Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH4277

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
27-02-2009
Zaaknummer
HV 200.012.104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Co-ouderschapsnorm toepasselijk op situatie alimentatieplichtige man die een nieuwe partner heeft die in eigen levensonderhoud kan voorzien en een uit die relatie geboren tweeling.

Kosten van de tweeling niet op grond van de tabel kosten van kinderen in mindering brengen op draagkracht man.

Artikel 1:400 lid 1 BW (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding) ziet niet op voorrang van kinderen (tweeling) in huidige gezin man ten opzichte ex-echtgenote.

Rekening gehouden met betaald ouderschapsverlof gedurende (ruim) één jaar en niet met onbetaald ouderschapsverlof nadien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 58
JPF 2009/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MB

26 februari 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer HV 200.012.104/01

Zaaknummer eerste aanleg 168034/FA RK 07-5079

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

de man,

advocaat: mr. J.C. Lang,

t e g e n

[Y.],

wonende te Helmond,

geïntimeerde,

de vrouw,

advocaat: mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten (voorheen: mr. A.M.J.C. Janssen).

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 mei 2008 waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2008, heeft de man verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 december 2004, voor zover bij die beschikking is bepaald dat de man met een bedrag van € 415,00 per maand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, te wijzigen en te bepalen dat deze bijdrage met ingang van 1 januari 2008, dan wel met ingang van een door het hof te bepalen datum, op nihil wordt gesteld dan wel wordt verlaagd tot een door het hof nader vast te stellen bedrag.

2.2. Bij verweerschrift ingekomen ter griffie op 3 oktober 2008, heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in appel, althans hem deze te ontzeggen als zijnde ongegrond, onbewezen en niet steunend op de wet, en aldus de grieven van de man ongegrond te verklaren, en voorts de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure, alsmede die van de eerste instantie.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2008.

Bij die gelegenheid zijn gehoord de man, bijgestaan door mr. J.C. Lang, en de vrouw, bijgestaan door mr. A.M.J.C. Janssen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg

d.d. 31 maart 2008;

- de brief d.d. 8 januari 2009 van de advocaat van de vrouw.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Dit huwelijk is op 31 maart 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 december 2004 in de registers van de burgerlijke stand.

4.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren.

4.3. Bij de genoemde echtscheidingsbeschikking van 17 december 2004 heeft de rechtbank de man veroordeeld om vanaf de dag van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor haar levensonderhoud te betalen een bedrag van € 415,00 bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Deze bijdrage bedroeg na indexering € 435,65 per maand in 2008 en bedraagt € 452,64 per maand in 2009.

4.3.1. De man heeft in eerste aanleg wijziging gevraagd van de partneralimentatie.

4.3.2. De rechtbank heeft het verzoek van de man afgewezen en heeft geoordeeld dat de man nog immer in staat is de thans geldende alimentatie te betalen.

De man kan zich hiermee niet verenigen en komt hiertegen op.

Ingangsdatum wijziging

4.4. De datum waarop een eventuele wijziging van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage dient in te gaan (1 januari 2008), is in hoger beroep niet in geschil.

Behoefte

4.5. De behoefte van de vrouw aan de in 2004 opgelegde bijdrage, zoals nadien geïndexeerd, wordt niet betwist en staat derhalve vast.

Draagkracht

4.6. De man stelt dat hij de draagkracht ontbeert om de door de rechtbank opgelegde partneralimentatie te kunnen voldoen, hetgeen door de vrouw wordt betwist.

4.7. Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de navolgende gegevens. Voorzover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

a. Inkomen van de man

De man werkt 36 uur per week bij de gemeente [gemeentenaam] en heeft een salaris van € 2.221,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en een eindejaarsuitkering van € 836,00.

- Ouderschapsverlof

De man stelt het volgende.

De man heeft in verband met de geboorte van zijn (tweeling)dochters ouderschapsverlof opgenomen. De man stelt dat hij bij zijn werkgever de mogelijkheid heeft om na het eerste jaar van het door hem opgenomen ouderschapsverlof (gedeeltelijk betaald) tevens een tweede jaar ouderschapsverlof te nemen (geheel onbetaald). De rechtbank heeft met deze informatie omtrent het tweede verlofjaar geen rekening kunnen houden.

De man voert aan dat er tijdens het verlof van 1 januari 2008 tot en met 29 maart 2010, gedurende het eerste jaar (van 1 januari 2008 tot en met 13 februari 2009) door zijn werkgever een afgerond bedrag van € 352,00 bruto per maand aan salaris wordt ingehouden. In het tweede jaar (van 14 februari 2009 tot en met 29 maart 2010) is het verlof geheel onbetaald, zodat het inkomen van de man zal afnemen tot € 1.775,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering.

De vrouw heeft zich bij het oordeel van de rechtbank - dat het redelijk is om bij de berekening van de draagkracht rekening te houden met de verminderde inkomsten als gevolg van het ouderschapsverlof - neergelegd. Zij betwist echter dat er rekening gehouden dient te worden met een verlofperiode van 1 januari 2008 tot en met 29 maart 2010. De vrouw stelt dat de vermindering van inkomsten als gevolg van het ouderschapsverlof na een periode van zes maanden voor rekening en risico van de man dient te komen.

