Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH2821

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
HV 200.013.199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot uitbreiding omgang met kinderen door niet-gezagsouder.

Art. 1:377a BW.

Beperkte uitbreiding toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MvO

28 januari 2009

Sector civiel recht

HV 200.013.199/01

Zaaknummer eerste aanleg 171947/FA RK 08-1111

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. W.J. Sleegers,

t e g e n

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven, tevens kantoorhoudend te Helmond,

geïntimeerde,

hierna: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 juni 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 5 september 2008, heeft de vrouw het hof verzocht - zo begrijpt het hof - de voornoemde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de omgang van de vrouw met [A.] en [B.] voorlopig te bepalen op een halve dag per veertien dagen, zulks uit te breiden tot een hele dag en uiteindelijk tot weekenden.

Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de vrouw het petitum aldus gewijzigd, dat wordt verzocht te bepalen dat de vrouw gerechtigd is tot omgang met de beide kinderen één keer per veertien dagen gedurende twee uur.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 september 2008, heeft de stichting het hof verzocht het hoger beroep van de vrouw af te wijzen en de eerdergenoemde beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2008. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door mr. W.J. Sleegers;

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer S. Meessen;

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door de heer P.C.A. van Seeters.

De heer [Y.], de vader van de minderjarigen, is behoorlijk opgeroepen, doch niet verschenen.

Tevens is, na een korte schorsing van de mondelinge behandeling, mevrouw [W.] van de Stichting ORO verzocht in de zaal plaats te nemen om enkele vragen van het hof te beantwoorden.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 10 september 2008.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit de inmiddels verbroken relatie van de vrouw met de heer [Y.] zijn de volgende, thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [A.] (hierna: [A.]), op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

- [B.] (hierna: [B.]), op [geboortejaar] te [geboorteplaats],

over wie de vrouw het gezag had. De man heeft beide kinderen erkend.

4.2. Op 30 oktober 2006 zijn [A.] en [B.] door de rechtbank onder toezicht gesteld van de stichting. Deze ondertoezichtstellingen zijn nadien telkens verlengd. Daarnaast is bij beschikking van de rechtbank van 25 oktober 2007 machtiging verleend tot plaatsing in een verblijf pleegouder 24-uurs. In dat kader verblijven [A.] en [B.] sindsdien bij de grootouders vaderszijde.

Feitelijk geldt er thans een omgangsregeling waarbij de vrouw [A.] en [B.] één keer in de vier weken twee uur bij de pleegouders - de ouders van haar ex-partner de heer [Y.] - kan bezoeken.

4.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot uitbreiding van de omgangsregeling afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het belang van de kinderen op dit moment meebrengt dat de omgang tussen de vrouw en de kinderen rustig en gestructureerd verloopt en ook dat voldoende aannemelijk is geworden dat deze rust op dit moment nog niet voldoende kan worden gewaarborgd. Vervolgens heeft de rechtbank de op dat moment geldende omgangsregeling van één keer in de vier weken twee uur vastgelegd. Zij is er daarbij wel van uitgegaan dat, gelet op de toezegging van de stichting, uitbreiding naar bijvoorbeeld twee uur per veertien dagen zal plaatsvinden op het moment dat er structureel meer rust is gekomen in het contact tussen de vrouw en de kinderen.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij komt hiervan in hoger beroep.

4.4. In haar beroepschrift stelt de vrouw dat de contacten met [A.] en [B.] goed verlopen, maar van veel te korte duur zijn. Verder stelt zij dat zij haar levenswijze heeft verbeterd, hetgeen volgens de vrouw ook door de stichting wordt erkend.

4.5. In het verweerschrift erkent de stichting dat de vrouw haar levenswijze inderdaad heeft veranderd, doch dat de levenswijze van de vrouw niet de voornaamste reden is geweest voor de stichting om een uitbreiding van de omgangsregeling ongewenst te achten. Een uitbreiding is niet aan de orde, omdat de contacten tussen de vrouw en de kinderen vaak chaotisch verlopen. Ook brengt de vrouw geen structuur aan tijdens de bezoekmomenten en kan zij weinig invulling aan de bezoeken geven. Bovendien moeten de contacten worden begeleid, omdat de vrouw onvoldoende in staat is de veiligheid van de kinderen te garanderen.

4.6. Het hof overweegt als volgt.

4.6.1. Ter zitting van het hof is komen vast te staan dat de rechtbank de vrouw op 20 november 2008 uit het gezag over [A.] en [B.] heeft ontheven. Op de omgang tussen de kinderen en de vrouw als niet-gezagsouder is artikel 1:377a BW van toepassing.

4.6.2. Het hof stelt vast dat er de afgelopen tijd een omgangsregeling is uitgevoerd waarbij de vrouw één keer per vier weken twee uur op bezoek gaat bij [A.] en [B.] in het pleeggezin en dat deze bezoeken om de beurt worden begeleid door de pleegmoeder en een medewerkster van de stichting ORO (een stichting die hulpverlening biedt aan mensen met een verstandelijke beperking), mevrouw [W.].

