Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH4350

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-03-2009
Datum publicatie
02-03-2009
Zaaknummer
20-003339-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte voor de moord op haar partner tot 9 jaren gevangenisstraf, met last tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Een verweer van de raadsman strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in verband met door de verhorende verbalisanten tegenover verdachte gedane uitlatingen omtrent haar raadsman wordt verworpen. Ook het verweer waarbij de raadsman een beroep doet op de arresten Salduz en Panovitz wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003339-08

Uitspraak : 2 maart 2009

TEGENSPRAAK

(promis)

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2008 in de strafzaak met parketnummer 01-849238-07 tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1983,

thans verblijvende in PI Overijssel, PIV HvB Zwolle te Zwolle,

bij welk vonnis de verdachte ter zake van moord is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, met last dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 6.582,77 en dienovereenkomstige oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met beslissingen omtrent het beslag.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] voor de hoofdsom van EUR 6.582,77 toegewezen. De tevens gevorderde wettelijke rente is niet toegewezen. De voeging duurt in hoger beroep van rechtswege voort voor zover de vordering is toegewezen. De benadeelde partij heeft zich op 14 januari 2009 in hoger beroep - binnen de grenzen van haar eerste vordering - opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van EUR 6.582,77, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. G.P.N. Robben en van hetgeen namens de verdachte door haar raadsman mr. P.W. van der Kruijs naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en haar ter zake van moord zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, met last dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 6.582,77 en dienovereenkomstige oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met beslissingen omtrent het beslag conform de beslissingen van de eerste rechter.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 26 maart 2007 te Vlijmen opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [naam slachtoffer] (met behulp van handboeien) geboeid en/of een doek/laken/deken, in elk geval een voorwerp, om diens hals/nek gedaan en/of (vervolgens) aan deze/die/dat doek/laken/deken, in elk geval aan dat voorwerp, getrokken en/of (zodoende) die [naam slachtoffer] verwurgd, in elk geval diens luchtwegen afgesloten, tengevolge waarvan voornoemde

[naam slachtoffer] is overleden.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

Het verweer houdt in de kern in dat de verhorende politiemensen zich in het vijftiende verhoor van de verdachte laatdunkend hebben uitgelaten over de raadsman van de verdachte, waardoor die raadsman in de ogen van de verdachte werd gediskwalificeerd als raadsman. De positie van de raadman, vaak de enige vertrouwenspersoon van een verdachte tijdens het voorarrest, is een van de kernwaarden van een eerlijk strafproces. Kennelijk is, nadat de verdachte veertien verhoren lang had ontkend, geprobeerd een wig te drijven tussen raadsman en verdachte, waardoor het niet hoeft te verwonderen dat deze kwetsbare verdachte een nieuw ankerpunt zoekt bij de verhorende politiefunctionarissen.

Dit enkele gegeven is, aldus de raadsman, een zo ernstige inbreuk op een eerlijk proces, dat reeds hierom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

Daar komt bij dat na het zestiende verhoor (18 april 2007) de verdachte met de politie een afspraak heeft gemaakt voor een nieuw verhoor, dat plaats vond op 24 april 2007, waarin verdachte, voor het eerst, een bekennende verklaring heeft afgelegd. De politie had echter, aldus het verweer, niet tot dit verhoor mogen overgaan zonder aanwezigheid van de raadsman.

De raadsman is echter niet uitgenodigd bij het verhoor aanwezig te zijn en de verdachte is niet gevraagd of zij haar advocaat bij het verhoor aanwezig wilde hebben. Zoals blijkt uit de arresten Salduz en Panovits van het EHRM, is dit een schending van het recht op een eerlijk proces als neergelegd in art. 6 EHRM.

