Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH2044

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
K08/0439
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Art. 12 Wetboek van Strafvordering; art.140, 225, 317 Sr.

Het hof stelt voorop dat publiekrechtelijke rechtspersonen, zoals gemeenten, niet onder alle omstandigheden vervolgbaar zijn. Kort gezegd is van een dergelijke onmogelijkheid sprake indien er exclusieve overheidtaken worden uitgeoefend. Is daarvan sprake dan is vervolging ook uitgesloten van ambtenaren en arbeidscontractanten in dienst van die rechtspersoon indien deze ter uitvoering van hun bestuurstaak feitelijk leiding of opdracht hebben gegeven. Er is dan sprake van strafrechtelijke immuniteit.

Het hof stelt voorts voorop dat geschillen van bestuursrechtelijke aard tussen overheden en/of gezagsdragers en/of ambtenaren enerzijds en de burger anderzijds als regel via een eigen rechtsgang dienen te worden beslecht. Hetzelfde geldt – mutatis mutandis – voor geschillen die overwegend van civiele aard zijn. Voor een strafrechtelijke interventie is in die gevallen geen plaats.

De enkele omstandigheid dat een overheidsfunctionaris c.q. een overheidsorgaan gebruik maakt van de bestuurlijke bevoegdheid om een dwangsom op te leggen, betekent niet zonder meer dat bij een geschil over deze dwangsom de betwiste handeling strafrechtelijk als afpersing geduid kan worden. Voor zover klaagster eraan twijfelt of die bestuurlijke handeling bevoegd is geschied dan wel naar oordeel van klaagster redelijkerwijs niet opgelegd had mogen worden, is de beoordeling daarvan het exclusieve domein van de bestuursrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K08/0439

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 27 januari 2009 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

(klaagster),

gevestigd te Sint-Oedenrode,

hierna te noemen: klaagster,

over de beslissing van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch tot het niet vervolgen van:

(beklaagde 1),

(beklaagde 2),

(beklaagde 3),

(beklaagde 4),

(beklaagde 5),

(beklaagde 6),

(beklaagde 7),

(beklaagde 8),

allen werkzaam bij de gemeente Sint-Oedenrode,

en

(beklaagde 9)

wonende te Sint-Oedenrode,

hierna te noemen: beklaagden en ieder afzonderlijk: beklaagde,

wegens valsheid in geschrift, samenspanning, deelname aan een criminele organisatie en afpersing.

alsmede

over de beslissing van de officier van justitie te ’s-Hertogenbosch tot het niet vervolgen van:

(beklaagde 1),

(beklaagde 4),

(beklaagde 2),

(beklaagde 5)

(beklaagde 6),

(beklaagde 10),

(beklaagde 7),

(beklaagde 8),

allen werkzaam bij de gemeente Sint-Oedenrode,

en

(beklaagde 11),

werkzaam bij de politie te Schijndel,

hierna te noemen: beklaagden en ieder afzonderlijk: beklaagde,

wegens valsheid in geschrift, samenspanning, deelname aan een criminele organisatie en afpersing.

De feitelijke gang van zaken.

Op 7 september 2008 is door klaagster, namens (belanghebbende 1) en (belanghebbende 2), aangifte gedaan van valsheid in geschrift, samenspanning en deelname aan een criminele organisatie, beweerdelijk jegens (belanghebbende 1) en (belanghebbende 2) gepleegd door beklaagden.

Op 21 september 2008 is door klaagster, namens (belanghebbende 3), aangifte gedaan van valsheid in geschrift, samenspanning, deelname aan een criminele organisatie en afpersing, beweerdelijk jegens (belanghebbende 1) en (belanghebbende 2) gepleegd door beklaagden.

Op 14 oktober 2008 is door de hoofdofficier van justitie aan klaagster bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat beide aangiften bestuursrechtelijke aangelegenheden betreffen.

Hierop heeft klaagster bij schrijven van 27 oktober 2008 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 28 oktober 2008, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 15 november 2008 het hof geraden het beklag als kennelijk ongegrond af te wijzen.