Het hof acht het redelijk om rekening te houden met een vermindering van inkomen ad € 352,00 bruto per maand ten gevolge van het opgenomen ouderschapsverlof tot en met 13 februari 2009. Het nadien op te nemen onbetaalde ouderschapsverlof mag naar het oordeel van het hof niet ten nadele strekken van de draagkracht van de man tot betaling van partneralimentatie aan de vrouw nu het een verplichting betreft die reeds bestond toen de man zijn nieuwe gezin vormde en de beslissing nam om het ouderschapsverlof in deze vorm op te nemen.

- Inkomen partner man

Het hof gaat ten aanzien van het inkomen van de huidige partner van de man, evenals de rechtbank, uit van een salaris van € 966,00 bruto per maand,

te vermeerderen met een garantietoelage, vakantiegeld, eindejaarsuitkering en heffingskortingen, hetgeen neerkomt op een netto besteedbaar inkomen van

€ 1.152,00 per maand.

Partijen verschillen van mening over het bedrag van € 293,40 dat maandelijks wordt ingehouden op het netto salaris van de partner van de man. Dit bedrag is zij maandelijks verschuldigd aan haar werkgever uit hoofde van een geldlening ter financiering van een auto.

Anders dan in eerste aanleg heeft de man in hoger beroep wel inzicht gegeven in de door zijn partner aangegane financiering. Hij heeft hieraan echter geen consequentie verbonden in het kader van de berekening van zijn draagkracht, zie ook de door de man overgelegde draagkrachtberekening. Het hof moet het er derhalve voor houden dat de man het eens is met de rechtbank dat zijn partner in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, daaronder kennelijk begrepen de afbetaling van de lening voor de auto.

b. Lasten van de man

Het hof houdt rekening met de volgende maandelijkse lasten:

- Normbedrag Wwb

De man meent op diverse gronden dat de rechtbank ten onrechte de co-ouderschapsnorm in aanmerking heeft genomen.

1. Wetvoorstel 30 145

De man heeft in verband met de door de rechtbank toegepaste co-ouderschapsnorm een beroep gedaan op dit wetsvoorstel dat op 1 maart 2009 in werking zal treden, stellende dat voorrang gegeven moet worden aan de verplichting die op hem rust om zijn dochters [A.] en [B.] te verzorgen ten opzichte van de plicht om bij te dragen en de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Uitgangspunt van het wetsvoorstel 30 145, ofwel Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding, is dat bij scheiding voortgezet ouderschap de norm is en dat beide ouders, ook na scheiding, verantwoordelijk zijn voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen. Ten aanzien van de kinderalimentatie bepaalt het per 1 maart 2009 gewijzigde artikel 1:400 eerste lid Burgerlijk Wetboek (BW) dat indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt voorrang hebben boven alle andere onderhoudsgerechtigden.

Het onderhavige wetsvoorstel is naar het oordeel van het hof geschreven om te bewerkstelligen dat in méér gevallen dan thans door de niet-verzorgende ouder een financiële bijdrage wordt geleverd aan de verzorging en opvoeding van zijn kinderen. Nu het in dit geval evenwel kinderen betreft die geboren zijn uit de huidige relatie van de man en er dus geen sprake is van een onderhouds-verplichting van de man jegens zijn kinderen als niet-verzorgende ouder, komt het hof alleen al om deze reden aan anticiperen op genoemd artikel niet toe.

2. Tabel kosten van kinderen

De man heeft in verband met de door de rechtbank toegepaste zogenaamde co-ouderschapsnorm voorts gewezen op het feit dat de kosten van de kinderen [A.] en [B.] dan niet worden gedekt. Naar zijn mening moet de tabel kosten van kinderen worden toegepast.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat de kosten van zijn kinderen volgens de tabel ongeveer € 690,00 per maand bedragen, dat dit bedrag tot € 900,00 verhoogd dient te worden nu de kosten van een tweeling hoger zijn en dat dit bedrag ten laste van zijn draagkracht dient te worden gebracht. Het gaat hier immers niet om de vaststelling van de kosten van de kinderen ten behoeve van de vaststelling van kinderalimentatie. Het moge op zich juist zijn dat de kosten van [A.] en [B.] € 690,00 per maand bedragen (het meerdere is in het geheel niet aangetoond), doch dit bedrag, waarin ook de huisvestingskosten begrepen zijn, dienen door de man en zijn partner te worden voldaan uit hun beider inkomen, voor wat de man betreft uit de na te melden Wwb-norm en - voor zover nodig - uit zijn vrije ruimte.

3. Co-ouderschapsnorm

De man heeft tenslotte gesteld dat de rechtbank ten onrechte de co-ouderschapsnorm heeft toegepast. De tweeling is geboren uit de relatie met zijn partner en zij verblijven permanent in het gezin van de man; een co-ouderschapsituatie is hiermee niet gelijk te stellen, aldus de man.