Het hof stelt voorop dat het de uitlatingen van de verbalisanten over de raadsman in het vijftiende verhoor onbehoorlijk en ontoelaatbaar acht. Het zijn ongefundeerde en ongenuanceerde uitlatingen over iets wat de verbalisanten niet kunnen overzien en die het risico in zich bergen dat het vertrouwen dat de verdachte in haar raadsman moet kunnen hebben, wordt geschaad. Het hof is het eens met de raadsman dat rechtsbijstand aan een preventief gedetineerde verdachte een zeer belangrijke pijler is van een eerlijk strafproces. Een verdachte moet in staat zijn om zijn of haar proceshouding te bepalen. Zijn/haar vrijheid om niet belastend te verklaren over zichzelf wordt mede gegarandeerd door bijstand van een advocaat.

Ter relativering moet echter worden opgemerkt in de eerste plaats dat het hier gaat om een emotioneel en voor de verhoren mogelijk relevant onderwerp (te weten waarom de verdachte niet bij de uitvaart van het slachtoffer was). Kennelijk meenden de verbalisanten dat ofwel de verdachte niet geïnteresseerd was in die uitvaart, ofwel dat haar advocaat verwijtbaar had verzuimd een verzoek in te dienen dat verdachte bij de uitvaart aanwezig mocht zijn, welk verzoek in de ogen van verbalisanten vast wel zou zijn toegewezen.

Het hof ziet hierin geen doelbewuste poging om, door het vertrouwen van de verdachte in haar advocaat te beschadigen, de verdachte tot bekennen te brengen.

In de tweede plaats gaat het om een zeer klein deel (drie bladzijden, p. 603-605) op een geheel van vele honderden bladzijden die alle verhoren tezamen in beslag nemen.

In de derde plaats is niet aannemelijk geworden dat de kwestie een ontwrichtende werking heeft gehad op het vertrouwen van de verdachte in haar raadsman. Immers de verdachte is van deze raadsman gebruik blijven maken en heeft hem op belangrijke momenten geconsulteerd tijdens het vooronderzoek en heeft zich op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep door hem laten verdedigen.

Anders gezegd: het feit dat de bekennende verklaring (24 april) is afgelegd nadat de verbalisanten zich (op 17 april) laatdunkend hadden uitgelaten over de raadsman, betekent nog niet dat die bekennende verklaring is afgelegd doordat de verbalisanten zich zo hadden uitgelaten. Post sed non propter.

Het hof ziet hierin geen zodanige schending van een zo belangrijk beginsel van het strafproces, dat van een eerlijk proces niet meer kan worden gesproken. Evenmin kan worden gezegd dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan aan haar recht op een eerlijk proces.

Wat betreft het beroep op de arresten van het EHRM inzake Salduz en Panovits overweegt het hof dat het recht op “access to a lawyer” niet inhoudt dat een verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een raadsman bij een politieverhoor, maar veeleer dat een verdachte het recht heeft een raadsman te consulteren met het oog op en ter voorbereiding van zulke verhoren. De strekking is dat een verdachte met hulp van een raadsman zijn proceshouding moet kunnen bepalen.

In dit geval acht het hof van belang dat de verdachte zelf, na het zestiende verhoor op 18 april 2007, contact heeft gezocht met de verhorende opsporingsambtenaren, om een nadere en mogelijk bekennende verklaring te gaan afleggen. Dit contact heeft telefonisch plaatsgehad op 20 april 2007 om 15:22 uur. Het verbatim-verslag van dit telefoongesprek zit als bijlage 130 in het dossier. Het blijkt dat de verdachte zegt dat ze wat te vertellen heeft, maar dat ze dat beter eerst met haar advocaat kan bespreken, die ze echter niet te pakken kan krijgen. Verbalisante zegt: “Ik begrijp [voornaam verdachte] dat je wil verklaren wat er gebeurd is”. De verdachte zegt “Ja”. Verbalisante zegt dan: “Ja, oke, ja, als jij eerst met je advocaat moet bellen dan moet je dat ook doen.” Verderop zegt verbalisante dat ze een verhoor de komende week gaat regelen, “maar probeer dan zo snel mogelijk je advocaat te bellen.”

