Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:3154

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
HD 200.005.810
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2008:1499
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2010:2907
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1056
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg begrip arbeidsongeschiktheid in pensioenreglement. feitelijke werkzaamheden/passende arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/246

Uitspraak

typ. KM

zaaknr. HD 200.005.810

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

derde kamer, van 24 november 2009,

gewezen in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 10 maart 2008,

advocaat: mr. J.M. Jonkergouw,

tegen:

STICHTING PENSIOENFONDS VOOR DIERENARTSEN,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. H. Lebbing,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 23 januari 2008 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde – de stichting - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 166911/HA ZA 06-

1806)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van twee producties negen grieven aangevoerd, zijn eis subsidiair vermeerderd, en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn eis.

2.2.

De stichting heeft zich bij akte uitgelaten over de vermeerdering van eis. Bij beslissing van dit hof van

17 juni 2008 heeft het hof verstaan dat er geen sprake is van een eisvermeerdering in de zin van artikel 130 Rv.

2.3.

Bij memorie van antwoord heeft de stichting de grieven bestreden.

2.3.

Het hof heeft pleidooi bepaald op 6 april 2009. Ter terechtzitting van 6 april 2009 zijn [appellant] en zijn advocaat evenwel niet verschenen, waarna het hof pleidooi heeft bepaald op 28 september 2009.

Ter laatstgenoemde pleitzitting hebben partijen hun standpunten doen bepleiten, waarbij voor [appellant] optrad mr. E.G.M. van den Heuvel en voor de stichting mr. H. Lebbing en mevrouw mr. Post.

[appellant] heeft ter terechtzitting de producties 3 tot en met 17 overgelegd. Van de gehouden pleidooien zijn pleitnotities overgelegd.

2.4.

Na pleidooi hebben partijen uitspraak gevraagd en daartoe de kopieën van de gedingstukken overgelegd.

3 De gronden van het hoger beroep

De grieven van [appellant] strekken ten betoge dat de rechtbank zijn vordering ten onrechte heeft afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

  1. . [appellant] (geboren op [geboortedatum] 1964) is dierenarts van beroep en neemt als zodanig verplicht deel in de pensioenregeling van de stichting.

  2. . Op grond van het per 1 januari 1998 toepasselijke pensioenreglement (prod. A inl. dagv.) kan de deelnemer in aanmerking komen voor (gedeeltelijke) vrijstelling van de betaling van pensioenpremie (koopsommen) indien hij de uitoefening van de dierenartspraktijk (gedeeltelijk) beëindigt wegens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid.

Artikel 13, lid 4 van het pensioenreglement luidt:

“Onder arbeidsongeschiktheid wordt verstaan de als gevolg van een ziekte of ongeval naar medisch oordeel aanwezige ongeschiktheid om arbeid te verrichten waarbij onder arbeid wordt verstaan:

  1. . De werkzaamheden verbonden aan het beroep van dierenarts. Dit begrip arbeid geldt zo lang niet het hierna onder b) gestelde van toepassing is.

  2. . De werkzaamheden waartoe de deelnemer naar medisch oordeel en in aanmerking genomen zijn opleiding en maatschappelijke positie in staat moet worden geacht. Dit begrip arbeid geldt eerst zodra de deelnemer binnen een aaneengesloten periode van 1.100 dagen tenminste 730 dagen ongeschikt is geweest om arbeid als bedoeld onder a) te verrichten.”

  3. . Ingevolge artikel 13, lid 5 van het pensioenreglement geschiedt toepassing van hetgeen in artikel 13 is bepaald overeenkomstig de voorwaarden die door de stichting zijn overeengekomen met de maatschappij bij welke het risico van gehele of gedeeltelijke beëindiging van de praktijkuitoefening wegens arbeidsongeschiktheid geheel is verzekerd. De Algemene Levensherverzekering Maatschappij N.V., verder te noemen Alhermij, is de maatschappij met wie de stichting een dergelijke overeenkomst heeft gesloten, verder te noemen de herverzekeringsovereenkomst (prod. 2 cva). Ingevolge artikel 13, lid 5 van het pensioenreglement dient het bestuur van de stichting er zorg voor te dragen dat belanghebbenden op een voor hen gemakkelijk beschikbare wijze kennis kunnen nemen van de voorwaarden van de herverzekeringsovereenkomst.

