Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH2746

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
20-002948-08 OWV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

36e Sr. De veroordeelde is in de hoofdzaak vrijgesproken van het opzettelijk telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van hennep en veroordeeld ter zake van het opzettelijk aanwezig hebben daarvan. De ontnemingsvordering is gebaseerd op het uitgangspunt dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen uit het telen van hennep. Gelet op de vrijspraak in de hoofdzaak verzet de in art. 6 lid 2 EVRM verwoorde onschuldpresumptie zich tegen het ontnemen van voordeel dat door die feiten (telen etc.) zou zijn verkregen (EHRM Geerings).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002948-08 OWV

Uitspraak: 11 februari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 februari 2008 op de vordering ex artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-821368-07 tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel - als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht - wordt geschat zal vaststellen op EUR 40.000,00, dan wel EUR 3.000,00, en de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met verbetering van de gronden als na te melden.

De beoordeling

Aan de veroordeelde was in de tegen hem aanhangige strafzaak onder parketnummer 01-821368-07 onder 1 ten laste gelegd, voor zover hier van belang, dat hij in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 19 juli 2007 opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hennepplanten.

Blijkens een zich in het dossier bevindend aantekening mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 27 februari 2008 is het onder 1 bewezen verklaarde gekwalificeerd als opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod (het opzettelijk aanwezig hebben van hennep). Uit dat aantekening mondeling vonnis blijkt voorts dat het onder 1 bewezen verklaarde werd gepleegd in de periode van 1 april 2007 tot en met 19 juli 2007.

De veroordeelde is derhalve in de hoofdzaak vrijgesproken van het opzettelijk telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van bedoelde hoeveelheid hennepplanten. Deze vrijspraak betreft de gehele ten laste gelegde periode.

Zowel de ontnemingsvordering van de officier van justitie d.d. 13 november 2007 (tot een bedrag van EUR 95.942,00) als de vordering van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep (tot een bedrag van EUR 40.000,00) zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat de veroordeelde voordeel tot die respectievelijke bedragen heeft verkregen uit het telen van hennep (één oogst) in de periode van 1 april 2007 tot en met 19 juli 2007.

Gelet op voornoemde vrijspraak in de hoofdzaak verzet de in art. 6, tweede lid, van het EVRM verwoorde onschuldpresumptie zich evenwel tegen het ontnemen van voordeel dat door die feiten (telen etc.) zou zijn verkregen (vgl. EHRM 1 maart 2007, nr 30810/03 (Geerings tegen Nederland), NJ 2007, 349).

De advocaat-generaal heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de veroordeelde een bedrag van EUR 3.000,00 heeft verkregen uit bedoelde oogst, aangezien hij ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij dat bedrag per oogst zou ontvangen voor het op zijn naam zetten van het pand waarin de hennep werd geteeld.

Nu de veroordeelde heeft ontkend dat hij het bedrag van EUR 3.000,00 daadwerkelijk heeft ontvangen en ook overigens niet is gebleken dat dat bedrag aan hem is uitbetaald, is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde voordeel tot laatstgenoemd bedrag heeft genoten.

Gelet op het hiervoor overwogene dient de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

bevestigt het vonnis, waarvan beroep.

Aldus gewezen door

mr. J.M.W.M. van den Elzen, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. F. van Beuge,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 11 februari 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.