Het volgende, zeventiende verhoor vindt plaats op 24 april 2007. Het verhoor vangt aan met de vraag van verbalisanten of verdachte nog met haar advocaat heeft gesproken. Verdachte antwoordt: “Ja, ook nog, laat”. (blz. 757). Aan het slot van het verhoor delen verbalisanten mee dat ze het verhoor gaan stoppen en dat ze morgen terugkomen. “En of je je advocaat nog een keer wil bellen zo meteen. Zou ik eens aan hem vragen wat openheid van zaken inhoudt.” Verdachte antwoordt: “Ik hoef mijn advocaat niet te bellen”. (blz. 857).

Uit dit alles volgt dat de verbalisanten de verdachte gewezen hebben op de mogelijkheid van overleg met haar raadsman en dat verdachte van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt voorafgaande aan het verhoor van 24 april 2007 waarin zij voor het eerst bekent dat zij [naam slachtoffer] heeft gewurgd.

Er was geen verplichting voor verbalisanten om verdachte te wijzen op de mogelijkheid haar advocaat bij het verhoor aanwezig te laten zijn (zo die mogelijkheid rechtens al bestaat). Een dergelijke verplichting volgt niet uit het Panovits-arrest. Blijkens par. 73 van dit arrest breekt het hof de staf over het feit dat de verdachte onvoldoende gewezen was op zijn recht om een advocaat te raadplegen voordat hij werd verhoord door de politie, met name nu de verdachte nog minderjarig was en tijdens het verhoor niet werd bijgestaan door zijn “guardian”. Dit is een andere situatie dan de onderhavige: verdachte was niet minderjarig en bovendien is verdachte door de politie gewezen op de wenselijkheid haar advocaat te raadplegen en heeft verdachte haar raadsman geconsulteerd voorafgaande aan het zeventiende verhoor. Dit onderstreept dat de politie er niet op uit was om verdachte buiten haar raadsman om tot een bekentenis te brengen.

Het hof concludeert dat het recht op een eerlijk proces niet is geschonden en dat er geen aanleiding is het OM niet-ontvankelijk te verklaren. Het verweer wordt dus verworpen.

Bewijsmotivering

Het hof stelt het volgende vast.

Het slachtoffer [naam slachtoffer] wordt op 26 maart 2007 rond 5.45 uur levenloos aangetroffen in de slaapkamer op de eerste etage van zijn woning aan de [straatnaam] te Vlijmen, gemeente Heusden. Het slachtoffer ligt dwars op het bed, met zijn hoofd over de rand, met zijn armen geboeid onder het lichaam, een doek over zijn ogen en een doek strakgebonden om zijn nek. Het slachtoffer is overleden ten gevolge van verwurging. Volgens het obductieverslag van de patholoog Ann Maas was het overlijden te verklaren als gevolg van verstikking door omsnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals. Het tijdstip van overlijden ligt op 26 maart 2007 tussen 03.01 uur (het tijdstip waarop verdachte haar laatste zoekopdracht invoerde op het internet, waarna zij naar de slaapkamer ging waar zich vervolgens het bewezenverklaarde delict afspeelde) en 05.35 uur (het tijdstip waarop verdachte, na het delict, 112 belde).

De verdachte heeft bekend dat zij het slachtoffer heeft gedood. Zij heeft hierover onder meer het navolgende verklaard, in samenvattende zin weergegeven.