De rechtbank heeft overeenkomstig de aanbevelingen van de Werkgroep Alimentatienormen geoordeeld. In de genoemde Trema-normen wordt in een situatie waarbij de onderhoudsplichtige een nieuwe partner heeft die in eigen levensonderhoud voorziet en zij samen één of meer kinderen hebben dezelfde berekeningswijze gehanteerd als bij een co-ouderschap. Het hof ziet op grond daarvan geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank en gaat uit van de co-ouderschapsnorm voor de man exclusief woonkostencomponent, ter voorziening in de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud. Het hof houdt rekening met een draagkrachtpercentage van 52,5 %.

De uitspraak van dit hof van 6 april 2006 (LJN AW 1827) - waar de man een beroep op doet in zijn beroepschrift - ziet op de situatie dat de draagkracht van een vrouw tot betalen van partneralimentatie aan haar ex-echtgenoot moest worden vastgesteld, waarbij de kinderen van deze partijen in het gezin van de vrouw verbleven. Dit is feitelijk een geheel andere situatie dan de onderhavige. Bedoelde uitspraak kan derhalve niet op de onderhavige zaak toegepast worden.

Slotsom Wwb-norm

De slotsom is dat de grief van de man dat de rechtbank op hem de alleenstaande norm met het bijbehorende draagkrachtpercentage van 60% had moeten toepassen, waarbij rekening dient te worden gehouden met alle kosten van de kinderen, moet worden verworpen.

- Woonlasten

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte de helft van de woonlasten aan zijn partner heeft toegerekend. Zij beschikt over een inkomen rond bijstandsniveau; dit is volgens de man niet toereikend om van te leven.

De man acht het redelijk om slechts het bedrag van de wooncomponent (begrepen in de bijstandsnorm) van € 200,00 per maand aan de partner toe te rekenen. Bij de bepaling van de draagkracht van de man dient als woonlast rekening te worden gehouden met € 332,50 aan hypotheekrente en € 149,00 voor de premie levensverzekering.

De vrouw betwist de grief van de man en meent dat de rechtbank terecht de woonlasten voor de helft heeft toegerekend aan de partner van de man.

De vrouw heeft daarnaast opgeworpen dat de rechtbank van een lagere woonlast had moeten uitgaan. Zij betwist het bedrag van € 20.000,00 waarmee de hypotheek van de man is verhoogd ten behoeve van de financiering van een nieuwe badkamer. Dit betreft een luxe uitgave aldus de vrouw.

Het hof acht de hypotheekverhoging niet buitensporig hoog en houdt daarmee dan ook rekening, Het hof acht het redelijk dat de partner van de man met € 200,00 per maand bijdraagt in de woonlasten gezien haar inkomen en het feit dat zij de lening van de auto dient af te betalen.

Het hof houdt derhalve rekening met een maandelijks bedrag aan hypotheekrente van € 332,50 en een maandelijkse premie levensverzekering van € 149,00, naast het forfait overige eigenaarslasten van € 95,00 per maand.

- Premie levensverzekering AMEV

Het hof zal evenals de rechtbank geen rekening houden met de door de man gestelde premie levensverzekering bij AMEV van € 150,00 per maand, nu het door de man gestelde pensioengat kennelijk is ontstaan tengevolge van de pensioenverevening met de vrouw. Het is niet redelijk deze verevening aldus ten laste van de draagkracht te brengen.

- Ziektekosten

Per maand wordt evenals door de rechtbank rekening gehouden met € 82,35 en aanvullende premie € 28,60 alsmede met de door de werkgever van de man afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage van € 120,45 per maand. Daarnaast houdt het hof rekening met € 13,00 per maand verplicht eigen risico (€ 150,00 per jaar) en met het nominaal deel van de premie van € 54,00 per maand voor een alleenstaande, nu dit bedrag verdisconteerd wordt geacht in de geldende bijstandsnorm.

Vaststelling van de alimentatie

4.8. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen en rekening houdend met alle relevante fiscale aspecten, zijnde het eigenwoningforfait van € 1.337,00 per jaar, de hypotheekrente van € 3.996,00 op jaarbasis alsmede de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de combinatiekorting, de ouderschaps-verlofkorting tot 14 februari 2009 en de fiscale aftrekbaarheid van betaalde partneralimentatie, is het hof van oordeel, dat de man met ingang van 1 januari 2008 in staat moet worden geacht tot betaling van € 220,00 per maand als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en tot betaling van € 290,00 per maand met ingang van 14 februari 2009.

4.9. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd.

Proceskosten.

4.10. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn. Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten wijst het hof af.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 mei 2008;

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 december 2004 voor wat betreft de daarbij vastgestelde partneralimentatie;

bepaalt dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 220,00 per maand in de periode van 1 januari 2008 tot 14 februari 2009 en een bedrag van € 290,00 per maand met ingang van 14 februari 2009, voor zover het de niet-verschenen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst als het meer of anders verzochte;

compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Everaars-Katerberg en Hompus en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2009.