Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH4249

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
27-02-2009
Zaaknummer
HV 200.009.311
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Limiteringsverzoek.

Partneralimentatie.

Oud geval.

Geen verlenging.

Motivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PJ

26 februari 2009

Sector Civiel recht

Rekestnummer HV 200.009.311/01

Zaaknummer eerste aanleg 16855 / FA RK 07-4298

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. J.E. Benner,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: de man,

advocaat: mr. M. L.W. Weerts.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de op 18 april 2008 door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch tussen partijen gegeven beschikking, waarvan de inhoud bij hen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 20 juni 2008, heeft de vrouw verzocht, verkort weergegeven, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw niet eerder zal eindigen dan per 1 april 2016, althans een termijn te bepalen die voor verlenging vatbaar zal zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw gesteld dat het de bedoeling van de vrouw is om subsidiair te verzoeken dat de alimentatie ook na 1 april 2016 zal kunnen worden verlengd.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2008, heeft de man het verzoek van de man vrouw bestreden.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- de door de raadsman van de vrouw nagezonden productie 6;

- de brief van de raadsman van de vrouw van 29 oktober 2008.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2008.

Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 25 mei 1977 gehuwd. Hun huwelijk is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand op 16 november 1992 van het tussen hen door de rechtbank Breda op 3 november 1992 gewezen echtscheidingsvonnis.

Bij dat vonnis is de door de man voor de vrouw te betalen partneralimentatie vastgesteld op (omgerekend) € 1.021,-- per maand. Op 11 september 1992 hebben partijen een echtscheidingsconvenant gesloten, waarvan artikel 2 lid b een regeling behelst betreffende het effect van door de vrouw te verwerven inkomsten op de hoogte van de door de man aan haar te betalen alimentatie. Tussen partijen staat vast dat zij die regeling ook daadwerkelijk hebben toegepast.

4.2. De zaak betreft limitering van partneralimentatie. Het inleidend verzoek van de man, zoals dit is gewijzigd ter terecht- zitting, strekt ertoe dat de rechtbank zal bepalen zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw met ingang van 7 december 2007 is geëindigd. De vrouw heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzocht ook in eerste aanleg zoals hiervoor onder 2.1. is vermeld. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het gewijzigde verzoek van de man toegewezen.

4.3. De man heeft gesteld dat partijen tot en met 7 december 2007 financieel met elkaar hebben afgerekend. Volgens de berekening van de vrouw moest de man nog € 34,81 ter zake van partneralimentatie voldoen, hetgeen hij heeft gedaan. Daarop zou de vrouw hem hebben laten weten dat daarmee schoon schip was gemaakt. Zij zou hem gefeliciteerd hebben met de overwinning onder mededeling dat het wel een hele dobber zou worden, maar dat de rechter nu eenmaal had beslist. Op grond van het vorenstaande stelt de man dat er sprake is van rechtsverwerking. Nu de vrouw zich in de beleving van de man bij de beslissing van de rechtbank heeft neergelegd, kan zij volgens de man niet met succes in hoger beroep komen tegen die beslissing.

De vrouw ontkent dat zij heeft afgezien van verdere alimentatiebetalingen door de man.

Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de vrouw op ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan van haar recht om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de beschikking van de rechtbank. In de hierboven weergegeven uitlatingen van de vrouw kon de man naar het oordeel van het hof zulks in redelijkheid ook niet hebben begrepen.

Dit verweer wordt dus verworpen.

4.4. Van toepassing is lid 2 van de overgangsbepaling van de WLA inhoudende dat op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, de rechter de verplichting beëindigt, indien deze op of na dat tijdstip vijftien jaar heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd.

Bij de beoordeling hiervan houdt de rechter in ieder geval rekening met:

- de leeftijd van degene die tot uitkering gerechtigd is;

- de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

- de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;

- de omstandigheid dat de tot uitkering gerechtigde wel/geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdoms- pensioen van degene die tot uitkering is gehouden.