De handboeien heb ik op vrijdag 23 maart 2007 op het hoekje van het bed aan het voeteneind neergelegd. (In de nacht van 25 op 26 maart 2007) gingen we naar bed. We maakten ruzie. Ik ben naar beneden gegaan. Uiteindelijk ben ik weer naar boven gegaan. [voornaam slachtoffer] was nog wakker. Het was na drieën. Ik geef hem het idee dat ik wel seks wil. De handboeien liggen nog steeds op dezelfde plaats als ze vrijdag lagen, onder het dekbed. Ik pak zijn handboeien en die doe ik bij hem om met zijn armen op zijn rug. Ik duw hem zachtjes op het bed en hij schuift op zijn rug omhoog. Toen heb ik het dekentje gepakt dat naast zijn hoofd op het bed lag en ik heb dit dekentje om zijn nek gedaan. Ik wilde dat hij zich net zo machteloos en bang voelde als ik. Uiteindelijk heb ik hem gewurgd door aan de uiteindes te trekken. Blijkbaar heb ik [voornaam slachtoffer] verwurgd met het dekentje. Ik zet met mijn armen kracht op de uiteindes van het dekentje om zijn nek door de ene kant naar links te trekken en de andere kant naar rechts en hij krijgt geen lucht. Dat kan je horen. Ik hoor dat hij het benauwd heeft, door de manier van ademhalen. Ik had het dekentje nog steeds vast en zette nog steeds kracht. Ik hoorde dat hij het benauwd had. Ik zette kracht om hem hetzelfde te laten voelen als hetgeen hij bij mij deed, het gevoel van angst en onmacht, geen lucht kunnen krijgen . Ik kan me niet herinneren dat ik ben opgestaan en naar de hoek van de slaapkamer ben gelopen, maar toen ik uit die hoek omhoog kwam besefte ik pas echt dat [voornaam slachtoffer] dood was. Ik voelde zijn voeten, maar ik kreeg geen reactie.

Op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gewurgd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de bekennende verklaringen van verdachte van het bewijs moeten worden uitgesloten. Hij heeft daartoe dezelfde gronden aangevoerd als waarop hij een beroep heeft gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof verwerpt dit verweer op dezelfde gronden als waarop het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is verworpen. Van een onherstelbaar vormverzuim (als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering) waardoor de verdachte in haar belang is getroffen, is geen sprake.

Voorbedachte raad

Om te kunnen aannemen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad is voldoende dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat zij over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

In de onderhavige zaak leidt het hof onder meer uit het internet gedrag van verdachte in de periode van 21 maart 2007 te 18.41 uur tot en met 26 maart 2007 te 3.01 uur af dat zij in die tijdspanne bezig is geweest met het voorbereiden van de verwurging van het slachtoffer.

Het hof geeft hieronder een selectie weer van de bijna 250 door verdachte ingegeven zoekopdrachten, met bijbehorende data en tijdstippen welke ook op haar laptop opgeslagen zijn (geweest):

21-03-07 te 18:41:39 uur: minuten dood verstikking zuurstofgebrek;

22-03-07 te 11:43:19 uur: murder with a pillow;

22-03-07 te 12:21:36 uur: carotis massage;

22-03-07 te 12:30:02 uur: carotis druk hals;

23-03-07 te 23:46:13 uur: “dood door verstikking”;

25-03-07 te 23:59:08 uur: moord bed man kussen;

26-03-07 te 00:07:51 uur: moord zonder bewijs;

26-03-07 te 01:14:20 uur: wegkomen met moord;

26-03-07 te 02:21:21 uur: carotis dichtdrukken;

26-03-07 te 02:25:52 uur: carotis gelijktijdig afsluiten;

26-03-07 te 02:35:02 uur: carotis intreden dood;

26-03-07 te 02:35:15 uur: verstikking intreden dood;

26-03-07 te 02:43:04 uur: verstikking dood moord;

26-03-07 te 02:46:57 uur: wurgen;

26-03-07 te 02:51:16 uur: vingerafdruk op stof;

26-03-07 te 02:52:37 uur: vingerafdruk op laken;

26-03-07 te 02:52:48 uur: vingerafdruk op sjaal;

26-03-07 te 02:57:03 uur: verstikken moeilijk;

26-03-07 te 03:00:00 uur: hoe te verstikken;

26-03-07 te 03:01:02 uur: verstikken.

Na 26 maart 2007 te 03:02:34 uur zijn geen internetpagina’s meer bekeken op de computer .