Op 23 december 2008 is het klaagschrift in raadkamer van het hof aan de orde gesteld

De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het schriftelijk verslag.

De beoordeling.

Ten aanzien van het beklag betrekking hebbend op het niet vervolgen wegens valsheid in geschrift, samenspanning, deelname aan een criminele organisatie en afpersing, naar aanleiding van de aangifte gedaan namens (belanghebbende 1) en (belanghebbende 2), komt het volgende uit de stukken naar voren.

Klaagster heeft namens (belanghebbende 1) en (belanghebbende 2) op 7 september 2008 aangifte gedaan van bovengenoemde strafbare feiten.

(belanghebbende 1) en (belanghebbende 2) zijn eigenaar van de (onderneming 1) gevestigd te Sint-Oedenrode. Bij besluit van 19 juli 2007 hebben burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode bij (onderneming 1) een preventieve last onder dwangsom van € 15.000 opgelegd.

Bij schrijven van 14 september 2007 ontvingen (belanghebbende 1) en (belanghebbende 2) een dwangsombeschikking van beklaagde (beklaagde 8) (burgemeester van Sint Oedenrode) en (beklaagde 7) (secretaris). Beklaagde (beklaagde 1) heeft ten behoeve van de dwangsombeschikking een controlerapport opgesteld, hetwelk ter verdere afhandeling is verstrekt aan beklaagde (beklaagde 8), (beklaagde 5), (beklaagde 4) en (beklaagde 6). Klaagster stelt dat beklaagden zich schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrift door op de dwangsombeschikking en het controlerapport het adres (adres 1) te vermelden terwijl de (onderneming 1) is gevestigd aan (adres 2) en zij hiervan op de hoogte waren. Daarnaast stelt klaagster dat beklaagde (beklaagde 1) zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door in het controlerapport van 5 september 2007 een aantal onjuistheden te vermelden.

Klaagster stelt dat beklaagden zich jegens (belanghebbende 1) en (belanghebbende 2) voorts schuldig maken aan afpersing door hen brieven te sturen tot betaling van de dwangsommen.

Tot slot stelt klaagster dat beklaagden zich, door bovengenoemde handelwijze, schuldig hebben gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie.

Ten aanzien van het beklag betrekking hebbend op het niet vervolgen wegens valsheid in geschrift, samenspanning, deelname aan een criminele organisatie en afpersing, naar aanleiding van de aangifte gedaan namens (belanghebbende 3), komt het volgende uit de stukken naar voren.

Op 21 september 2008 doet klaagster, namens (belanghebbende 3), aangifte van valsheid in geschrift in samenspanning, deelname aan een criminele organisatie en afpersing, gepleegd jegens (belanghebbende 3). Bij besluit van 8 augustus 2006 is aan (belanghebbende 3) een dwangsom opgelegd van € 50.000. Klaagster stelt dat beklaagden in het besluit van 8 augustus 2006 valsheid in geschrift hebben gepleegd door meerdere onjuistheden te vermelden.

Klaagster stelt dat beklaagden zich met het opleggen van een dwangsom van € 5.000 tot een maximum van € 50.000 schuldig maken aan afpersing.

Tot slot stelt klaagster dat beklaagden zich, door bovengenoemde handelwijze, schuldig hebben gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie.

Het hof overweegt ten aanzien van hetgeen onderwerp van beklag is het volgende.

Het hof stelt vast dat aan de onderhavige aangiften, geschillen betreffende bepaalde bestuursrechtelijke kwesties ten grondslag liggen. Die geschillen bestaan ten aanzien van ambtenaren van de gemeente Sint Oedenrode, de burgemeester en de secretaris van deze gemeente, een politieambtenaar, en de buurman van de personen namens wie klaagster aangifte heeft gedaan.

