Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH0701

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
20-001452-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Amfetaminelaboratorium in Berkel-Enschot. Verweer nopens opzet. Te laat vernietigen geheimhoudersgesprekken leidt niet tot strafvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001452-08

Uitspraak : 22 januari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 8 april 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-984819-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij de verdachte:

- van het onder 1. primair ten laste gelegde werd vrijgesproken;

- ter zake van:

1. “Een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.”

2. “Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III;

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie II.”

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor de onder 1. subsidiair en onder 2. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De verdediging heeft:

- bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1. primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde;

- zich met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder 2. ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van het hof;

- bepleit dat de op te leggen straf zal worden verlaagd omdat meerdere geheimhoudersgesprekken te laat zijn vernietigd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 september 2006 tot en met 22 mei 2007 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

subsidiair

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2006 tot en met 22 mei 2007 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen (telkens)

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen,

hebbende verdachte (telkens) opzettelijk daartoe, meermalen, althans eenmaal

- zijn/een perceel ([perceel]) en/of meerdere opstal(len) gelegen op dat perceel en/of een of meerdere zich in die opstal(len) bevindende ruimte(s) ter beschikking gesteld;

meer subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], althans een ander of anderen dan verdachte, op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 september 2006 tot en met 22 mei 2007 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 22 mei 2007 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en daar zijn/een perceel ([perceel]) en/of meerdere opstal(len) gelegen op dat perceel en/of een of meerdere zich in die opstal(len) bevindende ruimte(s) ter beschikking te (blijven) stellen;

2.

hij op of omstreeks 22 mei 2007 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg,

- een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Weihrauh Arminius, kaliber .22) en/of

- munitie van categorie III, te weten 17, althans een aantal, patronen (kaliber 6.35 mm) en/of

- munitie van categorie II, te weten één patroon (kaliber 9 mm),

voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht – met de verdediging en de advocaat-generaal – op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Voorts acht het hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof dat niet uit wettige bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte bij het overeenkomen van de verhuur van de onderhavige bedrijfsruimte het faciliteren van de productie van synthetische drugs heeft beoogd.

Vaststaande feiten

Het hof stelt het volgende vast.

Verdachte verhuurde een gedeelte van zijn achter zijn woning gelegen bedrijfspand aan [medeverdachte 1], in welk gedeelte van het bedrijfspand door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] amfetaminen werden geproduceerd. Op 22 mei 2007, kort voor middernacht, betrad de politie dit bedrijfspand gelegen achter de woning van [perceel] te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, de woning van verdachte. In het bedrijfspand werd een in werking zijnd amfetaminelaboratorium aangetroffen. Door de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmanteling werd het productieproces stilgelegd. Vervolgens werd de toestand ter plaatse bevroren, waarna op 23 mei 2007 om 10.00 uur werd overgegaan tot doorzoeking in het bedrijfspand en de woning van verdachte. In en rond het bedrijfspand werd een groot aantal goederen aangetroffen en in beslag genomen.

Het NFI concludeert uit onderzoek van de situatie ter plaatse en uit chemisch onderzoek van de in beslag genomen goederen dat in het bedrijfspand amfetamine werd geproduceerd volgens de Leuckart methode.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte werd in een bureaulade in de woonkamer een enkelschots pistool van het merk Weihrauh Arminius, kaliber .22lr, aangetroffen. Dit pistool is een vuurwapen dat valt onder artikel 2, lid 1, categorie III sub 1 van de Wet Wapens en Munitie. In de keukenlade werden 17 kogelpatronen van het kaliber 6.35 van het merk Geco aangetroffen. Deze patronen zijn munitie die valt onder artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Verdachte heeft erkend dat het pistool en de zeventien patronen hem toebehoorden.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij dient te worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij bekend was met de aanwezigheid van het amfetaminelaboratorium in de door hem verhuurde bedrijfsruimte. Daartoe is aangevoerd dat [medeverdachte 1] zijn voor verdachte belastende verklaring heeft ingetrokken, terwijl verdachte van meet af aan heeft verklaard niets te weten van het laboratorium. De raadsman heeft benadrukt dat [medeverdachte 1] ook tijdens het verhoor door de raadsheer-commissaris is gebleven bij de tweede versie van zijn verklaring waarin hij zegt dat hij verdachte niet in het laboratorium heeft gezien. Aan de verklaring afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris zou voorts geloof moeten worden gehecht, aangezien deze verklaring onder ede is afgelegd.

B.

Het hof overweegt als volgt.

i.