4.5. Als eerste moet worden beantwoord de vraag of de definitieve beëindiging van de alimentatieverplichting voor de vrouw ingrijpend is. Daartoe moet worden vergeleken de situatie de vrouw voor de datum van de beoogde beëindiging en die waarin de vrouw als gevolg van die beëindiging zal komen te verkeren. De vrouw heeft thans een inkomen uit arbeid als groepsleidster in de kinderopvang gedurende 27 uur per week van bruto € 1.820,54 per maand te vermeerderen met vakantiegeld en eindejaarsuitkering. Daarbij ontvangt zij aan partneralimentatie een bedrag van bruto € 850,-- per maand. Het wegvallen van de partneralimentatie is dan ook ingrijpend te achten.

Voor het antwoord op de vraag of beëindiging zó ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd, dienen alle relevante omstandigheden van het geval, zowel aan de zijde van de vrouw, als aan de zijde van de man in aanmerking te worden genomen en in onderling verband te worden gewogen.

4.6. De feiten en omstandigheden zoals de rechtbank deze heeft vermeld staan niet ter discussie, doch de vrouw is van mening dat de rechtbank op grond van die feiten en omstandigheden een andere afweging had dienen te maken en het verzoek van de man had moeten afwijzen.

De man voert gemotiveerd verweer in hoger beroep.

4.7. Het hof overweegt dat als niet dan wel onvoldoende weersproken vaststaat dat de vrouw, die 25 jaar was toen partijen in het huwelijk traden en die een opleiding als kinderverzorgster heeft, vóór haar huwelijk met de man van ruim 15 jaren, een aantal jaren in de crisisopvang heeft gewerkt en deze baan heeft opgezegd en daarna met de man gedurende vijf jaar in Engeland heeft gewoond. Partijen kregen daar twee kinderen, de vrouw had de zorg voor de kinderen. De man verbleef veel in het buitenland. Daarna vestigden partijen zich in Nederland, de man was veelvuldig afwezig wegens zakenreizen. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw na de geboorte van de kinderen in het geheel niet gewerkt en heeft de man aan zijn carrière kunnen werken. Dat was een gezamenlijke keuze. Ten tijde van de echtscheiding was de vrouw bijna 41 jaar oud. De kinderen waren toen 13 en 9 jaar oud en niet meer op een leeftijd dat ze verzorging in uitputtende zin behoefden. Na de echtscheiding bleven de kinderen bij de vrouw wonen. Inmiddels zijn zij volledig zelfstandig en wonen elders.

Kort na de echtscheiding heeft de vrouw, die een erfenis ontving van haar overleden moeder, dit geld gebruikt om de HBO-opleiding kunstzinnige therapie te volgen. Direct daarna heeft zij via een stage gedurende twee jaar in een woon- zorgcentrum gewerkt als kunstzinnig therapeute gedurende 12 uur per week. Wegens reorganisatie moest zij weg. Sinds 15 juli 1999 werkt de vrouw als groepsleidster in de kinderopvang. Thans werkt zij 27 uur per week in een vast dienstverband (deeltijdfactor 0.75).

Hoewel de vrouw stelt dat dit aantal uren voor haar het maximum haalbare is, gelet op het feit dat de functie fysiek zeer belastend is en mede in aanmerking genomen de leeftijd van de vrouw, ten tijde van de procedure in eerste aanleg 56 jaar oud, toont zij dat tegenover de gemotiveerde betwisting door de man in hoger beroep niet aan.

Het standpunt van de man is dat de vrouw, die aangeeft dat zij gedurende 3 dagen per week werkt, voldoende verdien- capaciteit heeft om in haar eigen inkomen te voorzien door ofwel haar werk bij de huidige organisatie uit te breiden, dan wel elders aanvullend werk te doen, waartoe de man ook een aantal advertenties in het geding heeft gebracht.

Het hof overweegt dat partijen een echtscheidingsconvenant hebben gesloten in september 1992 waarin onder artikel 2 lid c de bepaling is opgenomen dat de vrouw zich zal inspannen teneinde twaalf jaar na datum echtscheiding te beschikken over een betaalde werkkring gedurende 30 a 40 uur per week. Het hof leest hierin dat partijen er van uitgingen dat de vrouw dan in eigen onderhoud zou kunnen voorzien. De man ging er van uit dat de partneralimentatie in november 2004 beëindigd zou worden. Toen dat wettelijk niet mogelijk bleek heeft hij de vrouw laten weten dat hij in ieder geval beëindiging van de alimentatieverplich-ting zou verzoeken na ommekomst van de termijn van 15 jaar en heeft er op aangedrongen dat zij haar werk zou uitbreiden. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij thans maximaal is belast.

