Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH0676

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
23-01-2009
Zaaknummer
HD 103.004.386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof had in een tussenarrest geoordeeld dat de vordering van thans-appellant, welke vordering strekt tot schadevergoeding, niet is verjaard. Het hof komt aldus toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze vordering. Het hof oordeelt in dit eindarrest dat de schade waarvan appellant vergoeding vordert niet in de zin van art. 6:98 BW als een gevolg van het door geïntimeerde, naar achteraf bleek ten onrechte, genomen afkeuringsbesluit aan geïntimeerde kan worden toegerekend, terwijl appellant voorts als gevolg van dat besluit niet het stempel 'krankzinnige' heeft gekregen. Evenmin heeft geïntimeerde anderszins onrechtmatig jegens appellant gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 58
Module Ambtenarenrecht 2009/1315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JK

zaaknr. HD 103.004.386

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 13 januari 2009,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. P.J.A.M. Baudoin,

tegen:

STICHTING PENSIOENFONDS ABP,

gevestigd te Heerlen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.M. Jonkergouw,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 13 mei 2008 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder nummer 105073/HA ZA 05-1024 gewezen vonnis van 10 mei 2006.

6. Het tussenarrest van 13 mei 2008

Bij genoemd arrest, waarbij het hof geheel volhardt, heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [X.] en iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

7.1. [X.] heeft onder overlegging van twee producties een akte na tussenarrest, tevens wijziging van eis genomen, waarna de Stichting Pensioenfonds ABP onder overlegging van vier producties een antwoordakte heeft genomen.

7.2. Partijen hebben daarna de gedingstukken wederom overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling

8.1. In het voormelde tussenarrest heeft het hof geoordeeld (rechtsoverweging 4.11) dat de vordering van [X.] tot schade- vergoeding niet is verjaard, dat de grief slaagt en dat dit betekent dat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering. Vervolgens heeft het hof overwogen (rechtsoverweging 4.13) dat partijen in hoger beroep nog niet of nauwelijks hebben gedebatteerd over de in rechtsoverweging 4.12 van het tussenarrest genoemde weren van de Stichting Pensioen- fonds ABP. Met name had [X.] zich nog niet of nauwelijks schriftelijk uitgelaten over het door de Stichting Pensioenfonds ABP bij conclusie van antwoord gevoerde verweer. Het hof heeft [X.] daartoe in de gelegenheid gesteld en de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte, waarop de Stichting Pensioenfonds ABP dan bij antwoordakte zou kunnen reageren. In afwachting van de te nemen akten heeft het hof iedere verdere beslissing aangehouden.

8.2. Bij akte na tussenarrest, tevens wijziging van eis heeft [X.] zijn eis gewijzigd en wel in zoverre dat hij het hof verzoekt de hoogte van het smartengeld te bepalen, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het onrechtmatige besluit d.d. 24 januari 1979, althans daartoe een voorschot te bepalen.

8.3. Het hof overweegt allereerst dat, nadat [X.] bij beslissing van de Directie van de Stichting Pensioenfonds ABP van 24 januari 1979 blijvend arbeidsongeschikt was verklaard voor het vervullen van zijn functie van wetenschappelijk medewerker aan de TH Delft, hem op grond van deze beslissing door de TH Delft per 1 mei 1979 eervol ontslag uit zijn functie is verleend. Dit wordt door de Stichting Pensioenfonds ABP ook niet bestreden en volgt reeds uit de brief van 23 september 1981 van de Stichting Pensioenfonds ABP die als productie 6 bij conclusie van antwoord is overgelegd. Daarmee staat vast dat het ontslag van [X.] het gevolg is van het afkeuringsbesluit; met andere woorden: zonder het afkeuringsbesluit zou [X.] niet zijn ontslagen.

8.4.1. De Stichting Pensioenfonds ABP voert ten verwere onder meer aan dat de door [X.] gestelde schade niet het gevolg is van het afkeuringsbesluit, maar van het besluit van de TH Delft om hem te ontslaan. De Stichting Pensioenfonds ABP verwijst in dit verband naar art. 98 lid 1 aanhef en onder f van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) en stelt dat ingevolge die bepaling [X.] niet ontslagen kon worden. Dat artikel verbood dat zolang het bestreden afkeuringsbesluit niet onherroepelijk was.

8.4.2. [X.] heeft daartegen aangevoerd dat de Stichting Pensioenfonds ABP de tekst van de desbetreffende bepaling niet in het geding heeft gebracht, dat hij die tekst niet heeft kunnen achterhalen en dat het standpunt van de Stichting Pensioenfonds ABP onjuist is. Het ontslagbesluit doorbreekt de causaliteit niet. Het zou niet zijn genomen zonder het afkeuringsbesluit, zodat de schade die het gevolg is van het ontslag aan de Stichting Pensioenfonds ABP moet worden toegerekend in de zin van de art. 6:98 en 6:99 BW, aldus [X.].

8.4.3. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge art. 98 aanhef en onder f ARAR, zoals dat gold ten tijde van het afkeuringsbesluit en het ontslagbesluit betreffende [X.], kon de ambtenaar (onder meer) worden ontslagen bij blijvende ongeschiktheid voor de vervulling van zijn ambt uit hoofde van ziekten of gebreken, indien dit blijkt uit een onherroepelijk geworden beslissing als bedoeld in art. P 5 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (zie voor de tekst van art. 98 ARAR, het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden van 1970, nr. 400). Art. P 5 van de indertijd geldende Algemene burgerlijke pensioenwet betreft de beslissingen van de directie van het ABP. Ingevolge het eerste lid van deze bepaling neemt de directie, zodra zij zich genoegzaam voorgelicht acht, een beslissing omtrent de punten die in verband met de gezondheidstoestand van de betrokkene van belang zijn voor de beoordeling van diens recht op pensioen en de berekening daarvan (zie de tekst in het Staatsblad van 1966, nr. 6).

