Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:4224

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
HV 200.020.371_01
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 4 lid 1 Belemmeringenwet Privaatrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

gegeven in de zaak van:

  1. [verzoeker 1] , en

  2. [verzoeker 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

verzoekers,

hierna te noemen: [verzoekers c.s.] ,

advocaat mr. E. Beele,

t e g e n

DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT,
zetelende te ‘s-Gravenhage,

verweerder,
hierna te noemen: de Minister,

advocaat mr. A. Divis-Stein.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij verzoekschrift, met productie, ingekomen ter griffie op 11 december 2008, hebben [verzoekers c.s.] het hof verzocht de beschikking van de Minister d.d. 2 oktober 2008, kenmerk RWSCD BJV 2008/4515 (hierna: de gedoogbeschikking), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen op de voet van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Belemmeringenwet Privaatrecht, kosten rechtens.

1.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 10 maart 2009, heeft de Minister het verzoek bestreden en, kort gezegd, verzocht om afwijzing daarvan.

1.3.

Ter zitting van 6 mei 2009 is de zaak mondeling behandeld.

Bij die gelegenheid zijn na te noemen personen verschenen en gehoord:

- de heer [verzoeker 1] , verzoeker sub 1;
- mr. T. Segers als advocaat van [verzoekers c.s.] ;
- de heer [medewerker bij het Ministerie van Defensie] , werkzaam bij het Ministerie van Defensie;

- de heer [medewerker bij Rijkswaterstaat, Ministerie van Verkeer en Waterstaat] , werkzaam bij Rijkswaterstaat, Ministerie van Verkeer en Waterstaat;
- mr. A. Divis-Stein als advocaat van de Minister.

De advocaten van partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die ter zitting zijn overgelegd. De pleitnotitie van de advocaat van de Minister bevat nog een tweetal producties.

1.4.

Het hof heeft nog kennis genomen van de aan het hof gerichte brief d.d. 12 maart 2009 van [medewerker bij Rijkswaterstaat, Ministerie van Verkeer en Waterstaat] voornoemd.

1.5.

Aan het slot van de mondelinge behandeling is de uitspraak bepaald op heden.

2 De gronden van het verzoek

Het hof verwijst naar de inhoud van het verzoekschrift.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1.

[verzoekers c.s.] zijn gezamenlijk eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Veldhoven, sectie [sectieletter] , nr. [sectienummer] , groot 29.870 m2 (hierna: het perceel).

Het perceel heeft ingevolge het vigerende bestemmingsplan een agrarische bestemming.

[verzoekers c.s.] exploiteren een in [vestigingsplaats] gelegen oliehandelsbedrijf (welk bedrijf op termijn zal worden verplaatst naar het nieuwe bedrijventerrein Habraken, gelegen nabij het perceel). Daarnaast, zo is gebleken tijdens de mondelinge behandeling op 6 mei 2009, houden zij zich bedrijfsmatig bezig met akkerbouwactiviteiten (mais- en zonnebloemteelt) op hun agrarische grondpercelen (in totaal ongeveer 15 ha.), waaronder het perceel (dat met aangrenzende percelen een aaneengesloten blok van ongeveer 5,6 ha vormt).

3.1.2.

Het perceel is gelegen in de directe nabijheid van het militaire luchtvaartterrein Eindhoven (vliegbasis Eindhoven), hierna: de vliegbasis. Deze vliegbasis wordt mede gebruikt door Eindhoven Airport N.V. ten behoeve van de civiele luchtvaart.

3.1.3.

Ingevolge (aanscherping van) de toepasselijke luchtvaartvoorschriften behoeft de aanvliegverlichting voor de vliegbasis vernieuwing en uitbreiding. Ook het perceel is, naast andere, in deze uitbreiding betrokken. Ter plaatse gaat het om de aanleg van drie in lengterichting geplaatste lampen op een gemiddelde onderlinge afstand van 30 meter, en daartussen één crossbar met 16 lampen, met de bijbehorende ondergrondse leidingen (hierna: de werken).

3.1.4.

Het Ministerie van Defensie heeft met zowel [verzoekers c.s.] als hun rechtsvoorganger overleg gevoerd over gebruik of aankoop van (een gedeelte van) het perceel voor de aanleg van de werken. Dit overleg heeft niet tot overeenstemming geleid.

3.1.5.

