 1] op diverse onderdelen bevestiging vinden in de bekennende verklaringen van verdachte, alsmede in de verklaring van [benadeelde partij 2], zal het hof deze verklaringen – zoals na te melden onder het kopje ‘bewijsmiddelen’ – tot het bewijs bezigen.

Dat de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik niet op alle punten is nageleefd, levert, mede gelet op het voorgaande, geen grond op de verklaringen van de jongens uit te sluiten van het bewijs.

Afwijzing verzoek verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep op 6 februari 2009 heeft de verdediging het eerder gedane verzoek tot het horen van [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] als getuigen herhaald.

Het hof wijst dit verzoek af, nu het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid en/of het welzijn van [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] door het afleggen van een getuigenverklaring in gevaar wordt/worden gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang de getuigen te kunnen ondervragen. Zulks geldt zowel voor het horen van de jongens als getuige ter terechtzitting, als voor het horen als getuige door de rechter- of raadsheer-commissaris, al dan niet middels een (studio)verhoor bij de politie.

Het hof heeft bij dit oordeel doorslaggevende waarde toegekend aan de bevindingen en conclusies van de deskundige T.A.W. van der Schoot. Deze deskundige heeft een onderzoek gedaan ter beantwoording van de vraag of bij een verhoor van [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] al dan niet het gegronde vermoeden bestaat dat hun gezondheid en/of welzijn door het afleggen van een verklaring in gevaar wordt gebracht en, zo ja, in welke mate.

De deskundige heeft geconcludeerd dat het ten aanzien van [benadeelde partij 3] waarschijnlijk wordt geacht dat het afleggen van de beoogde verklaring de gezondheid in aanzienlijke mate zal schaden en dat het ten aanzien van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] zeer waarschijnlijk wordt geacht dat het afleggen van de beoogde verklaring de gezondheid in ernstige mate zal schaden. Ter zitting in hoger beroep op 2 april 2008 heeft de deskundige zijn conclusies nader toegelicht en nogmaals geadviseerd niet over te gaan tot het horen van de jongens.

Het hof ziet geen aanleiding om aan de bevindingen en conclusies van de deskundige te twijfelen. Het hof merkt op dat ook het belang van de gezondheid van eventuele getuigen bescherming vindt in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het hof heeft de verdediging ter terechtzitting compensatie geboden door de zaak terug te wijzen naar de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Roermond, teneinde een deskundige te benoemen en aan deze deskundige de opdracht te verstrekken om, aan de hand van de verhoren (zowel in schriftelijke vorm als de daarvan gemaakte geluidsopnamen), een deskundig oordeel te geven omtrent de betrouwbaarheid van de door [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] afgelegde verklaringen.

Genoemde terugwijzing heeft geleid tot de hiervoor genoemde rapporten van de deskundigen prof. dr. R. Bullens en dr. I. Candel. Ter terechtzitting is de verdediging voorts in de gelegenheid gesteld om aan beide deskundigen vragen te stellen. Het hof is van oordeel aldus voldoende compensatie te hebben geboden aan de verdediging voor het niet kunnen horen van [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] als getuige.

Van schending van het bepaalde in artikel 6 van het EVRM is onder deze omstandigheden geen sprake. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in het geval de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, artikel 6 EVRM niet in de weg hoeft te staan aan het gebruik tot bewijs van het proces-verbaal van politie, waarin die verklaring is opgenomen, mits de betrokkenheid van verdachte bij hetgeen hem ten laste is gelegd in voldoende mate wordt bevestigd door ander bewijs. Daarvan is in het onderhavige geval sprake, nu de door [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] afgelegde verklaringen, voor zover gebezigd voor het bewijs, in belangrijke mate steun vinden in de bekennende verklaringen van verdachte zelf.

Bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de navolgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Gelet op het vorenstaande legt het hof aan het bewijs ten grondslag de bekennende verklaringen van verdachte en de verklaringen van [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1], voor zover deze steun vinden in de bekennende verklaringen van verdachte.

Ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde

Verdachte heeft op 20 oktober 2006 verklaard dat hij oraal en anaal seksueel contact heeft gehad met [benadeelde partij 1]. [benadeelde partij 1] is geboren op 1 juni 1994. Op 24 oktober 2006 heeft verdachte verklaard dat hij in zijn woning in Vlodrop [benadeelde partij 1] met zijn hand heeft betast aan zijn geslachtsdeel en dat het zou kunnen dat hij het geslachtsdeel van [benadeelde partij 1] met zijn mond heeft aangeraakt. [benadeelde partij 1] heeft ook wel eens met zijn hand het geslachtsdeel van verdachte betast. Verdachte heeft voorts [benadeelde partij 1] met zijn vinger anaal gepenetreerd. Het seksueel contact tussen verdachte en [benadeelde partij 1] heeft volgens verdachte meermalen plaatsgevonden.

Het vorenstaande vindt bevestiging in hetgeen [benadeelde partij 2] heeft verklaard. [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat verdachte het geslachtsdeel van [benadeelde partij 1] in de mond heeft genomen.

Het vorenstaande vindt voorts bevestiging in hetgeen [benadeelde partij 1] zelf heeft verklaard, namelijk dat verdachte [benadeelde partij 1]s geslachtsdeel heeft aangeraakt met zijn hand en zijn mond en dat verdachte zijn vinger in de anus van [benadeelde partij 1] heeft gestoken en dat dit meermalen is gebeurd.

Over de periode waarin de seksuele handelingen zijn verricht, heeft verdachte op 24 oktober 2006 verklaard dat [benadeelde partij 1] met [benadeelde partij 2] is meegekomen. Dat was nadat [benadeelde partij 2] met [benadeelde partij 3] was meegekomen. [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat de seksuele handelingen zijn verricht in de periode voor zijn twaalfde verjaardag, zoals [benadeelde partij 1] dit zelf zegt: “omdat ik er een paar maanden voor mijn verjaardag was geweest” .

Ten aanzien van het eind van de periode waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden geeft [benadeelde partij 1] aan dat die zijn beëindigd nadat de moeder van [benadeelde partij 2] bij verdachte aan de deur is geweest. Uit de aangifte van [aangever 1] blijkt dat dit is geweest op 24 mei 2006.

Ten aanzien van het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde

Verdachte heeft op 20 oktober 2006 verklaard dat hij oraal en anaal seksueel contact heeft gehad met [benadeelde partij 2]. [benadeelde partij 2] is geboren op 5 juli 1993 . Op 24 oktober 2006 heeft verdachte verklaard dat hij in zijn woning in Vlodrop [benadeelde partij 2] met zijn hand heeft betast aan zijn geslachtsdeel en dat het mogelijk is dat verdachte het geslachtsdeel van [benadeelde partij 2] met zijn mond heeft aangeraakt. [benadeelde partij 2] heeft ook wel eens met zijn hand het geslachtsdeel van verdachte betast. Verdachte heeft voorts [benadeelde partij 2] met zijn vinger anaal gepenetreerd. Het seksueel contact tussen verdachte en [benadeelde partij 2] heeft volgens verdachte meerdere malen plaatsgevonden.

Het vorenstaande vindt bevestiging in hetgeen [benadeelde partij 3] heeft verklaard, namelijk dat verdachte met zijn mond aan het geslachtsdeel van [benadeelde partij 2] heeft gezeten. Het vorenstaande vindt voorts bevestiging in hetgeen [benadeelde partij 2] zelf heeft verklaard. [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat verdachte met zijn handen en met zijn mond [benadeelde partij 2]’s geslachtsdeel heeft aangeraakt. Dit heeft verdachte meerdere keren gedaan. [benadeelde partij 2] heeft ook verklaard dat hij met zijn hand het geslachtsdeel van verdachte heeft aangeraakt en dat verdachte meerdere keren zijn vinger in zijn, [benadeelde partij 2]’s, anus heeft gestoken.