Verdachte heeft dus in de week voorafgaande aan de dood van het slachtoffer en tot kort daarvoor op verschillende tijdstippen met een groot aantal zoektermen gerelateerd aan levensberoving informatie gezocht op internet. Daarbij zijn ook zoekopdrachten (“wurgen”, “hoe te verstikken”) die overeenkomen met de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht. Bovendien zijn er zoekopdrachten (vingerafdruk op stof ”, “vingerafdruk op laken” en “vingerafdruk op sjaal”) die verwijzen naar het door verdachte gebruikte voorwerp (sjaal/deken/doek). Deze laatste en andere zoekopdrachten (“moord zonder bewijs” en “wegkomen met moord”) wijzen ook op een berekenend handelen om te voorkomen dat sporen zouden ontstaan die op een misdrijf zouden kunnen wijzen. Daar komt nog bij dat verdachte op 23 maart 2007 – en derhalve drie dagen voor de levensberoving – de door haar gebruikte handboeien op het hoekje van het bed aan het voeteneind heeft neergelegd.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd acht het hof bewezen dat verdachte het slachtoffer met voorbedachte rade heeft gedood.

Bewezenverklaring

Het hof acht - gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven en overwogen - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 26 maart 2007 te Vlijmen opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [naam slachtoffer] met behulp van handboeien geboeid en een deken om diens hals/nek gedaan en vervolgens aan die deken getrokken en zodoende die [naam slachtoffer] verwurgd, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Op verzoek van de rechter-commissaris in de rechtbank ’s-Hertogenbosch is door I. Brugman, psychiater, en L. van Rens, psycholoog, beiden vast gerechtelijke deskundigen, een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte. Het hof heeft kennis genomen van de door hen uitgebrachte deskundigenrapportages. Beide deskundigen geven in hun rapport aan dat zij geen uitspraak kunnen doen omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het delict. Brugman en Van Rens zijn ter terechtzitting in hoger beroep als deskundige gehoord. Bij deze gelegenheid hebben beide deskundigen verklaard dat zij bij nader inzien tot de conclusie zijn gekomen dat het feit in enigerlei mate verminderd aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het hof volgt hierin het oordeel van de deskundigen. Het hof gaat er derhalve – evenals de rechtbank – van uit dat het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het hof verwerpt de suggestie van de raadsman dat het bewezen verklaarde feit in het geheel niet aan de verdachte kan worden toegerekend. De raadsman heeft zich hierbij uitsluitend beroepen op de massale psychische problematiek bij verdachte, zoals die ook door de genoemde deskundigen is geconstateerd. De deskundigen hebben ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij niet geheel kunnen uitsluiten dat de verdachte ten tijde van het delict volledig ontoerekeningsvatbaar was, maar dat zij dit onwaarschijnlijk achten en niet hebben kunnen vaststellen. Van Rens heeft er hierbij op gewezen dat in zijn algemeenheid een persoonlijkheidsstoornis niet zo snel tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid zal leiden, dat zulks eerder het geval zal zijn bij psychotische stoornissen, maar dat bij verdachte een dergelijke psychotische stoornis niet is vastgesteld. Waarom de door de deskundigen getrokken conclusie omtrent de toerekenbaarheid niet juist zou zijn, is door de raadsman onvoldoende onderbouwd, terwijl ook overigens uit de deskundigenrapportages en het verhandelde ter terechtzitting geen concrete aanwijzingen naar voren komen voor de stelling dat verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar was.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar.

Sanctiemotivering

De rechtbank heeft verdachte ter zake van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De advocaat-generaal heeft ter zake van moord een gevangenisstraf voor de tijd van tien jaren gevorderd, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en met last dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

De raadsman heeft ervoor gepleit om bij de aanname dat de verdachte het feit in enigerlei mate kan worden toegerekend een gevangenisstraf op te leggen van niet meer dan drie jaren. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat aan verdachte geen terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan worden opgelegd, omdat aan de in de wet gestelde vereisten voor deze maatregel niet is voldaan. Meer in het bijzonder stelt de raadsman dat het moet gaan om een onaanvaardbaar risico op recidive en niet slechts om een matig verhoogd risico waartoe in de deskundigenrapportages wordt geconcludeerd. Volgens de raadsman zou een terbeschikkingstelling met voorwaarden alle mogelijkheden bieden voor de juiste behandeling van verdachte. Om te bezien hoe de voorwaarden moeten worden ingevuld, zou het onderzoek ter terechtzitting moeten worden geschorst.

Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Met betrekking tot de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege overweegt het hof het volgende.

Omtrent de persoon van de verdachte zijn rapporten uitgebracht door de gedragsdeskundigen I. Brugman, psychiater, en L. van Rens, psycholoog.

Het rapport van Brugman houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Betrokkene is een vrouw met een borderline persoonlijkheidsstoornis hetgeen blijkt uit het bestaan van een diepgaand patroon van instabiliteit in de diverse levensgebieden. De persoonlijkheid van betrokkene vertoont daarnaast enkele narcistische trekken. Er zijn sterke aanwijzingen voor een posttraumatische stressstoornis. Er zijn enige aanwijzingen dat betrokkene tevens aan een bipolaire stoornis lijdt.

Voorafgaand aan het plegen van het tenlastegelegde was er sprake van ernstige partner-relatieproblematiek en leed betrokkene aan depressiviteit. Ten tijde van het tenlastegelegde was er van deze psychische problematiek sprake.

Er is een verband tussen de relatieproblematiek en de angst en woede bij betrokkene over de dreigende separatie enerzijds, en het tenlastegelegde anderzijds. Het is aannemelijk dat de uit de verschillende stoornissen van betrokkene voortvloeiende beperkingen een rol hebben gespeeld in de totstandkoming van het delict. Daarbij kan gedacht worden aan de met de borderline stoornis samenhangende impulsiviteit, de stemmingsproblematiek en een toename van dissociatie. Het is duidelijk dat het betrokkene aan de vaardigheden heeft ontbroken om op adequate wijze met de relationele stress om te gaan. De voorbereidende handelingen en de uiteindelijke doding kunnen, naar de mening van de onderzoeker, vooral gezien worden als het gevolg van onmacht die samenhangt met haar massale problematiek.

Het rapport van Van Rens houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Bij betrokkene kan worden gesproken van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van forse persoonlijkheidsproblematiek (borderline persoonlijkheidsstoornis met dwangmatige en ontwijkende trekken), post-traumatische stressstoornis (PTSS) en mogelijk een bipolaire stemmingsstoornis. Er is sprake van dissociatieve verschijnselen, maar een dissociatieve stoornis ligt niet voor de hand; de dissociatieve neiging lijkt te passen bij de borderline persoonlijkheidsstoornis en de PTSS. Een en ander was ook zo ten tijde van het tenlastegelegde delict. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzen c.q. haar gedragingen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.

Het is aannemelijk dat de persoonlijkheidsstoornis van betrokkene een belangrijk aandeel had in de partner-relatieproblemen (instabiliteit in interpersoonlijke relaties en problemen met betrekking tot hechten en onthechten en heftige angst/woede bij dreigende verlating zijn belangrijke kenmerken van de borderline persoonlijkheidsstoornis). Het is ook aannemelijk dat de partner-relatieproblemen een belangrijk aandeel hadden in de totstandkoming van het uiteindelijke delict. De persoonlijkheidsproblematiek en de spanningen in de relatie hebben elkaar waarschijnlijk versterkt. Uit het onderzoek komt naar voren dat er verschillende pathologische elementen in de persoonlijkheidsstructuur kunnen hebben doorgewerkt in de totstandkoming van het delict. Daarbij wordt vooral gedacht aan de heftige angst en woede die de dreigende separatie van partner hebben uitgelokt en het onvermogen deze emoties adequaat te reguleren en de dissociatie en impulsiviteit die ontstaat en/of fors toeneemt in dergelijke stressvolle situaties. Vanuit bovenstaande hypothese is het aannemelijk dat zowel de doding als de voorbereidende handelingen vooral het gevolg waren van door betrokkene ervaren enorme onmacht samenhangend met de persoonlijkheidsproblematiek.