Op het daartoe strekkende (herhaalde) verzoek d.d. 19 december 2007 heeft het Ministerie van Defensie de Minister verzocht om –met toepassing van artikel 2 lid 5 Belemmeringenwet Privaatrecht- [verzoekers c.s.] , behoudens recht op schadevergoeding, te verplichten te gedogen dat de werken op het perceel worden aangelegd en in stand gehouden.

3.1.6.

Bij de gedoogbeschikking d.d. 2 oktober 2008 heeft de Minister dit verzoek ingewilligd. De Minister is samengevat van oordeel dat de belangen van [verzoekers c.s.] redelijkerwijs onteigening van het perceel niet vorderen, en in het gebruik van het perceel niet meer belemmering wordt aangebracht dan voor de aanleg en instandhouding van de werken nodig is.

3.1.7.

De gedoogbeschikking is met ingang van 14 oktober 2008 ter inzage gelegd op het gemeentehuis te Veldhoven. Van deze ter inzage legging is mededeling gedaan in een binnen de gemeente verspreid weekblad.

3.1.8.

[verzoekers c.s.] hebben op grond van de Algemene wet bestuursrecht een bezwaarschrift tegen de gedoogbeschikking ingediend bij de Minister. Ten tijde van de op 6 mei 2009 gehouden terechtzitting was op dit bezwaarschrift nog niet beslist.

3.1.9.

Daarnaast hebben [verzoekers c.s.] , op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Belemmeringenwet Privaatrecht, tijdig binnen de in dat lid genoemde vier-weken-termijn het in rov. 1.1 genoemde verzoek aan het hof gedaan. Kort gezegd leggen zij aan dit verzoek de volgende stellingen (door het hof genummerd 1 tot en met 3) ten grondslag:

1. de belangen van [verzoekers c.s.] vorderen redelijkerwijs onteigening van het perceel;

2. het openbaar belang bij de aanleg en instandhouding van de werken is niet erkend;

3. het gebruik van het perceel wordt meer belemmerd dan redelijkerwijs voor de aanleg en instandhouding van de werken nodig is.

3.2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.3.

Ingevolge artikel 4 lid 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht kan iedere rechthebbende -zoals [verzoekers c.s.] - aan het hof vernietiging van de gedoogbeschikking verzoeken op de grond dat bij die beschikking ten onrechte is geoordeeld hetzij (1) dat de belangen van de rechthebbenden ten aanzien van het perceel redelijkerwijze onteigening niet vorderen, hetzij (2) dat in het gebruik van het perceel niet meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijze voor de aanleg of instandhouding van de werken nodig is.

Het staat het hof niet vrij de gedoogbeschikking aan andere dan de hier vermelde gronden te toetsen.

3.3.1.

Ter onderbouwing van hun stelling 1 brengen [verzoekers c.s.] naar voren dat de Minister onvoldoende (duidelijk) heeft gemotiveerd waarom de keuze is gemaakt voor het opleggen van een gedoogplicht, en niet voor onteigening. Ten onrechte, aldus [verzoekers c.s.] , overweegt de Minister dat de gebruiksbeperking slechts een relatief klein gedeelte van het perceel betreft. [verzoekers c.s.] zijn van mening dat op het gedeelte van het perceel -over een lengte van 90 meter en ter grootte van ongeveer 2.552 m2- waarop de werken worden gesitueerd, elke vorm van agrarisch gebruik (zoals weiland, of mais- en zonnebloemteelt) geheel onmogelijk wordt en dat ook het agrarische gebruik van het overige gedeelte van het perceel door de werken wordt beperkt. Tijdens de mondelinge behandeling is zelfs een oppervlakte van circa 7.400 m2 genoemd dat door de aanwezigheid van de werken ontoegankelijk wordt voor moderne landbouwwerktuigen, zoals een hakselaar, en dus geheel onbruikbaar voor de teelt van genoemde gewassen. Volgens [verzoekers c.s.] is onteigening van het perceel wel degelijk geboden.

3.3.2.