Over de periode waarin de seksuele handelingen zijn verricht, heeft verdachte op 24 oktober 2006 verklaard dat er al seksuele handelingen zijn verricht bij [benadeelde partij 2] toen deze met [benadeelde partij 3] meekwam. Verdachte heeft verklaard dat hij toen met een vinger in de anus van [benadeelde partij 2] is binnengedrongen. Blijkens het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] kreeg [benadeelde partij 3] op 4 juli (naar het hof begrijpt) 2005 voor de derde maal te maken met de politie. Op grond van dit justitiële contact is [benadeelde partij 3] geplaatst in de Justitiële Jeugdinrichting ‘De Heuvelrug’ locatie ‘Eikenstein’ te Zeist. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de eerste seksuele handelingen tussen verdachte en [benadeelde partij 2] moeten hebben plaatsgevonden vóórdat [benadeelde partij 3] op 4 juli 2005 voor de derde maal in contact kwam met de politie. Op dat moment had [benadeelde partij 2] de leeftijd van twaalf jaren nog niet bereikt, immers hij is geboren op 5 juli 1993.

Voorts heeft verdachte verklaard dat, toen [benadeelde partij 3] niet meer kwam, na enige tijd [benadeelde partij 2] – toen samen met [benadeelde partij 1] – naar zijn, verdachtes, woning kwam. Dit was derhalve in de periode na 4 juli 2005 en nadat [benadeelde partij 2] 12 jaar geworden was. Uit de verklaring van verdachte kan worden afgeleid dat de door verdachte beschreven seksuele handelingen, waaronder het binnendringen met de vinger in de anus van [benadeelde partij 2], in ieder geval nog twee keer heeft plaatsgevonden in de periode dat [benadeelde partij 2] met [benadeelde partij 1] bij verdachte kwam. Verdachte verklaart immers dat de seksuele contacten met [benadeelde partij 2] vier maal hebben plaatsgevonden, en dat dit twee keer is gebeurd in de periode dat [benadeelde partij 2] met [benadeelde partij 3] in zijn woning kwam.

Ten aanzien van het eind van de periode waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, blijkt uit de aangifte van [aangever 1] dat zij op 24 mei 2006 bij verdachte aan de deur is geweest. [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat hij daarna niet meer bij de verdachte binnen is geweest.

Ten aanzien van het onder 8 en 9 ten laste gelegde

Verdachte heeft op 24 oktober 2006 verklaard dat hij in zijn woning in Vlodrop meermalen seksueel contact heeft gehad met [benadeelde partij 3] . [benadeelde partij 3] is geboren op 3 maart 1992 . Hij heeft het geslachtsdeel van [benadeelde partij 3] vastgepakt en vervolgens op- en neergaande bewegingen gemaakt. Verdachte heeft [benadeelde partij 3] zijn geslachtsdeel laten vastpakken en vervolgens op- en neergaande bewegingen laten maken. Hij heeft [benadeelde partij 3] met zijn vinger anaal gepenetreerd. Dit heeft meerdere keren plaatsgevonden. Het is volgens verdachte mogelijk dat hij wel eens het geslachtsdeel van [benadeelde partij 3] heeft aangeraakt met zijn mond.

Het vorenstaande vindt bevestiging in hetgeen [benadeelde partij 3] heeft verklaard. [benadeelde partij 3] heeft verklaard dat verdachte met zijn hand aan zijn, [benadeelde partij 3]s, geslachtsdeel heeft getrokken. Ook heeft verdachte een vinger in [benadeelde partij 3]s anus gestoken en met zijn mond aan het geslachtsdeel van [benadeelde partij 3] gezeten. [benadeelde partij 3] heeft verklaard dat verdachte zijn, [benadeelde partij 3]s, plasser in zijn mond had gestopt. [benadeelde partij 3] heeft voorts verklaard met zijn hand aan verdachtes geslachtsdeel te hebben gezeten en op en neergaande bewegingen te hebben gemaakt. Het vorenstaande vindt voorts bevestiging in hetgeen [benadeelde partij 2] heeft verklaard. [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat verdachte met zijn mond het geslachtsdeel van [benadeelde partij 3] heeft aangeraakt. [benadeelde partij 2] heeft ook verklaard dat verdachte met zijn hand aan het achterwerk van [benadeelde partij 3] is geweest.