8.4.4. Het ontslagbesluit van het College van bestuur van de TH Delft, waarbij [X.] met ingang van 1 mei 1979 eervol werd ontslagen, dateert van 7 februari 1979. Op dat moment was het afkeuringsbesluit van 24 januari 1979 nog niet onherroepelijk, zodat [X.] toen derhalve niet op basis van het afkeuringsbesluit had mogen worden ontslagen. Dat dit toch is gebeurd, kan de Stichting Pensioenfonds ABP niet worden aangerekend. In dit verband speelt ook mee dat [X.] tegen het ontslagbesluit geen (rechts)maatregelen heeft aangewend. [X.] heeft geen deugdelijke redenen aangevoerd waarom hij dat heeft nagelaten. Voorzover [X.] stelt schade te hebben geleden tengevolge van het op het afkeuringsbesluit gebaseerde ontslagbesluit, kan deze schade derhalve niet in de zin van art. 6:98 BW als een gevolg van dat afkeuringsbesluit aan de Stichting Pensioenfonds ABP worden toegerekend.

8.5.1. De vordering van [X.] strekt tot vergoeding van de door hem geleden schade. Het betreft, zo stelt [X.], deels materiële en deels immateriële schade.

8.5.2. De materiële schade bestaat volgens [X.] uit inkomstenderving wegens verlies aan arbeidsvermogen doordat hij niet in staat is geweest inkomsten te verwerven en een carrière met bijbehorende verdiensten te ontwikkelen in overeenstemming met zijn wetenschappelijke vaardigheden.

8.5.3. De materiële schade die [X.] stelt te hebben geleden vloeit derhalve voort uit het hierboven genoemde ontslagbesluit en kan, gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 8.4.4 heeft overwogen, niet aan de Stichting Pensioenfonds ABP worden toegerekend en op haar worden verhaald.

8.5.4. Daarnaast vordert [X.] vergoeding van de door hem geleden immateriële schade. [X.] heeft toegelicht dat als gevolg van het afkeuringsbesluit het ontslagbesluit is genomen, waardoor hij zijn baan en structuur in zijn leven is kwijtgeraakt, is bestempeld tot ‘krankzinnige’, slechts is toegelaten tot de faculteit als ‘gast’ en het onderzoek dat zijn levenswerk is (althans tot nu toe) niet heeft kunnen afronden.

8.5.5. Uit deze toelichting van [X.] volgt dat ook de door hem gestelde immateriële schade grotendeels is gebaseerd op het ontslagbesluit. In zoverre komt ook deze schade niet voor vergoeding in aanmerking.

8.5.6. Het hof begrijpt dat [X.] ook vergoeding vordert van door hem geleden immateriële schade, aangezien hij als gevolg van het afkeuringsbesluit het stempel ‘krankzinnige’ zou hebben gekregen. De Stichting Pensioenfonds ABP heeft bestreden dat zij [X.] dit stigma zou hebben bezorgd. Voorzover [X.] dit stigma had bij de vakgroep waar hij binnen de TH Delft werkzaam was, is dit volgens de Stichting Pensioenfonds ABP niet aan haar te wijten.

8.5.7. Naar het oordeel van het hof volgt uit het afkeuringsbesluit niet dat [X.] als ‘krankzinnig’ werd bestempeld. In dat besluit wordt immers enkel verklaard dat [X.] ‘uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking van wetenschappelijk medewerker bij de Technische Hogeschool Delft te vervullen’.

8.5.8. Voorzover [X.] daarnaast betoogt dat de Stichting Pensioenfonds ABP door het verlenen van de diagnosecode 299 jegens [X.] onrechtmatig heeft gehandeld, verwerpt het hof deze stelling. De bedrijfsarts Dr. [Y.] heeft [X.] gekeurd en op 27 november 1978 heeft deze arts zijn diagnose schriftelijk vastgelegd (zie productie 3 bij inleidende dagvaarding). Deze diagnose luidde: ‘Sterk neurotisch beeld met desintegratieperioden c.q. schizoform psychotische reactievormen op basis van posttraumatische factoren’. Aan deze diagnose heeft de Stichting Pensioenfonds ABP de diagnosecode 299 gegeven. Deze code staat volgens [X.] voor: niet gespecificeerde diagnose. Dit laatste heeft de Stichting Pensioenfonds ABP niet bestreden. [X.] heeft niet weersproken dat het hier enkel een interne codering betreft en in dat licht bezien heeft hij onvoldoende onderbouwd op welke wij¬ze de Stichting Pensioenfonds ABP jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld.

8.6. Uit al het voorgaande volgt dat het verweer van de Stichting Pensioenfonds ABP slaagt. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, zij het onder verbetering en aanvulling van de gronden. Ook de vordering van [X.], zoals deze in hoger beroep is vermeerderd, wordt afgewezen. [X.] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

9. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van de gronden zoals hiervoor is overwogen;

wijst af de vordering van [X.], zoals deze in hoger beroep is vermeerderd;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van de Stichting Pensioenfonds ABP tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 296,-- aan verschotten en € 1.341,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Venner-Lijten en Spoor en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 januari 2009.