Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH0722

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
HV 200.013.206-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging ABW. Normbedrag + draagkrachtpercentage op basis van reïntegratienorm (Marokko)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BSU

15 januari 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer HV 200.013.206/01

Zaaknummer eerste aanleg 181982 FA RK 07-4822

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: de man,

advocaat: mr. J.M. Molkenboer,

t e g e n

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Tilburg,

zetelende te Tilburg,

geïntimeerde,

hierna: de gemeente.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 10 juni 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 4 september 2008, heeft de man verzocht om bij arrest (het hof leest: beschikking), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de gemeente tot vaststelling van de door de man aan de gemeente te betalen bijdrage ter zake van kosten van bijstand af te wijzen, dan wel die bijdrage vast te stellen op nihil.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 3 oktober 2008, heeft de gemeente verzocht het verzoek van de man af te wijzen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 19 mei 2008;

- de brief d.d. 6 november 2008 met bijlagen van de advocaat van de man.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2008. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de man bijgestaan door mr. Zebregs, en de gemeente, vertegenwoordigd door haar gemachtigde, mr. P.P.H.G. Plasschaert.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De man is gehuwd geweest met mevrouw [Y.] Uit dat huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten:

- [K.], geboren op [geboortejaar],

- [L.], geboren op [geboortejaar].

4.2. Door de gemeente is gedurende de periode van 2 juli 2006 tot 1 september 2007 aan mevrouw [Y.] voornoemd mede ten behoeve van de beide hiervoor genoemde kinderen een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand verstrekt ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Bij brief van de gemeente van 1 maart 2007 is aan de man medegedeeld dat aan mevrouw [Y.] mede ten behoeve van de kinderen een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand werd verleend en dat door de gemeente onderzoek zou worden verricht naar de financiële omstandigheden van de man ter vaststelling van een eventuele verhaalsbijdrage. De gemeente heeft vervolgens naar aanleiding van het door de man ingezonden inlichtingenformulier bij brief van 19 maart 2007 aan de man verzocht aanvullende financiële gegevens te verstrekken.

4.3. Omdat de man met het verstrekken van die aanvullende gegevens in gebreke bleef, heeft de gemeente vervolgens de verhaalsbijdrage met ingang van 1 maart 2007 ambtshalve vastgesteld op € 830,50 per maand. De man is door de gemeente bij brief van 8 mei 2007 van dit besluit in kennis gesteld.

4.4. Na de man nogmaals bij brief van 3 oktober 2007 in de gelegenheid te hebben gesteld bedoelde financiële gegevens te verstrekken, heeft de gemeente bij op 6 november 2007 ter griffie van voormelde rechtbank ingekomen verzoekschrift, zoals zij dat bij haar conclusie van repliek d.d. 15 januari 2008 heeft gewijzigd, verzocht de verhaalsbijdrage gedurende de periode van 1 maart 2007 tot 1 september 2007 vast te stellen op € 327,06 per maand, derhalve in totaal op € 1.962,36.

4.5. De man heeft tegen dat verzoek verweer gevoerd, waarna de rechtbank bij de bestreden beschikking het door de man aan de gemeente te betalen bedrag ter zake van kosten van bijstand ten behoeve van mevrouw [Y.] en de beide kinderen van de man en mevrouw [Y.] over de periode van 2 maart 2007 tot 1 september 2007 heeft vastgesteld op € 292,-- per maand en de man heeft veroordeeld tot betaling van dat bedrag over voormelde periode.

4.6. De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen en heeft daartegen zes grieven aangevoerd.

4.7. Het hof oordeelt als volgt. Bij de beoordeling van de draagkracht van de man is de rechtbank uitgegaan van een brutosalaris van de man van € 19.967,64 bruto per jaar, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage in de premie zorgverzekering. Uitgaande van voormelde gegevens en in fiscaal opzicht rekening houdende met de van toe¬passing zijnde premies, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de verschuldigde inkomenstenbelasting, heeft de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man becijferd op € 1.505,07 per maand. Deze gegevens staan in hoger beroep niet ter discussie, zodat ook het hof deze tot uitgangspunt neemt.

4.8. Vaststaat dat de man op 23 april 2004 is getrouwd met mevrouw [M.], dat op [geboortejaar] uit dit huwelijk in Marokko een zoon, [N.], is geboren en dat mevrouw [M.] en [N.] in Marokko wonen. Omdat de man naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende had onderbouwd dat zijn huidige echtgenote niet werkzaam is en dat zij niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, heeft de rechtbank de huidige echtgenote van de man voor de berekening van zijn draagkracht buiten beschouwing gelaten. Wel heeft de rechtbank rekening gehouden met de zoon van de man door de draagkrachtruimte van de man te beschouwen als in totaal 244% en daarvan 44% ten goede te laten komen aan de in Marokko verblijvende zoon van de man (en tweemaal 100% aan de twee kinderen in Nederland).