[medeverdachte 1] heeft op 24 mei 2007 bij de politie een voor verdachte belastende verklaring afgelegd. Verdachte heeft op 25 mei 2007, na kennisneming van de belastende verklaring en na zijn voorgeleiding voor de rechter-commissaris, [medeverdachte 1] mishandeld. Op 30 mei 2007, in zijn eerste verklaring na de mishandeling, heeft [medeverdachte 1] gesteld dat hij zich vergist heeft over het feit dat verdachte wel eens in de productieruimte in de loods is geweest op het moment dat hij, [medeverdachte 1], aanwezig was. Hij heeft voor deze vergissing die enkel de voor verdachte belastende details betreft geen enkele verklaring gegeven.

Het hof acht aannemelijk dat de gewijzigde verklaring van [medeverdachte 1] het gevolg is van het door verdachte op [medeverdachte 1] uitgeoefende geweld.

Voor dat oordeel zijn de volgende onderdelen van diens aanvankelijke verklaring van betekenis:

- verdachte kwam wel eens kletsen terwijl [medeverdachte 1] en medeverdachte midden in het productieproces van amfetamine zaten; ze dan spraken over amfetamine, omdat je er moeilijk niet over kunt praten als je midden in het productieproces bent;

- [medeverdachte 1] het niet prettig vond als verdachte kwam kijken, omdat hij bang was dat eventueel bezoek van verdachte iets zou merken. Er bleef volgens [medeverdachte 1] altijd geur (afkomstig van het productieproces) in je kleren zitten en verdachte kleedde zich als hij in het hok was geweest nooit om;

-verdachte zeker twee à drie keer in de ruimte geweest is toen ze midden in het proces bezig waren; daarbij ruik je de geur die vrijkomt bij het productieproces door de hele loods;

- verdachte wist waar de sleutel van het hok voor de productie lag; [medeverdachte 1] per ongeluk de sleutel een keer op een andere plaats had gelegd; verdacht hem hier toen op attendeerde, want ze hadden afgesproken dat ze de sleutel altijd op dezelfde plaats terug zouden leggen;

- het hok ook werd gebruikt voor de opslag van afval van leder van het bedrijf van verdachte.

Deze bijzonderheden acht het hof van zodanige aard dat zij zonder nadere toelichting, die is uitgebleven, redelijkerwijs niet als “vergissing” ter zijde kunnen worden geschoven.

Voorts acht het hof nopens de wetenschap bij de verdachte van de aanwezigheid van het amfetaminelaboratorium in zijn loods nog het volgende van belang:

- Zowel buiten als binnen het bedrijfspand werd op 22 mei 2007 bij het betreden van het bedrijfspand de geur behorend bij de illegale vervaardiging van amfetamine geroken. Verdachte zelve heeft verklaard dat het hem wel eens opviel dat het stonk in de loods, dat hij wat zurigs rook. Blijkens deze verklaring had deze geur niets te maken met verdachtes bedrijf in een ander gedeelte van de loods.

- Een gedeelte van het productieproces, namelijk “het op de loog zetten”, vond plaats in de tuin tussen het bedrijfspand en de woning van verdachte.

- In de tuin tussen de woning van verdachte en het bedrijfspand werden op 23 mei 2007 acht blauwe kunststof tonnen van circa 200 liter en vier jerrycans aangetroffen. Een verbalisant rook nabij deze tonnen “een kenmerkende geur die past bij de illegale vervaardiging van amfetaminen”. Monsters uit deze tonnen en jerrycans bleken onder meer amfetamine te bevatten. Verdachte was volgens zijn verklaring bekend met de aanwezigheid van deze goederen in zijn tuin.

ii.

In het licht van al deze omstandigheden acht het hof de aanvankelijke verklaring van [medeverdachte 1] geloofwaardig. Dat [medeverdachte 1] nog bij de raadsheer-commissaris onder ede is gebleven bij zijn latere verklaring kan dat niet anders maken. Het is namelijk heel wel denkbaar dat [medeverdachte 1] als gevolg van de dreiging die van de eerder genoemde mishandeling door verdachte is uitgegaan heeft gepersisteerd bij de tweede versie van zijn verklaring.

iii.

Uit de hiervoor weergegeven belastende verklaring van [medeverdachte 1] bezien in samenhang met de evenweergegeven omstandigheden trekt het hof het gevolg dat verdachte op enig moment bekend is geworden met de omstandigheid dat in het door hem verhuurde gedeelte van het bedrijfspand amfetamine werd geproduceerd, en dat hij nadien dit gedeelte van zijn bedrijfspand ter beschikking is blijven stellen aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opzettelijk behulpzaam is geweest bij de productie van amfetamine.

iv.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 01 september 2006 tot en met 22 mei 2007 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, opzettelijk hebben bereid een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 1 september 2006 tot en met 22 mei 2007 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en daar (ruimtes zich bevindend in) een opstal gelegen op het [perceel] ter beschikking te (blijven) stellen;

2.

hij op 22 mei 2007 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg,

- een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Weihrauh Arminius, kaliber .22) en

- munitie van categorie III, te weten 17 patronen (kaliber 6.35 mm) en

voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 48, onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 2, aanhef en onder B van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.