4.6.3. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de stichting gesteld dat de kinderen volgens de pleegouders erg druk zijn na een bezoek van de vrouw en dat de (gezins)voogdijwerkster mevrouw [Z.] van mening is dat een uitbreiding van de omgang op dit moment nog niet aan de orde is.

De vrouw heeft het voorgaande betwist en gesteld dat dit niet overeenkomt met hetgeen mevrouw [Z.] tegen mevrouw [W.] gezegd zou hebben. Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling heeft het hof, gelet op de onduidelijkheid omtrent de mededelingen van de gezinsvoogdijwerkster aan mevrouw [W.], laatstgenoemde verzocht plaats te nemen in de zittingszaal. Mevrouw [W.] heeft vervolgens verklaard dat mevrouw [Z.] desgevraagd had aangegeven dat er niet zo veel bezwaar zou zijn tegen een uitbreiding van de omgang naar twee uur per veertien dagen. Verder heeft mevrouw [W.] verklaard dat zij inmiddels twee keer bij de omgang tussen de vrouw en de kinderen in het pleeggezin aanwezig is geweest en dat deze bezoeken rustig zijn verlopen.

4.6.4. De raad heeft in augustus 2008 onderzoek verricht in het kader van een verderstrekkende maatregel. Ter zitting van het hof heeft de vertegenwoordiger van de raad naar voren gebracht dat uit dit onderzoek is gebleken dat de kinderen weliswaar enige ontwikkelingsachterstand hebben, doch dat zij flexibel genoeg zijn om één keer per twee weken omgang te hebben met de vrouw in plaats van één keer per vier weken. De vrouw en de pleegouders zouden daarin wel begeleid moeten worden. Bovendien moet duidelijk zijn dat de uitbreiding van de omgang niet gericht is op terugkeer van de kinderen bij de vrouw. De raadsvertegenwoordiger heeft ter zitting tenslotte geconcludeerd dat een uitbreiding van de omgang echter te prematuur is, nu het pas om twee bezoeken, begeleid door ORO, gaat die goed zouden zijn verlopen.

4.6.5. Het hof is van oordeel dat het nu des te meer in het belang van [A.] en [B.] is dat de vrouw, nu zij immers uit het gezag over de beide kinderen is ontheven, haar rol van ‘moeder op afstand’ op een goede wijze kan invullen. Daarbij is het van belang dat [A.] en [B.] een stabiel en rustig contact met de vrouw hebben.

De rechtbank is er in haar beschikking van uitgegaan dat, gelet op de toezegging van de stichting, een uitbreiding van de omgang zal plaatsvinden op het moment dat er structureel meer rust is gekomen in het contact tussen de vrouw en de kinderen.

De vertegenwoordiger van de stichting heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat er pas aan een eventuele uitbreiding van de omgang gewerkt zal gaan worden indien blijkt dat hieraan behoefte bestaat bij de kinderen. Het hof acht deze aanpak niet in overeenstemming met de hiervoor ook door de rechtbank gememoreerde toezegging van de stichting, waaraan een andere invalshoek - structureel meer rust - ten grondslag lag.

4.6.6. Het hof acht het overigens niet uitgesloten dat de reden dat de kinderen druk zijn na een bezoek van de vrouw, hetgeen door de stichting wordt gesteld, niet zonder meer gelegen is in het gedrag van de vrouw tijdens de omgang, doch ook in de (erg) lage frequentie en (zeer) korte duur van de bezoeken. Tevens is gebleken dat er bij [A.] sprake is van ADHD.

4.6.7. Gebleken is in elk geval dat de (gezins)voogdijwerkster zich met betrekking tot het verhogen van de frequentie van de omgang jegens de medewerkster van de Stichting ORO niet negatief heeft uitgelaten, in die zin dat zij toen geen blijk van overwegende bezwaren hiertegen heeft gegeven.

Hoewel de raad het standpunt heeft ingenomen dat een uitbreiding van de omgang te prematuur is, heeft de raad ook aangegeven dat [A.] en [B.], gelet op het raadsrapport van augustus 2008, voldoende flexibel zijn om hier mee om te gaan.

Nu bovendien de veiligheid van beide kinderen wordt gewaarborgd doordat de omgang afwisselend wordt begeleid door de Stichting ORO en de pleegmoeder, is het hof van oordeel dat het belang van [A.] en [B.] zich niet verzet tegen een beperkte uitbreiding van de omgang, als ter zitting van het hof verzocht.

4.6.8. Het hof zal derhalve de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de vrouw toewijzen in die zin, dat het hof een omgangsregeling zal vaststellen waarin de vrouw gerechtigd is tot omgang met [A.] en [B.] éénmaal per veertien dagen gedurende twee uur. Daarbij gaat het hof er overigens wel van uit dat de huidige praktijk van begeleide omgang onverkort wordt bestendigd.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 juni 2008;

en, opnieuw rechtdoende,

bepaalt dat de vrouw gerechtigd is tot omgang met [A.] en [B.] éénmaal per veertien dagen gedurende twee uur;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, De Klerk-Leenen en Philips en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2009.