Het hof overweegt dat in het onderhavige geval de vrouw weliswaar gedurende het huwelijk en daarna grotendeels de zorg voor de kinderen heeft gehad, doch niet gebleken is dat de vrouw daardoor is geschaad in haar carrière. Immers de vrouw heeft na de echtscheiding nog een HBO-opleiding voltooid. Dat zij daarmee geen werk heeft kunnen vinden is te betreuren, doch de keuze die de vrouw heeft gemaakt voor het volgen van een opleiding waarin moeilijk of geen werk te vinden is dient niet voor rekening van de man te komen. Voor het overige heeft de vrouw werk gevonden in haar oude beroep en is niet onderbouwd dat zij daarmee in haar carrière is geschaad. Daarnaast heeft zij recht op een deel van het ouderdomspensioen van de man.

Naar het oordeel van het hof rust op de vrouw de verplichting zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien en heeft zij reeds vanaf de echtscheiding de gelegenheid gehad zich hierop voor te bereiden. Het ligt dan ook op haar weg om aan te tonen dat zij zich daartoe daadwerkelijk heeft ingespannen. De vrouw heeft zich echter - tegenover de betwisting door de man – onvoldoende onderbouwd, op het standpunt gesteld dat zij met haar huidige werk in 0,75 deeltijd maximaal belast is en heeft geen, althans onvoldoende actie ondernomen om extra inkomen te verwerven, terwijl dat naar het oordeel van het hof wel op haar weg had gelegen. Hetgeen door de vrouw in dat verband is aangevoerd acht het hof tegenover de betwisting door de man onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dit standpunt van de vrouw komt dan ook geheel voor haar rekening en risico.

Het hof becijfert het inkomen dat de vrouw bij een fulltime dienstverband zou kunnen verdienen op basis van de door haar overgelegde salarisspecificatie van de maand december 2007, vermeerderd met vakantietoeslag, toeslagen en eindejaars- uitkering omgerekend op circa € 2.638,-- bruto per maand. Dat is ruim € 200,-- per maand minder bruto minder dan zij bij 75% werk in deeltijd vermeerderd met € 850,-- per maand bruto alimentatie ontvangt. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw ook met een aanvullend inkomen elders een vergelijkbaar inkomensniveau kan bereiken.

4.8. Voor het antwoord op de vraag of beëindiging van de alimentatie zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd, dienen alle relevante omstandigheden van het geval, zowel aan de zijde van de man als aan de zijde van de vrouw in aanmerking te worden genomen en in onderling verband te worden gewogen.

4.9. De grieven 1 en 2 zien op het inkomen van de man. De rechtbank heeft overwogen dat de draagkracht van de man niet ter discussie staat. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de man inmiddels als zelfstandig ondernemer een adviespraktijk heeft opgestart, nadat hij voor eigen rekening een opleiding had gevolgd tot bedrijfskundig bancair adviseur. De man is tijdens de mondelinge behandeling ingegaan op zijn te behalen lagere inkomsten, doch heeft tegenover de betwisting van die stelling door de vrouw, geen verifieerbare stukken ter onderbouwing van zijn standpunt ingebracht. Vooralsnog zal het hof dan ook uitgaan van een ongeveer gelijkblijvende verdiencapaciteit van de man.

4.10. De rechtbank heeft overwogen dat zij in haar oordeelsvorming heeft betrokken dat de man spanningen ondervindt in zijn huidige relatie als gevolg van de alimentatiebetalingen aan de vrouw. Daartegen is grief 3 van de vrouw gericht.

Anders dan de vrouw meent is ook dit een argument dat bij de te nemen beslissing in aanmerking moet worden genomen. Zeker voor wat betreft de laatste drie jaren van de alimentatieverplichting acht het hof aannemelijk dat doorbetaling van de alimentatie voor de man en zijn partner in toenemende mate als onaangenaam zal zijn ervaren en wrevel zal hebben gewekt omdat de man er op grond van de inhoud van artikel 2 onder c. van het tussen partijen gesloten convenant van was uitgegaan dat de alimentatieverplichting twaalf jaren zou duren en hem rond het verstrijken van die termijn pas duidelijk werd dat dit anders lag.