Het onder 2. bewezen verklaarde is voor zover het betreft het pistool als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, aanhef en onder a, van diezelfde wet en voor zover het betreft de munitie als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van diezelfde wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

A.

Door en namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat in het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld, als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering. Daartoe is aangevoerd dat opgenomen gesprekken met geheimhouders, gevoerd met telefoonaansluitingen van medeverdachten, niet terstond zijn vernietigd.

B.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

i.

In de periode van 23 maart 2007 tot en met 1 mei 2007 zijn telefoongesprekken met geheimhouders, gevoerd met telefoonaansluitingen van medeverdachten, opgenomen. Gelet op het bepaalde in artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dienden deze tapgesprekken vernietigd te worden. Eerst op 7 december 2007 werd door de politie in een proces-verbaal gerelateerd dat zich gesprekken met geheimhouders tussen de opgenomen gesprekken bevonden, waarna op 11 december 2007 door de officier van justitie de vernietiging van deze gesprekken werd bevolen.

ii.

Artikel 4, eerste en tweede lid, van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken houdt het volgende in:

“1. De opsporingsambtenaar die door de uitoefening van een van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Va van het Wetboek van Strafvordering, kennisneemt van mededelingen waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze zijn gedaan door of aan een geheimhouder, stelt hiervan de officier van justitie onverwijld in kennis.

2. Indien de officier van justitie vaststelt dat de mededelingen, bedoeld in het eerste lid, mededelingen zijn als bedoeld in artikel 126aa, tweede lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, beveelt hij terstond de vernietiging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, voorzover zij deze mededelingen behelzen. Het bevel tot vernietiging is schriftelijk. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt, dat wordt gezonden aan de officier van justitie.”

iii.

Naar het oordeel van het hof zijn de geheimhoudersgesprekken in strijd met artikel 4 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken niet terstond vernietigd. Hoewel de officier van justitie binnen vier dagen nadat hij in kennis was gesteld van de geheimhoudersgesprekken de vernietiging daarvan heeft bevolen, kan naar het oordeel van het hof niet meer gesproken van het terstond bevelen van de vernietiging. Immers, eerst zeven maanden na het opnemen van de gesprekken is de vernietiging ervan bevolen. Aldus is naar het oordeel van het hof sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

iv.

Het hof ziet evenwel aanleiding om te volstaan met de enkele constatering van dit vormverzuim. Immers is aangevoerd noch anderszins aannemelijk geworden dat verdachte als gevolg van dit vormverzuim zelfs maar enigszins in zijn belangen is geschaad.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep nog betoogd dat niet van belang is of verdachte door het verzuim in zijn belangen is geschaad, maar het hof kan de verdediging, gelet op het bepaalde in artikel 359a, eerste lid, onder a., van het Wetboek van Strafvordering, in dat standpunt niet volgen.

v.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

C.

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort weergegeven – medeplichtigheid bij de productie van amfetamine en het voorhanden hebben van een pistool en munitie

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van de voorbereiding van de productie van synthetische drugs en het voorhanden hebben van een pistool en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen ter zake van de feiten waarvoor de eerste rechter veroordeeld heeft, tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, vanwege de inwerkingtreding van de Wet voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding van het bewezen verklaarde tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat harddrugs als amfetamine, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend;

- de omstandigheid dat de productie van synthetische drugs schadelijk is voor het milieu vanwege de wijze waarop chemische afvalstoffen van dergelijke productieprocessen vaak illegaal worden afgevoerd in het openbare riool, dan wel middels lozingen in openbare wateren of dumping in de openbare ruimte;

- de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin;

- de omstandigheid dat het onder 2. bewezen verklaarde voorhanden hebben van een wapen grote veiligheidsrisico's met zich brengt; het – illegale - bezit van vuurwapens vormt vanwege de daaraan verbonden gevaarzetting een maatschappelijk kwaad dat streng dient te worden bestraft.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

- de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 november 2008, niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld;

- het hem betreffend voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 5 maart 2008;

- het hem betreffend voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 29 december 2008;

- het hem betreffend rapport, d.d. 29 januari 2008, opgemaakt door J. Suithoff, forensisch psychiater;

- de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof houdt bij de oplegging van de straf rekening met de op 1 juli 2008 in werking getreden Wet voorwaardelijke invrijheidstelling. Het hof acht gezien de ernst van de feiten onder de gegeven omstandigheden de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 48, 49, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1. meer subsidiair en het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. H.D. Bergkotte, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. N.J.M. Ruyters,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 22 januari 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.