Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:BG9610

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
13-01-2009
Zaaknummer
20-001765-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 10a Ow: drugsrunner.

1. Beroep op innerlijke tegenstrijdigheid van de tenlastelegging verworpen.

2. Verweer dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijkt dat verdachte heeft getracht om cocaïne te laten vervoeren of buiten het grondgebied van Nederland te laten brengen verworpen.

Verdachte heeft in Maastricht doelbewust een auto met een Frans kenteken uitgezocht en de hem onbekende inzittenden van die auto aangesproken met de vraag of zij cocaïne wilden kopen. Ervan uitgaande dat Franse drugstoeristen normaal gesproken niet uitsluitend naar Nederland zullen afreizen om hier ter plaatse de cocaïne te gebruiken, leidt het hof uit genoemde handelingen van verdachte af dat verdachtes opzet erop gericht was om te trachten anderen te bewegen de cocaïne buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Dit omvat mede het vervoeren van die cocaïne met de bestemming Frankrijk.

Met het oog op het bepaalde in artikel 10a lid 2 Opiumwet (straffeloosheid bij geringe hoeveelheid voor eigen gebruik) overweegt het hof dat aangenomen moet worden dat het opzet van de verdachte mede omvatte het naar een drugsdealer lokken van potentiële kopers van grotere hoeveelheden cocaïne. De situatie van artikel 10a lid 2 Opiumwet doet zich niet voor nu niet is gebleken en niet aannemelijk is geworden dat het opzet van de verdachte zich beperkte tot zulke geringe hoeveelheden drugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001765-08

Uitspraak : 13 januari 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 29 april 2008 in de strafzaak met parketnummer 03-501276-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot het verrichten van een taakstraf, bestaande in een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met bevel tot teruggave van het in beslag genomen goed aan de rechtmatige eigenaar.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Geldigheid van de dagvaarding

Door of namens de verdachte is aangevoerd dat de inleidende dagvaarding nietig behoort te worden verklaard ten aanzien van het ten laste gelegde, nu de dagvaarding innerlijk tegenstrijdig is. Naar het oordeel van de raadsman is de feitelijke omschrijving (die ziet op potentiële kopers van cocaïne) van de tenlastelegging in strijd met de kwalificatieve omschrijving (die ziet op potentiële verkopers van cocaïne).

Het hof verwerpt het verweer.

Het hof is van oordeel dat uit de tenlastelegging is op te maken dat deze is gericht op het in artikel 10a, eerste lid, onder 1?, van de Opiumwet bedoelde geval van het trachten anderen, te weten de inzittenden van het voertuig die door verdachte benaderd zijn, te bewegen tot het buiten het grondgebied van Nederland brengen en het vervoeren van cocaïne.

Zo gelezen is er geen sprake van inwendige tegenstrijdigheid in de tenlastelegging.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 oktober 2007 in de gemeente Maastricht om een feit,

bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten

het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van

cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te

bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te

lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid,

middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte toen aldaar

opzettelijk de aandacht getrokken van de inzittenden van een voertuig met

Franse registratieplaten door voornoemd voertuig te volgen en/of zeer dicht

achter en/of parallel aan dat voertuig te gaan en/of blijven rijden en/of in

de richting van voornoemd voertuig lichtsignalen te geven en/of in de richting

van de inzittenden van dat voertuig gebaren te maken en/of aan die

inzittenden te vragen of zij cocaïne wilden kopen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 oktober 2007 in de gemeente Maastricht om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, hebbende verdachte toen aldaar opzettelijk de aandacht getrokken van de inzittenden van een voertuig met Franse registratieplaten door voornoemd voertuig te volgen en zeer dicht achter en parallel aan dat voertuig te gaan en blijven rijden en in de richting van voornoemd voertuig lichtsignalen te geven en in de richting van de inzittenden van dat voertuig gebaren te maken en aan die inzittenden te vragen of zij cocaïne wilden kopen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, nu uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijkt dat verdachte heeft getracht om cocaïne te laten vervoeren of buiten het grondgebied van Nederland te laten brengen.