De derde grief van de vrouw kan dan ook niet het door haar beoogde gevolg hebben.

4.11. De vierde grief is gericht tegen de constatering door de rechtbank dat de vrouw beschikt over een hoger besteedbaar inkomen (omdat zij inkomsten uit arbeid heeft) dan ten tijde van de echtscheiding, toen haar inkomsten uitsluitend uit de alimentatie bestonden. De rechtbank overwoog dat die omstandigheid haar te meer aanleiding gaf om te komen tot het oordeel dat van de vrouw naar mate van redelijkheid en billijkheid kan worden gevergd dat zij haar uitgaven aanpast.

Het hof acht de vierde grief van de vrouw gegrond. Immers niet is komen vast te staan dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw gelijk was aan de hoogte van de partneralimentatie van ƒ 2.250,-- per maand. Die destijds vastgestelde partneralimentatie kan dus geen argument voor de te nemen beslissing vormen.

4.12. De grieven 6, 7 en 8 richten zich tegen een juist oordeel van de rechtbank en missen zelfstandige betekenis.

4.13. De man heeft - door de vrouw onvoldoende gemotiveerd weersproken - gesteld dat partijen een gelijk vermogen hadden ten tijde van de echtscheiding. Bovendien zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit kan volgen dat de man thans over een veel omvangrijker vermogen beschikt dan de vrouw. Het hof heeft kennisgenomen van de belasting- aangifte 2005 en de definitieve aanslag 2005 conform de aangifte van de man. Volgens de man is hij voor de helft eigenaar van de woning en bedroeg zijn eigen woning schuld € 200.000,--.(totale WOZ-waarde € 545.000). Aan hypotheekrente betaalt de man € 12.956 per jaar. Het eigen vermogen van de man bedroeg per 31 december 2006 volgens belastingopgave

€ 206.951. Van dit bedrag heeft de man aan opleidingskosten ca. € 45.000 betaald. Zijn vermogen dat voor een deel uit aandelen en obligaties bestond is naar hij ter zitting onbetwist heeft opgemerkt tengevolge van de huidige koersdalingen aanzienlijk verminderd.

4.14. Al het bovenstaande in aanmerking nemend en tegen elkaar afwegend oordeelt het hof dat de vrouw in staat is zich een inkomen te verwerven dat slechts is geringe mate lager is dan het totale inkomen dat zij thans uit arbeid genereert, vermeerderd met de door haar ontvangen alimentatie. Dit verschil wordt zij geacht te kunnen opvangen door aanpassing van haar uitgaven.

Daarbij is nog van belang dat de vrouw lage woonlasten heeft. Op haar woning rust een hypotheek van € 66.000,--. De waarde van haar woning ligt – zoals zij ter zitting heeft verklaard tussen € 200.000,-- en € 225.000,--. Daarnaast heeft zij nog circa € 13.000,-- spaargeld. Indien zij dat nodig acht kan zij - via een financiële constructie de overwaarde van haar huis benutten ter aanvulling van haar levensonderhoud. Tenslotte heeft zij te zijner tijd recht op een deel van het opgebouwde ouderdomspensioen van de man en heeft zij zelf ook ouderdomspensioen opgebouwd.

Indien de vrouw ervoor kiest om haar werkzaamheden niet uit te breiden is dit haar eigen keuze die niet ten laste van de man kan worden gebracht. Overigens is de vrouw, die sinds 7 december 2007 geen alimentatie meer ontvangt, in staat - zij het met enige moeite zoals zij ter zitting in hoger beroep opmerkte - van dit lagere inkomen rond te komen.

Het hof komt dan ook alles afwegend tot de conclusie, zij het deels op andere gronden dan de rechtbank, dat de teruggang door het wegvallen van de alimentatie voor de vrouw niet te ingrijpend is en de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat na 15 jaar een einde dient te komen aan de alimentatieverplichting van de man.

Nu het primaire verzoek van de man wordt toegewezen, komt het hof niet meer toe aan het subsidiaire verzoek.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt, met aanvulling van gronden, de op 18 april 2008 door de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen gegeven beschikking;

Deze beschikking is gegeven door mrs. Draijer-Udo, Gründemann en Rutten en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2009.