Daartegen richten zich de grieven 1 en 2. De man herhaalt zijn in eerste aanleg ingenomen standpunt dat zijn huidige echtgenote onder andere vanwege de zorg voor hun zoon [N.] in 2007 niet in staat was om te werken en dat hij daarom gedurende de periode van maart 2007 tot september 2007 een gezin had te onderhouden, zodat bij de beoordeling van zijn draagkracht dient te worden uitgegaan van het Wwb-normbedrag voor een gezin. Subsidiair, namelijk voor het geval de man als alleenstaande dient te worden aangemerkt, heeft de man aangevoerd dat hij onder andere in het jaar 2007 gemiddeld met een bedrag van

€ 354,-- per maand heeft bijgedragen in de kosten van zijn gezin in Marokko en dat hij daarnaast nog kosten heeft gemaakt om zijn gezin in Marokko te kunnen bezoeken en om telefonisch contact met zijn gezin te kunnen onderhouden.

De gemeente blijft bij haar reeds in eerste aanleg ingenomen standpunt dat de man niet heeft aangetoond dat zijn echtgenote niet in haar eigen levensonderhoud voorziet en kan voorzien.

4.9. Het hof overweegt als volgt. De man heeft ter zitting van het hof onweersproken verklaard dat zijn huidige echtgenote, die in [geboortejaar] is geboren, niet over diploma’s beschikt en ook nooit aan het arbeidsproces heeft deelgenomen. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende dat de huidige echtgenote van de man op [geboortejaar] in Marokko is bevallen van de zoon [N.], acht het hof voldoende aannemelijk dat de huidige echtgenote van de man in de thans nog van belang zijnde periode van 2 maart 2007 tot 1 september 2007 niet door het verrichten van arbeid in haar eigen levensonderhoud heeft kunnen voorzien en samen met [N.] voor wat hun levensonderhoud betreft op de man was aangewezen. Onder deze omstandigheden acht het hof het redelijk om bij de beoordeling van de draagkracht van de man rekening te houden met het op de Wet werk en bijstand gebaseerde normbedrag voor een gezin en een percentage beschikbare draagkrachtruimte van 45%, zij het dat het hof het redelijk acht om tevens rekening te houden met de op zich niet betwiste remigratienorm van 44%, toegepast op het verschil tussen de alleenstaandennorm en de gezinsnorm. Dit levert een normbedrag op van € 866,-- + ( 44% van € 1.237,-- min € 866,--)

€ 164,-- = € 1.030,-- en een percentage van 53,4 % (60 – 6,6 (44% van 60-45) van de beschikbare draagkrachtruimte. De man heeft wel aangevoerd dat hij onder andere in het jaar 2007 per maand gemiddeld met een bedrag van € 354,-- heeft bijgedragen in de kosten van zijn gezin in Marokko en dat hij daarnaast telefoon- en reiskosten heeft gemaakt om het contact met zijn gezin aldaar te kunnen onderhouden, maar het hof wijst erop dat, nu wordt uitgegaan te gaan van de op de Wet werk en bijstand gebaseerde normbedragen, waaruit de noodzakelijke kosten van levensonderhoud bestreden dienen te worden, niet relevant is op welke wijze de man dat normbedrag heeft besteed.

De man heeft verder aangevoerd dat zijn zoon [N.] vaak ziek was en onder behandeling van een kinderarts stond, hetgeen zodanige kosten met zich bracht dat de behoefte van [N.] groter is dan 44%. De man heeft de door hem bedoelde kosten echter onvoldoende aangetoond. De door hem overgelegde facturen zijn deels onleesbaar en hebben voor een groot deel geen betrekking op de thans relevante periode van 2 maart tot 1 september 2007.

Uit het voorgaande volgt dat grief 1 slaagt en grief 2 faalt.

4.10. In de grieven 3 en 4 beklaagt de man zich erover dat de rechtbank gedurende de thans in het geding zijnde periode geen rekening heeft gehouden met de aflossing op de schulden. Ter toelichting hierop heeft de man aangevoerd dat hij terzake een alimentatieverplichting jegens zijn gewezen echtgenote is aangesproken tot betaling van een bedrag van € 4.875,72, voor de betaling van welk bedrag hij op 1 februari 2007 bij de heer [Q.] een bedrag van € 4.860,69 heeft geleend en dat hij verder op 7 mei 2004 bij [R.] een bedrag van ongeveer € 5.750,-- heeft geleend, op welke schuld hij in de periode van maart 2007 tot september 2007 een aanzienlijk bedrag heeft afgelost. In zijn bij zijn beroepschrift als productie 7 overgelegde draagkrachtberekening houdt de man ter zake van rente en aflossing op schulden rekening met een bedrag van in totaal € 320,20.