Subsidiair is aangevoerd dat verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor hetgeen zich die avond heeft voorgedaan. Verdachte wilde slechts een geintje uithalen en zich amuseren ten koste van Franse drugstoeristen. Het was niet zijn bedoeling om deze naar een drugsdealer te brengen. Dit wordt ondersteund door de bewijsmiddelen, nu daaruit blijkt dat verdachte volstrekt doelloos van de ene kant naar de andere kant van Maastricht is gereden. De verdediging heeft daarbij verwezen naar hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof het volgende gebleken.

Verdachte heeft in Maastricht doelbewust een auto met een Frans kenteken uitgezocht en de hem onbekende inzittenden van die auto aangesproken met de vraag of zij cocaïne wilden kopen. Ervan uitgaande dat Franse drugstoeristen normaal gesproken niet uitsluitend naar Nederland zullen afreizen om hier ter plaatse de cocaïne te gebruiken, leidt het hof uit genoemde handelingen van verdachte af dat verdachtes opzet erop gericht was om te trachten anderen te bewegen de cocaïne buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Dit omvat mede het vervoeren van die cocaïne met de bestemming Frankrijk.

Aangenomen moet worden dat het opzet van de verdachte mede omvatte het naar een drugsdealer lokken van potentiële kopers van grotere hoeveelheden cocaïne, immers

aannemelijk is dat de vergoeding die een "lokker" of “runner” krijgt voor het aanbrengen van kopers bij een dealer groter is naarmate de koper een grotere hoeveelheid drugs koopt van de dealer.

Op grond van het tweede lid van artikel 10a van de Opiumwet is niet strafbaar hij die de in het eerste lid omschreven feiten begaat met betrekking tot het binnen of buiten het grondgebied

van Nederland brengen van een geringe hoeveelheid. bestemd voor eigen gebruik. Niet is

gebleken en niet aannemelijk is geworden dat het opzet van de verdachte zich beperkte tot zulke geringe hoeveelheden drugs. Het geval van het tweede lid van artikel 10a van de Opiumwet doet zich dus niet voor.

De verdachte heeft aangevoerd dat hij slechts een geintje wilde uithalen en zich wilde amuseren ten koste van Franse drugstoeristen, maar dat hij niet de bedoeling had deze naar een drugsdealer te brengen.

Het hof acht dit niet aannemelijk. Uit de gedragingen van de verdachte blijkt dat hij, rijdend in een personenauto, veel moeite heeft gedaan om contact te leggen met de inzittenden van een auto met Franse kentekenplaten en dat hij hen, toen beide auto's naast elkaar stilstonden, heeft gevraagd of zij cocaïne wilden kopen, dat hij hen heeft gevraagd hem daartoe te volgen en dat hij vervolgens voor de Franse auto is gaan uitrijden. Naar hun uiterlijke schijn zijn deze gedragingen gericht op het naar een drugsdealer leiden van de inzittenden van de Franse auto. Op geen enkel moment heeft de verdachte daarbij laten merken dat hij slechts een geintje wilde uithalen. Evenmin heeft hij zulks gezegd in zijn verhoor bij de politie nadat hij was aangehouden, terwijl toch dit de beste gelegenheid was om zich te disculperen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 10a, eerste lid aanhef sub 1, juncto artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De advocaat-generaal heeft een taakstraf gevorderd, bestaande in een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Met betrekking tot de strafmaat is door de verdediging aangevoerd dat, volgens de oriëntatiepunten van het LOVS, er slechts ruimte is voor een voorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal 1 dag, immers volgens deze oriëntatiepunten wordt, aldus de raadsman, bij een dealerperiode van één maand een gevangenisstraf opgelegd van 3 maanden. In casu gaat het slechts om één dag.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de omstandigheid dat harddrugs als cocaïne, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Bij de ernst van het feit neemt het hof mede in aanmerking dat de verdachte welbewust meewerkte aan uitvoer van verdovende middelen.

Het hof heeft daarbij tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte ter zake soortgelijke strafbare feiten nog niet eerder is veroordeeld.

Het hof merkt daarbij op dat de door de raadsman gehanteerde oriëntatiepunten betrekking hebben op drugskoeriers, waarvan in casu geen sprake is.

Beslag

Ten aanzien van het in beslag genomen goed is niet duidelijk wie daarop de rechthebbende is. Derhalve is het hof niet in staat de teruggave daarvan aan een met name te noemen persoon te gelasten en zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

1 gsm, kleur grijs, merk Nokia.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. H.P. Vonhögen,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 13 januari 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H.P. Vonhögen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.