Het hof volgt de conclusies van de gedragsdeskundigen in deze en stelt op grond daarvan vast dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Voorwaarde voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging is dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit vereist. Dit volgt uit artikel 37b, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht.

Omtrent het recidivegevaar heeft Brugman in haar rapport het volgende opgenomen, zakelijk weergegeven:

De combinatie van stoornissen waaraan betrokkene lijdt rechtvaardigt de verwachting dat zij in de toekomst opnieuw op enigerlei wijze met haar omgeving in de problemen zal raken. Met name in intieme relaties ontbreekt het betrokkene aan de noodzakelijke coping-vaardigheden om met spanningen om te gaan. De kans bestaat dat uit de stoornissen voortvloeiende beperkingen ook in de toekomst zullen leiden tot gevaarlijk gedrag. Op basis van gestructureerde risicotaxatie met behulp van de HKT-30 wordt dit risico als matig verhoogd beschouwd.

In het rapport van Van Rens is omtrent dit onderwerp het volgende opgenomen, zakelijk weergegeven:

Vanwege de aard van de persoonlijkheidsproblematiek bestaat er een reële kans dat betrokkene zich opnieuw snel zal binden aan een mogelijke partner en dat binnen een nieuwe partner-relatie wederom forse problemen ontstaan, met name bij dreigende separaties. Vanwege het onvermogen om op een adequate manier met negatieve emoties om te gaan en deze te reguleren, liggen nieuwe crisissituaties, zelfbeschadigend gedrag en suïcidaliteit in de lijn der verwachting, evenals heftige relationele conflicten en ruzies. Wanneer gestandaardiseerde risicotaxatie plaats vindt middels de HKT-30, kan worden geconcludeerd dat er een matig verhoogd risico bestaat op recidive.

In hun verklaring ter terechtzitting in hoger beroep hebben Brugman en Van Rens hun standpunt als volgt toegelicht, zakelijk weergegeven:

De kans dat verdachte onbehandeld na haar detentie een nieuwe relatie zal aangaan is vanwege haar persoonlijkheidsproblematiek groot. Evenzeer groot is de kans dat in die relatie vanwege verdachtes problematiek forse problemen en spanningen zullen ontstaan.

Volgens Brugman is niet uit te sluiten dat verdachte in die situatie wederom tot gewelddadig gedrag zal komen jegens haar partner of eventuele kinderen. Van Rens acht het risico dat verdachte in dat geval gewelddadig gedrag jegens derden zal vertonen matig verhoogd.

Het hof is van oordeel dat er een dermate risico bestaat dat de verdachte een gevaar zal vormen voor de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen, dat de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging geboden is.

Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de deskundigen de kans groot achten dat verdachte, een jonge vrouw, onbehandeld na haar detentie een nieuwe relatie zal aangaan waarin zich opnieuw grote problemen en spanningen zullen voordoen en dat zij de kans op herhaling van gewelddadig gedrag jegens haar partner of eventuele kinderen niet uitsluiten. Gelet op de zeer ernstige ontsporing van de verdachte in deze zaak, noopt de veiligheid van de anderen of de algemene veiligheid van personen tot behandeling. Wat betreft de behandeling denken beide deskundigen vanwege de ernst van de stoornis, de geboden structuur en het ontbreken van een tijdslimiet aan een gestructureerde klinische setting in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Een behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden achten zij niet afdoende. Gelet op het bovenstaande zal het hof terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen, nog daargelaten dat de duur van de op te leggen gevangenisstraf een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet mogelijk maakt. Het hof acht derhalve geen noodzaak aanwezig voor een onderzoek naar de invulling van in het kader van een terbeschikkingstelling te stellen voorwaarden. Het verzoek van de raadsman om daartoe het onderzoek ter terechtzitting te schorsen wordt dan ook afgewezen.

Het hof overweegt nog dat de verdachte wordt veroordeeld wegens een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer.

Met betrekking tot de op te leggen straf overweegt het hof het volgende.