  4. . In artikel 2 van de herverzekeringsovereenkomst is het volgende bepaald:

“Begripsomschrijving

  1. . Arbeidsongeschiktheid, als bedoeld in lid 1 van artikel 1, wordt geacht aanwezig te zijn indien een deelnemer rechtstreeks en uitsluitend door de medisch vast te stellen gevolgen van ziekte en/of ongeval in een zodanige toestand verkeert, dat hij voor de gehele verdere duur van zijn leven geheel of gedeeltelijk ongeschikt moet worden geacht voor het verrichten van arbeid waartoe de deelnemer met het oog op zijn opleiding en maatschappelijke positie in staat moet worden geacht.

  2. . Indien een deelnemer gedurende een eerste termijn van 2 jaar binnen een aaneengesloten periode van 3 jaar door medisch vast te stellen gevolgen van ziekte en/of ongeval niet in staat is om de werkzaamheden verbonden aan het beroep van dierenarts te verrichten is gedurende deze termijn sprake van arbeidsongeschiktheid.”

  3. e. Sinds 1998 ondervindt [appellant] klachten in verband met een carpaal tunnel syndroom (cts) van zowel de linker- als de rechterhand. Op 24 november 1998 is [appellant] in verband hiermee geopereerd aan de rechterhand en in 2006 tweemaal (op 1 juni en 16 november 2006) aan de linkerhand (zie mvg punt 7 en rov. 4.5.).

  4. f. Bij brief van 20 maart 2001 (prod. 3 cva) heeft [appellant] de stichting bericht dat hij reeds vanaf 28 september 1998 in afwisselende mate arbeidsongeschikt is geweest en dat die arbeidsongeschiktheid tot op heden voortduurt.

  5. g. De stichting heeft de melding van de arbeidsongeschiktheid doorgezonden naar Alhermij. Deze heeft medische en arbeidsdeskundige informatie betreffende [appellant] opgevraagd bij Movir, de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van [appellant]. Movir heeft vervolgens aan Alhermij toegezonden

  6. een in opdracht van Movir opgemaakt verzekeringsgeneeskundig rapport van 20 november 2001 van de verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] (prod. 13 cva), en

  7. een in opdracht van Movir opgemaakt arbeidsdeskundig rapport van 14 februari 2002 van mevrouw [arbeidsdeskundige 1] van Terzet B.V.(prod. 14 cva).

[verzekeringsarts 1] heeft beperkingen in belastbaarheid van [appellant] vastgesteld en [arbeidsdeskundige 1] heeft op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van [appellant] bepaald op minder dan 25% ongeschiktheid voor het beroep van dierenarts.

h. Op grond van deze informatie heeft Alhermij – conform de beslissing van Movir – de mate van arbeidsongeschiktheid over de periode van 28 september 1999 tot 28 september 2001 vastgesteld op 30%. Voor de periode vanaf

28 september 2001 heeft Alhermij de arbeidsongeschiktheid van [appellant] op minder dan 25% bepaald. De stichting heeft [appellant] bij brief van 16 augustus 2002 (prod. C1 inl. dagv.) dienovereenkomstig bericht. Op grond van laatstgenoemde vaststelling kwam [appellant] met ingang van 28 september 2001 niet meer in aanmerking voor een (gedeeltelijke) premievrije pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid.

  1. . [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage door Alhermij. Dit heeft niet geleid tot een ander standpunt van Alhermij.

  2. j. Movir heeft bij brief van 17 november 2005 aan [appellant] medegedeeld dat hij met ingang van 9 november 2005 is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100% en met ingang van 15 november 2005 in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80%.

  3. k. Het UWV heeft [appellant] in de periode vóór 7 december 2005 een WAZ-uitkering toegekend, gebaseerd op 35-45% arbeidsongeschiktheid, vanaf 7 december 2005 op basis van 45-55% arbeidsongeschiktheid en vanaf 12 april 2006 op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid.

4.2.