Over de periode waarin de seksuele handelingen zijn verricht, heeft verdachte op 24 oktober 2006 verklaard dat hij [benadeelde partij 3], geboren op 3 maart 1992, leerde kennen in de zomer van 2004. Deze verklaring strookt met hetgeen [benadeelde partij 3] zelf heeft verklaard naar aanleiding van de vraag hoe oud hij was toen hij verdachte leerde kennen: “Ik was toen 11 of 12 jaar oud.” Het seksueel contact met [benadeelde partij 3] heeft in ieder geval niet meer plaatsgevonden na 4 juli 2005, aangezien [benadeelde partij 3] op het moment dat hij door justitie elders geplaatst werd niet meer naar verdachte kon.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken. Het hof gaat er immers – gelet op het vorenstaande – van uit dat verdachte [benadeelde partij 3] leerde kennen in de zomer van 2004. Op dat moment had [benadeelde partij 3] de leeftijd van twaalf jaren reeds bereikt.

Bewezenverklaring

Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden zoals deze volgen uit bovenvermelde bewijsoverwegingen en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 mei 2006 te Vlodrop meermalen met [benadeelde partij 1], geboren op 1 juni 1994, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 1];

3.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 mei 2006 te Vlodrop meermalen met [benadeelde partij 1], geboren op 1 juni 1994, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd en die [benadeelde partij 1] tot het plegen van ontuchtige handelingen heeft verleid, welke ontuchtige handelingen hebben bestaan uit

- het ontuchtig betasten van de penis van die [benadeelde partij 1] en

- het ontuchtig door die [benadeelde partij 1] laten betasten van zijn, verdachtes, penis en

- het ontuchtig in zijn, verdachtes, mond nemen van de penis van die [benadeelde partij 1];

4.

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 4 juli 2005 te Vlodrop meermalen met [benadeelde partij 2], geboren op 5 juli 1993, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 2];

5.

hij in de periode van 5 juli 2005 tot en met 22 mei 2006 te Vlodrop meermalen met [benadeelde partij 2], geboren op 5 juli 1993, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 2];

6.

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 22 mei 2006 te Vlodrop meermalen met [benadeelde partij 2], geboren op 5 juli 1993, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd en die [benadeelde partij 2] tot het plegen van ontuchtige handelingen heeft verleid, welke ontuchtige handelingen hebben bestaan uit

- het ontuchtig betasten van de penis van die [benadeelde partij 2] en

- het ontuchtig door die [benadeelde partij 2] laten betasten van zijn, verdachtes, penis en

- het ontuchtig in zijn, verdachtes, mond nemen van de penis van die [benadeelde partij 2];

8.

hij in de periode van 3 maart 2004 tot en met 4 juli 2005 te Vlodrop meermalen met [benadeelde partij 3], geboren op 3 maart 1992, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 3];

9.

hij in de periode van 3 maart 2004 tot en met 4 juli 2005 te Vlodrop meermalen met [benadeelde partij 3], geboren op 3 maart 1992, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd en die [benadeelde partij 3] tot het plegen van ontuchtige handelingen heeft verleid, welke ontuchtige handelingen hebben bestaan uit

- het ontuchtig trekken aan de penis van die [benadeelde partij 3],

- het ontuchtig door die [benadeelde partij 3] laten trekken aan zijn, verdachtes, penis en

- het ontuchtig in zijn, verdachtes, mond nemen van de penis van [benadeelde partij 3].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 en 4 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 5 en 8 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 3, 6 en 9 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De eerste rechter heeft verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn gedeeltelijk toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 5 jaren met aftrek van voorarrest en met toewijzing van de vorderingen der benadeelde partijen, met toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en vervangende hechtenis, op gelijke wijze als door de eerste rechter is toegewezen.

