Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH2041

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
K08/0313
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Art. 12 Wetboek van Strafvordering; art. 45, 302 Sr., art. 5 WVW 1994

Het hof is van oordeel dat van de beklaagden onder de gegeven omstandigheden, werkzaam in het kader van de uitvoering van hun publieke taak als politieagent – meer in het bijzonder de opsporing van een strafbaar feit – een strikte naleving van het bepaalde in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 niet steeds mag worden gevergd. Beklaagden hebben, toen klager zich aan zijn aanhouding wilde onttrekken, op goede gronden kunnen besluiten hem te volgen teneinde hem aan te houden. Naar ’s hofs oordeel hebben beklaagden in redelijkheid kunnen besluiten klager als verdachte aan te houden. Zij hebben voorts bij het tot stilstand brengen van klager teneinde hem aan te kunnen houden – door weloverwogen en met inachtneming van de nodige voorzichtigheid de fiets van klager met het dienstvoertuig licht aan te tikken – het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel in voldoende mate in acht genomen. Naar het oordeel van het hof zijn beklaagden derhalve niet strafbaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 12
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 302
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/36 met annotatie van RV
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K08/0313

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 27 januari 2009 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

(klager),

wonende te Heerlen,

hierna te noemen: klager,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. C.J.J. Visser, advocaat te Maastricht,

over de beslissing van de officier van justitie te Roermond tot het niet vervolgen van:

een of meer verbalisanten van de politie Limburg Noord,

hierna te noemen: beklaagde(n),

wegens (poging tot zware) mishandeling.

De feitelijke gang van zaken.

Op 19 juli 2007 heeft klager aangifte gedaan van (poging tot zware) mishandeling, beweerdelijk jegens hem gepleegd door beklaagde(n).

Op 2 juli 2008 is door de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd.

Hierop is namens klager bij schrijven van 1 augustus 2008 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 5 augustus 2008, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 11 september 2008 het hof geraden primair klager kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair het beklag kennelijk ongegrond te verklaren.

Op 30 december 2008 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van de advocaat van klager.

De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het schriftelijk verslag.

De beoordeling.

Ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid:

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat klager in zijn beklag niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de lange tijd die is verstreken tussen het incident en het moment waarop klager aangifte heeft gedaan.

Het hof is, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat er geen aanleiding is klager in zijn beklag niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de wet – buiten de gevallen als bedoeld in de artikelen 12k en 12l van het Wetboek van Strafvordering, welke artikelen niet op de onderhavige kwestie van toepassing zijn – geen termijn stelt aan het doen van beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof verklaart klager ontvankelijk in zijn beklag.

Ten aanzien van de inhoudelijke klacht:

Klager stelt bij zijn aanhouding op 28 mei 2005 door beklaagden, verbalisanten van de politie, te zijn mishandeld en hierdoor zwaar lichamelijk letsel te hebben bekomen. Klager trachtte weg te fietsen op het moment dat beklaagden hem tot stoppen maanden. Hierop is klager door beklaagden met hun dienstvoertuig aangereden. Klager stelt hierdoor zwaar letsel te hebben opgelopen. Klager heeft toentertijd een aantal schaafwonden opgelopen en stelt nog steeds neurologische en urologische klachten te hebben als gevolg van dit incident.

Beklaagden hebben gerelateerd in het door hen opgemaakte proces-verbaal dat zij reden in een opvallend dienstvoertuig, toen zij de melding kregen dat een man aan het inbreken was in een auto. Ter plaatse gekomen zagen beklaagden klager, die voldeed aan het opgegeven signalement, met een flinke snelheid wegfietsen. Beklaagden maanden klager tot stoppen, maar deze fietste hard weg. Omdat klager hen tijdens de achtervolging eerder via een brandgang was ontkomen, besloot (beklaagde 1), bestuurder van het dienstvoertuig, toen hij klager weer in het vizier kreeg, om te voorkomen dat hij wederom via een brandgang zou ontkomen en wel door met het dienstvoertuig de achterzijde van de fiets van klager aan te tikken, zodat hij aangehouden zou kunnen worden. Beklaagden reden 10 tot 15 kilometer per uur en zagen dat er geen overig verkeer aankwam. Hierop heeft (beklaagde 1) klager licht aangetikt. Vervolgens begon klager met zijn fiets te slingeren en remde hij af. Klager kwam daarna ten val. Beklaagden zijn uitgestapt en hebben klager aangehouden. Klager bloedde aan een vinger, maar vertoonde verder geen letsel. Enig causaal verband tussen de val van klager en zijn latere klachten – ten aanzien waarvan overigens geen medische verklaring is overgelegd – is niet aannemelijk gemaakt. In de fietstas van klager ontdekten beklaagden een autoradio en braakspullen.

Het hof is van oordeel dat van de beklaagden onder de gegeven omstandigheden, werkzaam in het kader van de uitvoering van hun publieke taak als politieagent – meer in het bijzonder de opsporing van een strafbaar feit – een strikte naleving van het bepaalde in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 niet steeds mag worden gevergd. Beklaagden hebben, toen klager zich aan zijn aanhouding wilde onttrekken, op goede gronden kunnen besluiten hem te volgen teneinde hem aan te houden. Naar ’s hofs oordeel hebben beklaagden in redelijkheid kunnen besluiten klager als verdachte aan te houden. Zij hebben voorts bij het tot stilstand brengen van klager teneinde hem aan te kunnen houden – door weloverwogen en met inachtneming van de nodige voorzichtigheid de fiets van klager met het dienstvoertuig licht aan te tikken – het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel in voldoende mate in acht genomen. Naar het oordeel van het hof zijn beklaagden derhalve niet strafbaar.

Gelet op het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen.

De beslissing.

Het hof verklaart klager ontvankelijk in zijn beklag.

Het hof wijst het beklag af.

Aldus gegeven door

mr. C.R.L.R.M. Ficq, als voorzitter,

mr. G.A.M. Stevens en mr. F. van Es, als raadsheer,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, als griffier.

op 27 januari 2009.

Mr. Van Es is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.