Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH0717

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
HV 200.016.633
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Relatieve bevoegdheid; partijen wensen geen verwijzing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BSU

15 januari 2009

Sector Civiel recht

Zaaknummer HV200.011.633/01

Zaaknummer eerste aanleg 165591/FA RK 07-4197

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats A.],

appellante in principaal appel,

tevens geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. J.W. Weehuizen,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats B.],

geïntimeerde in principaal appel,

tevens appellant in incidenteel appel,

hierna: de man,

advocaat: mr. J.E. Benner.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 mei 2008, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 12 augustus 2008, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man ook met ingang van 1 september 2008 dient door te lopen c.q. (subsidiair) geleidelijk dient te worden afgebouwd gedurende een periode van vijf jaren, waarbij elk jaar 20% minder wordt betaald.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 augustus 2008, heeft de man het verzoek van de vrouw bestreden. Tevens heeft de man daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking en onder vermeerdering van zijn verzoek verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en:

- te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man is geëindigd met ingang van 1 september 2007, althans de alimentatieverplichting te beëindigen op de wijze zoals het hof juist acht,

- te bepalen dat de man geen indexering verschuldigd is (geweest) vanaf 1 januari 2000 althans vanaf een datum die het hof juist acht en voorts te bepalen dat - zo enige indexering alsnog verschuldigd blijkt te zijn- de man over deze indexeringen geen wettelijke rente verschuldigd is, althans de ingangsdatum en de hoogte van enige boeterente in alle redelijkheid te bepalen op 29 mei 2008 en niet hoger dan 2%, althans ter zake uitspraak te doen zoals het hof juist acht,

- te bepalen dat enige door de man teveel betaalde alimentatie door de vrouw aan de man dient te worden terugbetaald waarbij het door de vrouw te betalen bedrag door de man verrekend kan worden met enige achterstallige indexeringen en/of wettelijke renten,

- de betreffende beschikking in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.3. Bij verweerschrift in het incidenteel appel, ter griffie ingekomen op 6 oktober 2008, heeft de vrouw verzocht tot afwijzing van het incidenteel appel van de man en tot afwijzing c.q. niet-ontvankelijkverklaring van de vermeerdering van eis, als ingesteld door de man.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de brief d.d. 15 oktober 2008 met bijlagen van de advocaat van de man;

- de brief d.d. 28 november 2008 met bijlagen van de advocaat van de vrouw;

- de brief d.d. 28 november 2008 met bijlagen van de advocaat van de man;

- de brief d.d. 1 december 2008 met bijlagen van de advocaat van de man.

2.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2008. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord.

3. De beoordeling

3.1. Het hof overweegt aangaande zijn bevoegdheid de onderhavige zaak te beoordelen het volgende.

Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak is aan partijen voorgehouden dat, nu de vrouw ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg woonachtig was in [woonplaats A.] en de man in [woonplaats B.] gemeente [gemeentenaam], niet de rechtbank ’s-Hertogenbosch, maar de rechtbank Arnhem bevoegd was van het onderhavige verzoek kennis te nemen, en dat dus de rechtbank ’s-Hertogenbosch de zaak in de stand waarin deze zich bevond had dienen te verwijzen naar de bevoegde rechtbank, zijnde de rechtbank Arnhem, tenzij partijen zouden hebben verklaard geen verwijzing te wensen. In eerste aanleg is noch het een noch het ander gebeurd. Als gevolg van het door de vrouw ingestelde hoger beroep neemt het hof kennis van een zaak, die gelet hierop, in eerste aanleg door een onbevoegde rechter is behandeld. Op grond van het bepaalde in artikel 270, lid 1, Rv. dient alsnog verwijzing naar de bevoegde rechter plaats te vinden, tenzij partijen hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.

Nadat het hof dit aan partijen heeft voorgehouden, hebben partijen vervolgens ieder voor zich aangegeven dat zij die verwijzing niet wensen, zodat het hof de zaak aan zich heeft gehouden.

3.2. Ter zitting van het hof zijn partijen alsnog tot overeenstemming gekomen.

Partijen stemmen er alsnog mee in dat de verplichting van de man om aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken met ingang van 1 september 2008 is geëindigd en dat de beschikking, waarvan beroep, in zoverre wordt bekrachtigd.

Partijen zijn verder overeengekomen dat de achterstand in de betaling van de door de man tot 1 september 2008 verschuldigde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw als gevolg van het niet voldoen van de wettelijke indexering tot 1 september 2008 inclusief de daarover verschuldigde wettelijke rente neerkomt op een bedrag van in totaal € 17.215,06, welk bedrag door de man in oktober 2007 op de rekening Stichting derdengelden van de raadsman van de vrouw is gestort, en dat dit bedrag aan de vrouw zal worden uitgekeerd, waartoe de man het onder de advocaat van de vrouw gelegde beslag op dat bedrag zal doen opheffen. Het daarover aanhangige kort geding zal ingetrokken worden.

Partijen zijn verder overeengekomen dat deze regeling strekt tot finale kwijting, zodat partijen nadat de vrouw genoemd bedrag van € 17.215,06 heeft ontvangen, over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben terzake van de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw.

3.3. Partijen hebben het hof verzocht dienovereenkomstig te beslissen aan welk verzoek het hof zal voldoen.

4. De beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel:

verklaart zich bevoegd om van de onderhavige zaak kennis te nemen;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 mei 2008 voor zover daarbij de verplichting van de man om aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken met ingang van 1 september 2008 is beëindigd en voor zover daarbij de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd;

vernietigt voormelde beschikking voor zover daarbij het meer of anders verzochte is afgewezen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt het bedrag dat de man ter zake van de wettelijke indexering van de door hem op grond van de beschikking van voormelde rechtbank van 5 juni 1992 tot 1 september 2008 verschuldigde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, inclusief de daarover verschuldigde wettelijke rente, tegen finale kwijting aan de vrouw dient te voldoen vast op totaal

€ 17.215,06 (zegge: zeventienduizendtweehonderdvijftien euro en zes cent) en veroordeelt de man tot betaling van dat bedrag aan de vrouw;

verstaat dat partijen na betaling door de man van voormeld bedrag aan de vrouw over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben terzake van de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw;

verstaat dat het terzake onder de advocaat van de vrouw gelegde beslag zal worden opgeheven en dat het terzake aanhangige kort geding zal worden ingetrokken;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden en Hompus, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2009.