De verdediging heeft – gelet op het primaire niet-ontvankelijkheidsverweer en het subsidiaire vrijspraakverweer – bepleit dat de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard.

Het hof overweegt als volgt:

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is van ernstige feiten. Verdachte heeft gedurende een lange periode meermalen seksuele handelingen verricht met drie jonge jongens, soms in aanwezigheid van elkaar. Er is sprake geweest van betasten, aftrekken, zogenaamd ‘pijpen’, terwijl er ook sprake is geweest van het seksueel binnendringen van de anus van deze jongens. De verdachte heeft jonge kinderen, soms nog onder de 12 jaar, tot object gemaakt van zijn lustbevrediging, met voorbijgaan van hun legitieme belang bij een ongestoorde ontwikkeling, ook op seksueel terrein.

Door deze handelwijze heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de fysieke en psychische integriteit van zijn jeugdige slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten grote schade kunnen toebrengen aan de ontwikkeling van jonge kinderen. Dat de feiten een grote impact hebben gehad op de slachtoffers, blijkt uit de aanwezige processtukken, met name uit het rapport van de deskundige T.A.W. van der Schoot.

Een straf van vergelijkbare zwaarte als opgelegd door de rechtbank acht het hof dan ook gerechtvaardigd. Bij de straftoemeting heeft het hof echter rekening gehouden met de omstandigheid dat het hof minder bewezen heeft geacht dan de eerste rechter. Om die reden zal het hof een lagere straf opleggen dan de eerste rechter.

Voorts heeft het hof er rekening mee gehouden dat verdachte blijkens het psychologisch rapport van M.M. van der Veer van 22 januari 2006 verminderd toerekeningsvatbaar is.

Schadevergoeding

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1], wonende te [adres], heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 3.000,--, vermeerderd met wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 3.000,--. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot een bedrag van EUR 3.000,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De hoogte van het toegewezen bedrag is in hoger beroep niet betwist. Het hof zal derhalve hetzelfde toewijzen als door de rechtbank is toegewezen, derhalve een bedrag van

EUR 3.000,--. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden, met toepassing van vervangende hechtenis.

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te [adres], heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van

EUR 4.000,--, vermeerderd met wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 4.000,--. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot een bedrag van EUR 4.000,--.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De hoogte van het toegewezen bedrag is in hoger beroep niet betwist. Het hof zal derhalve hetzelfde toewijzen als door de rechtbank is toegewezen, derhalve een bedrag van

EUR 4.000,--. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden, met toepassing van vervangende hechtenis.

[benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3], wonende te [adres], heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 8.000,--. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 5.000,--. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De hoogte van de vordering is in hoger beroep door de verdediging niet betwist. Het hof zal derhalve de vordering toewijzen, en wel tot een bedrag van EUR 8.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden, met toepassing van vervangende hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 57, 244, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het 1, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het 1, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 bewezen verklaarde oplevert:

Ten aanzien van feit 1:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 6:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 8:

Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 9:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Schadevergoeding

[benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], wonende te [adres], toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 3.000,00 (drieduizend euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde partij 1] voornoemd, aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 3.000,00 (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

[benadeelde partij 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], wonende te [adres], toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 4.000,00 (vierduizend euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde partij 2] voornoemd, aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

[benadeelde partij 3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3], wonende te [adres], toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 8.000,00 (achtduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 juli 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde partij 3] voornoemd, aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 8.000,00 (achtduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 juli 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 160 (honderd) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. C.R.L.R.M. Ficq en mr. A.R.O. Mooy,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,

en op 20 februari 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.