4.11. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden, welke gronden het hof overneemt en tot de zijne maakt, geen rekening heeft gehouden met de door de man gestelde schuld van circa € 5.000,-- aan de heer [Q.] en dat voor het overige niet is gebleken van zodanige lasten dat daarmee in het bijzonder rekening moet worden gehouden.

Hoewel het hof op grond van de door de man bij zijn beroepschrift als productie 3 en 4 overgelegde bescheiden aannemelijk acht dat de man op grond van een uitspraak van de rechtbank te Nador van 15 mei 2006 gehouden is (geweest) tot betaling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van zijn gewezen echtgenote en hun beide kinderen over de periode van 3 januari 2001 tot 17 december 2003, respectievelijk tot 31 januari 2007, en dat de man te dier zake begin februari 2007 een bedrag van in totaal € 55.170,-- Dirham (€ 4.875,72) heeft voldaan, acht het hof onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de man voor de betaling van dat bedrag een lening heeft moeten sluiten. De man heeft weliswaar als productie 5 bij zijn beroepschrift een in de Arabische taal opgemaakte “akte voor een lening” en een vertaling van deze akte overgelegd, maar deze vertaling is niet voorzien van een verklaring van een beëdigd vertaler Arabisch/Nederlands, zodat de juistheid van deze vertaling en derhalve de inhoud van de akte niet kan worden vastgesteld. Bovendien heeft de man niet aangetoond dat hij gedurende de thans in het geding zijnde periode feitelijk met een bedrag van € 220,94 per maand op deze schuld heeft afgelost, zoals hij heeft gesteld. Ook voor wat betreft de door de man gestelde schuld van circa € 5.750,-- (65.000 Dirham) uit hoofde van een door hem op 7 mei 2004 gesloten lening geldt dat de man heeft volstaan met overlegging van een in de Arabische taal opgemaakt “schuldbewijs” en een vertaling daarvan, maar dat deze vertaling niet is voorzien van een verklaring van een beëdigd vertaler Arabisch/Nederlands, zodat de juistheid van deze vertaling en derhalve de inhoud van het “schuldbewijs” niet kan worden vastgesteld, alsmede dat de man niet heeft aangetoond dat hij feitelijk gedurende de periode van 2 maart tot 1 september 2007 op deze schuld heeft afgelost, zoals hij heeft gesteld. De grieven 3 en 4 falen dus.

4.12. In grief 5 stelt de man dat hij in 2007 de draagkracht miste om in totaal

€ 292,-- per maand te voldoen. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.9. is overwogen, slaagt deze grief. Uitgaande van het tussen partijen niet in geschil zijnde netto besteedbare inkomen van de man van € 1.505,07 per maand en rekening houdende met het op de man gedurende de periode van 2 maart 2007 tot 1 september 2007 gecorrigeerde normbedrag voor een gezin van € 1.030,-- als berekend in 4.9, met een bedrag van € 182,-- per maand aan ziektekosten en een bedrag van € 42,56 per maand aan meerkosten terzake huur, welk bedragen evenmin in geschil zijn, liet de draagkracht van de man gedurende meerbedoelde periode betaling van een verhaalsbijdrage van € 133,50 per maand toe.

4.13. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden, welke het hof overneemt en tot de zijne maakt, bepaald dat de periode waarover de gemeente op de man kan verhalen, dient in te gaan op 2 maart 2007, zodat grief 6 moet worden verworpen.

4.14. Gelet op al het vorenstaande dient te worden beslist als volgt.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 10 juni 2008, behoudens voor zover daarbij de proceskosten zijn gecompenseerd,

en in zoverre opnieuw rechtdoende

stelt het door de man aan de gemeente te betalen bedrag ter zake van aan mevrouw [Y.] mede ten behoeve van de kinderen [K.], geboren op [geboortejaar], en [L.], geboren op [geboortejaar], over de periode van 2 maart 2007 tot 1 september 2007 verstrekte kosten van bijstand vast op € 133,50 per maand en veroordeelt de man tot betaling aan de gemeente van € 133,50 (eenhonderddrieëndertig euro en vijftig cent) per maand over de periode van 2 maart 2007 tot 1 september 2007;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Pellis en Everaars-Katerberg en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2009.