Het hof komt evenals de rechtbank tot bewezenverklaring van moord.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna vermelde duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere stafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum.

Naar het oordeel van het hof kan voor moord in de regel niet worden volstaan met een lagere gevangenisstraf dan 10 jaar.

In deze straf die het hof als uitgangspunt neemt, is al rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

• Het benemen van iemands leven is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven.

• Nabestaanden van het slachtoffer wordt onherstelbaar leed aangedaan. Hun leven zal nooit meer hetzelfde zijn. Hoe zwaar het verlies van [naam slachtoffer] de familie valt, heeft zijn vader tijdens het onderzoek ter terechtzitting verwoord.

• Ook in de samenleving blijven daden als deze niet zonder gevolgen. De meer directe omgeving (straat, buurt, dorp) wordt opgeschrikt en geschokt door een dergelijke gebeurtenis. En in de samenleving als geheel wakkert het gevoelens van onrust en onveiligheid aan.

Als bijzondere omstandigheden in dit geval die strafverhogend werken heeft het hof het volgende in aanmerking genomen:

- verdachte heeft haar partner, een jonge man (26 jaar), vader van haar zeer jonge kind [voornaam kind] (3 jaar), door verwurging om het leven gebracht. Zij heeft daarbij gehandeld volgens een vooropgezet plan. Zij heeft de manier waarop zij haar partner wilde doden tevoren overdacht en voorbereid;

- direct gevolg van verdachtes daad is dat het kind van zijn vader is beroofd en zijn natuurlijke opgroeisituatie verloren is gegaan. Naast zijn vader is [voornaam kind] ook zijn moeder kwijt geraakt. Zijn jonge leven is in één klap totaal op zijn kop gezet.

Als omstandigheid die strafverminderend werkt heeft het hof in aanmerking genomen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

De omstandigheid dat verdachte nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, acht het hof geen strafverminderende omstandigheid. Wel aanwezige geweldsrecidive zou eerder een strafverhogende omstandigheid zijn geweest.

De strafverhogende en strafverminderende omstandigheden tegen elkaar afwegend is het hof van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf van 9 jaar passend en geboden is.

De raadsman heeft betoogd dat de op te leggen straf moet worden verminderd. Daartoe zijn dezelfde gronden aangevoerd als die waarop het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie stoelt.

Op dezelfde gronden als waarop laatstvermeld verweer is verworpen, verwerpt het hof ook dit strafmaatverweer. Van een onherstelbaar vormverzuim (als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering) waardoor de verdachte in haar belang is getroffen, is geen sprake.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [naam benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 6.582,77, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 6.582,77.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De gevorderde schadevergoeding bestaat uit de kosten van de uitvaart van [naam slachtoffer]. Dit is schade als bedoeld in artikel 6:108, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 51a, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij zich ter zake van deze kosten voegen in het strafproces. De verdediging heeft zich gerefereerd aan de vordering.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met inbegrip van de wettelijke rente vanaf 1 juli 2007.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Beslag

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp (briefje met vergiften), is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf werd aangetroffen en dit aan verdachte toebehorende voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp (laptop computer), volgens opgave van verdachte aan haar toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is voorbereid.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24, 24c, 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 37a, 37b en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Moord.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij], te betalen een bedrag van EUR 6.582,77 (zesduizend vijfhonderdtweeëntachtig euro en zevenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2007.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [naam benadeelde partij] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [naam benadeelde partij, wonende te [adres benadeelde partij] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 6.582,77 (zesduizend vijfhonderdtweeëntachtig euro en zevenenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 67 (zevenenzestig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2007.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten een briefje met vergiften.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten een laptop-computer, merk HP.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een pocket-pc, T-mobile MDA

- een desktop-computer, Paradigit

- een router

- een fles met isopropylalcohol

- een fles manisol.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. J.A. van Zon en mr. G. de Jonge,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.W. Looijmans, griffier,

en op 2 maart 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G. de Jonge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.