Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH2038

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
20-001853-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijsuitsluiting, vrijspraak. Ontbreken van redelijk vermoeden van schuld: staandehouding, onderzoek aan kleding en aanhouding onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001853-08

Uitspraak: 4 februari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 mei 2008 in de strafzaak met parketnummer 01-825267-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1978],

thans uit anderen hoofde verblijvende in D.C.Z. Vreemdelingen - vrouwen

te Soesterberg.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen

door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren, de verdachte ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 weken, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, de in beslag genomen 4,7 gram cocaïne zal ontrekken aan het verkeer en de teruggave aan de verdachte zal gelasten van het in beslaggenomen geldbedrag van EUR 795,00.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de

hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd:

1.

dat hij op of omstreeks 18 april 2008 te Helmond opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

dat hij op of omstreeks 18 april 2008 te Helmond, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Beoordeling

Van de zijde van verdachte is het verweer gevoerd dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat voor het ten laste gelegde geen wettig bewijs voorhanden is.

Hiertoe is aangevoerd, kort gezegd, dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig was, zodat al hetgeen daaruit voortvloeit van het bewijs dient te worden uitgesloten en overig bewijs niet voorhanden is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van aanhouding (dossierpagina’s 8-10) blijkt het volgende.

Op 18 april 2008 zagen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een rode Peugeot 205, voorzien van het kenteken [kenteken], rijden op de Noord Koninginnewal te Helmond. Het was de verbalisanten bekend dat genoemde auto in de briefing onder de aandacht was gebracht omdat de inzittenden ervan zich schuldig zouden maken aan de handel in verdovende middelen. De verbalisanten zijn vervolgens achter de rode Peugeot 205 aangereden. Toen zij zagen dat de auto op een parkeerplaats tot stilstand kwam, hebben zij het dienstvoertuig naast de Peugeot 205 geplaatst en de bestuurder en de bijrijder (hierna: verdachte) aangesproken.

[verbalisant 1] heeft de verdachte vervolgens gevraagd de zakken van zijn kleding leeg te maken en of het goed was dat hij, verbalisant, in die zakken mocht voelen. Vervolgens heeft [verbalisant 1] de verdachte aan zijn kleding onderzocht, waarbij hij in een zak van verdachtes jas of broek een plastic zakje met daarin een witte brok en een klein bolletje heeft aangetroffen. [verbalisant 1] vermoedde dat het om cocaïne ging. Nadat de verdachte op de vraag van [verbalisant 1] bevestigde dat hij cocaïne bij zich had, is de verdachte aangehouden. Vervolgens heeft de verdachte op het politiebureau verklaard dat hij ongewenst vreemdeling was.

Voor de beantwoording van de vraag of het optreden van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] rechtmatig was, acht het hof in het bijzonder de artikelen 27, eerste lid, en 52 van

het Wetboek van Strafvordering van belang.

Artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt in dat, voordat de vervolging

is aangevangen, als verdachte wordt aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit.

Artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering geeft iedere opsporingsambtenaar de bevoegdheid de verdachte naar zijn personalia te vragen en hem - zonodig - daartoe

staande te houden.

Uit het hierboven genoemde proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] volgt dat zij de verdachte hebben aangesproken en dat [verbalisant 1] de verdachte naar zijn personalia heeft gevraagd (“staande gehouden”) naar aanleiding van de informatie die bij de briefing ter kennis van de verbalisanten was gebracht. Deze informatie - die, voor zover uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet méér inhield dan dat de mogelijkheid bestond dat de verdachte een in de Opiumwet strafbaar gesteld feit gepleegd zou kunnen hebben - acht het hof, evenals de rechter-commissaris, op zichzelf van onvoldoende gewicht om ten aanzien van de verdachte te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Nu voorts niet is gesteld of aannemelijk geworden dat de bij de briefing verstrekte informatie voorafgaande aan de staandehouding ten bezware van de verdachte nog nader is onderbouwd of geconcretiseerd, terwijl evenmin is gesteld of aannemelijk geworden dat sprake was van gedragingen van de verdachte op grond waarvan de verbalisanten hem ten tijde van de staandehouding als “verdachte” in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering mochten aanmerken, concludeert het hof dat zich hier op het moment van de staandehouding niet de situatie voordeed dat ten aanzien van de verdachte uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeide.

Gelet hierop ontbreekt ook voor het onderzoek aan de kleding van de verdachte een wettelijke basis, waarbij in het midden kan blijven of de verdachte aan dat onderzoek vrijwillig heeft medegewerkt, zoals door [verbalisant 1] is gesteld en door verdachte ter terechtzitting is betwist. Naar het oordeel van het hof mocht de verdachte ten tijde van het onderzoek aan zijn kleding niet worden aangemerkt als “een persoon, verdacht van een bij de Opiumwet als misdrijf strafbaar gesteld feit”, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet, terwijl op dat moment evenmin sprake was van de in dat artikellid bedoelde “ernstige bezwaren” tegen de verdachte.

De verdachte is, nadat bij het onderzoek aan zijn kleding een hoeveelheid op cocaïne gelijkende stof was aangetroffen, door [verbalisant 1] aangehouden en overgebracht naar het politiebureau, waar hij is verhoord. Daarbij heeft verdachte onder meer verklaard dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat het optreden van de verbalisanten jegens de verdachte van de aanvang af onrechtmatig is geweest. Omdat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim inhoudende schending van een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift en er tevens sprake is van een direct causaal verband tussen het geschonden voorschrift en het na die schending verkregen bewijsmateriaal, dient dat bewijsmateriaal uitgesloten te worden van het bewijs van het ten laste gelegde onder 1 en 2.

Nu overigens geen bewijs voorhanden is, waaruit volgt dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zal hij daarvan worden vrijgesproken.

Beslag

De inhoud van het onder de verdachte aangetroffen en in beslag genomen plastic zakje, te weten een witte brok in staafvorm en kleine brokjes/deeltjes, met een totaal netto gewicht van 4,5 gram, en een plastic dichtgebrand bolletje met daarin een witte stof met een netto gewicht van 0,2 gram, is door de politie indicatief getest. Uit deze test kan worden geconcludeerd dat

de witte substanties vermoedelijk cocaïne bevatten. In samenhang met de verklaring van verdachte, dat hij de in beslag genomen stof als cocaïne had gekocht, kan worden aangenomen dat het ook werkelijk om cocaïne ging. Cocaïne is een middel als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet.

Derhalve zal de in beslag genomen en nog niet teruggegeven witte substantie met een totaal netto gewicht van 4,7 gram op grond van het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet aan

het verkeer onttrokken worden verklaard.

Het hof zal, nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet langer verzet, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal dienaangaande, de teruggave

aan de verdachte gelasten van het onder hem in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van EUR 795,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De beslissing is gegrond op artikel 13a van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- 4,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne;

gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen geldbedrag, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een geldbedrag van EUR 795,00.

Aldus gewezen door

mr. J.M.W.M. van den Elzen, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. N.J.L.M. Tuijn,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 4 februari 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.