Nog daargelaten dat een motiveringsgebrek op zichzelf geen grond kan opleveren voor vernietiging van de gedoogbeschikking ex artikel 4 lid 1 Belemmeringenwet Privaatrecht, heeft de Minister naar het oordeel van het hof voldoende inzicht gegeven in de gronden waarop de gedoogbeschikking rust. Terecht heeft de Minister overwogen dat de belangen van [verzoekers c.s.] redelijkerwijs geen onteigening van het perceel vorderen. Agrarisch gebruik van het betreffende perceelsgedeelte anders dan voor mais- of zonnebloemteelt is niet uitgesloten, althans [verzoekers c.s.] hebben zulks onvoldoende gesteld. Zelfs indien moet worden aangenomen dat een perceelsgedeelte ter grootte van ongeveer 7.400 m2 (ongeveer 25% van het totale perceel) als gevolg van de aanwezigheid van de werken volledig wordt onttrokken aan de gebruikelijke teelt van mais of zonnebloemen, hetgeen de Minister betwist, rechtvaardigt dit naar het oordeel van het hof nog niet de conclusie dat er sprake is van een noodzaak tot onteigening van het perceel. Een dergelijke noodzaak zou aanwezig kunnen zijn wanneer de verdere agrarische bedrijfsvoering op het resterende gedeelte van het perceel (circa 75%) door de aanleg en instandhouding van de werken feitelijk onmogelijk wordt gemaakt of grotendeels wordt belemmerd. Daarvan is in dit geval geen sprake, althans [verzoekers c.s.] hebben hun daartoe strekkende betoog niet of onvoldoende onderbouwd.

3.3.3.

Hier komt bij dat [verzoekers c.s.] aanspraak kunnen maken op volledige vergoeding van schade wegens de gebruiksbeperkingen die door de aanleg of de instandhouding van de werken worden veroorzaakt, telkens wanneer als gevolg daarvan concrete schade blijkt. De Belemmeringenwet Privaatrecht voorziet derhalve in een -zonodig door tussenkomst van de kantonrechter (artikel 14) te realiseren- financiële compensatie die qua karakter en resultaat vergelijkbaar is met een door de Onteigeningswet verzekerde schadeloosstelling.

3.3.4.

De door [verzoekers c.s.] nog aangevoerde aantasting van hun woongenot brengt het hof niet tot een ander oordeel. Ter zitting is gebleken dat [verzoekers c.s.] niet woonachtig zijn op of nabij het perceel. Wel hebben zij de intentie het kantoor van hun oliehandelsbedrijf te gelegener tijd te verplaatsen naar eerdergenoemd bedrijventerrein Habraken, dat in de nabijheid van het perceel zal worden gerealiseerd. [verzoekers c.s.] hebben ter zitting opgeworpen dat het gebruiksgenot van dit toekomstige kantoorgebouw zal worden aangetast door de werken. Naar het oordeel van het hof is dit standpunt niet alleen onvoldoende onderbouwd, maar bovendien valt een dergelijke toekomstige genotsaantasting hoe dan ook niet aan te merken als een belang dat thans onteigening van het perceel zou (kunnen) vergen.

3.3.5.

Stelling 1 gaat derhalve niet op.

3.3.6.

Stelling 2 behoeft geen bespreking meer. [verzoekers c.s.] hebben deze stelling ingetrokken ter gelegenheid van de op 6 mei 2009 gehouden mondelinge behandeling. Overigens merkt het hof, ten overvloede, op dat deze stelling buiten het beperkte toetsingskader van artikel 4 lid 1 Belemmeringenwet Privaatrecht valt.

3.3.7.

Bij hun stelling 3 brengen [verzoekers c.s.] naar voren dat, als de Minister zou hebben gekozen voor twee in plaats van één crossbar op het perceel, minder grond voor de aanvliegverlichting benodigd zou zijn. Derhalve brengen de werken meer gebruiksbelemmeringen met zich mee dan redelijkwijs nodig is voor de aanleg en instandhouding daarvan, aldus [verzoekers c.s.]

3.3.7.1. De Minister stelt daartegenover dat de in het verweerschrift en de pleitaantekeningen aangehaalde luchtvaartnormen de hoeveelheid, aard en situering van de crossbars binnen de aanvliegverlichting exact en imperatief voorschrijven. Het ontbreekt aan enige beleidsvrijheid op dit punt.

3.3.7.2. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [verzoekers c.s.] dit laatste erkend. Dat maximaal één crossbar op het perceel de enige optie is, wordt door hen niet langer betwist.

3.3.7.3. Nu ook overigens niet is gebleken dat in het gebruik van het perceel meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijs nodig is voor de aanleg en instandhouding van de werken, dient ook stelling 3 te worden verworpen.

3.4.

De slotsom is dat het verzoek van [verzoekers c.s.] moet worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek van [verzoekers c.s.] af;

draagt de griffier van het hof op om deze beschikking van het hof bekend te maken in de Staatscourant en bepaalt dat de kosten van deze bekendmaking voor rekening van [verzoekers c.s.] komen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Etten, Kleijngeld en Theuws en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.