Klaagster duidt door de gemeentelijke overheid genomen besluiten en gedane mededelingen, de schriftelijke vastlegging daarvan, onderliggend ambtelijk overleg en uitvoeringshandelingen als afpersing, valsheid in geschrift, samenspanning en deelnemen aan een criminele organisatie.

Het hof stelt voorop dat publiekrechtelijke rechtspersonen, zoals gemeenten, niet onder alle omstandigheden vervolgbaar zijn. Kort gezegd is van een dergelijke onmogelijkheid sprake indien er exclusieve overheidtaken worden uitgeoefend. Is daarvan sprake dan is vervolging ook uitgesloten van ambtenaren en arbeidscontractanten in dienst van die rechtspersoon indien deze ter uitvoering van hun bestuurstaak feitelijk leiding of opdracht hebben gegeven. Er is dan sprake van strafrechtelijke immuniteit.

Het hof stelt voorts voorop dat geschillen van bestuursrechtelijke aard tussen overheden en/of gezagsdragers en/of ambtenaren enerzijds en de burger anderzijds als regel via een eigen rechtsgang dienen te worden beslecht. Hetzelfde geldt – mutatis mutandis – voor geschillen die overwegend van civiele aard zijn. Voor een strafrechtelijke interventie is in die gevallen geen plaats.

De enkele omstandigheid dat een overheidsfunctionaris c.q. een overheidsorgaan gebruik maakt van de bestuurlijke bevoegdheid om een dwangsom op te leggen, betekent niet zonder meer dat bij een geschil over deze dwangsom de betwiste handeling strafrechtelijk als afpersing geduid kan worden. Voor zover klaagster eraan twijfelt of die bestuurlijke handeling bevoegd is geschied dan wel naar oordeel van klaagster redelijkerwijs niet opgelegd had mogen worden, is de beoordeling daarvan het exclusieve domein van de bestuursrechter.

Om het opleggen van een dwangsom door de gemeentelijke overheid – daargelaten de vraag naar de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente en de betrokken ambtenaren – te kunnen duiden als afpersing zou minst genomen moeten blijken dat sprake is van de omstandigheid dat beklaagden zichzelf middels (wederrechtelijk) geweld of (wederrechtelijke) bedreiging met geweld wederrechtelijk hebben willen bevoordelen.

Voor wat betreft de beweerdelijk verkeerde adresaanduidingen in stukken of beweerdelijk verkeerde veronderstellingen betreffende een al dan niet benodigde milieuvergunning, leveren die omstandigheden naar het oordeel van het hof – wederom daargelaten de vraag naar de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente en de betrokken ambtenaren voor zover hierbij sprake zou zijn van geschriften van de overheid – niet zonder meer een strafbaar feit als valsheid in geschrift op. Immers, niet blijkt dat met opzet onjuiste gegevens in die stukken zijn opgenomen noch dat er sprake is van het oogmerk zoals bedoeld in art. 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Datgene wat klaagster duidt als valsheid in geschrift is naar strafrechtelijke maatstaven niet als zodanig te duiden.

Nu naar het oordeel van het hof, gelet op de inhoud van het dossier niet gebleken is dat beklaagden zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten, zoals afpersing en valsheid in geschrift als omschreven in het Wetboek van Strafrecht, is er tegen die achtergrond ook geen sprake van dat beklaagden een organisatie zouden vormen c.q. zouden hebben deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft zoals bedoeld in het Wetboek van Strafrecht. Ook overigens is daarvan niet gebleken.

Reeds hierom dient het beklag als zijnde kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

Gelet op het vorenstaande kan overeenkomstig het bepaalde bij artikel 12c van het Wetboek van Strafvordering worden afgezien van het horen van klager in raadkamer.

De beslissing.

Het hof verklaart het beklag kennelijk ongegrond.

Aldus gegeven door

mr. F. van Beuge, als voorzitter,

mrs. E.S.G.N.A.I. van de Griend en F.J.M. Walstock, als raadsheer,

in tegenwoordigheid van mw. B.A.C. Volkerts, als griffier.

op 27 januari 2009.