[appellant] vordert – zakelijk weergegeven -:

  1. . een verklaring voor recht dat zijn arbeidsongeschiktheid in de zin van het pensioenreglement vanaf 28 september 2001 45-55% bedraagt, althans meer dan 25%, zulks tot het moment dat een onafhankelijk geneeskundige en arbeidsdeskundige bepalen dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt;

  2. . de stichting te veroordelen een premiekorting toe te passen die in overeenstemming is met de mate van arbeidsongeschiktheid;

  3. . indien de rechter dat nodig acht, een medisch specialist en een arbeidsdeskundige aan te wijzen met het oog op de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van [appellant];

en voorts subsidiair in hoger beroep (zie memorie van grieven pag. 10):

d. inschakeling van een medisch specialist en arbeidsdeskundige met het oog op de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van [appellant] op basis van de definitie neergelegd in artikel 13, lid 4 van het pensioenreglement van de stichting dan wel op basis van artikel 2 van de tussen de stichting en Alhermij gesloten herverzekeringsovereenkomst.

4.3.

Bij vonnis van 23 januari 2008 heeft de rechtbank de in eerste aanleg geformuleerde vorderingen van [appellant] afgewezen.

4.4.

De rechtbank heeft daartoe – kort samengevat en zakelijk weergegeven - als volgt geoordeeld:

  1. . De vordering van [appellant] strekt ertoe dat de stichting premiekorting toepast over de periode vanaf 28 september 2001 overeenkomstig de (mate van) arbeidsgeschiktheid in de zin als bedoeld in artikel 13, aanhef en lid 4 onder b van het toepasselijke pensioenreglement.

  2. . Het verweer van de stichting daartegen houdt in dat artikel 13, aanhef en lid 4 onder b van het pensioenreglement moet worden toegepast overeenkomstig de voorwaarden die de stichting met Alhermij is overeengekomen en dat bedoeld artikel 13 overeenkomstig die voorwaarden moet worden uitgelegd. Deze uitleg is door [appellant] niet weersproken.

  3. . Het is niet de taak van de rechtbank om aan het grote aantal brieven en stukken die [appellant] heeft overgelegd, stellingen te ontlenen die [appellant] niet in de processtukken zelf naar voren heeft gebracht.

  4. . In het licht van de door de stichting omschreven uitleg van het pensioenreglement heeft [appellant] de door hem gestelde arbeidsongeschiktheid onvoldoende onderbouwd. Dit oordeel wordt toegelicht in rov. 3.5. van het vonnis.

  5. . Ook met de door [appellant] overgelegde medische informatie betreffende de op 17 (lees: 16) november 2006 uitgevoerde ingreep en daarop gevolgde medische behandelingen (prod. 40, 41 en 44 cvr) heeft [appellant] de door hem gestelde arbeidsongeschiktheid in de zin van het pensioenreglement onvoldoende onderbouwd. Dit oordeel wordt toegelicht in rov. 3.6. van het vonnis.

4.5.

Onder de inleidende beschouwingen in de memorie van grieven punt 5, 7 en 9 wijst [appellant] op een aantal onjuistheden in de in het vonnis opgenomen weergave van de feiten. Het hof heeft in de hierboven vermelde feiten deze opmerkingen van [appellant] verwerkt, nu deze door de stichting niet zijn weersproken. Zulks niettegenstaande feit dat in prod. 40 bij conclusie van repliek (brief d.d. 17 november 2006 van [neurochirurg 1], neurochirurg) sprake is van een carpaal tunnel syndroom (cts) van de rechterhand en van de operatiedatum 16-11-2006 en dat in productie 42 bij conclusie van repliek (brief d.d. 19 oktober 2006 van neuroloog [neuroloog 1]) is vermeld dat [appellant] “2 jaar geleden”, dus in 2004, geopereerd is aan cts links.

4.6.

Grief 1 is gegrond.

[appellant] heeft de door de stichting gestelde uitleg van artikel 13, lid 4 van het pensioenreglement gemotiveerd weersproken.

4.7.

[appellant] stelt zich op het standpunt dat bij de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 13 aanhef en lid 4 onder b van het pensioenreglement buiten beschouwing moet worden gelaten de definitie van het begrip arbeidsongeschiktheid die is opgenomen in de tussen de stichting en Alhermij gesloten herverzekeringsovereenkomst. Daartoe voert [appellant] aan dat in het pensioenreglement geen melding is gemaakt van de inhoud van die herverzekeringsovereenkomst, die overeenkomst ook niet aan het pensioenreglement is gehecht en hij ook overigens van die inhoud niet op de hoogte is gesteld. De definitie van het begrip arbeidsongeschiktheid in de herverzekeringsovereenkomst bevat bovendien de verzwarende eis dat de deelnemer “voor de gehele verdere duur van zijn leven” geheel of gedeeltelijk ongeschikt is voor het verrichten van arbeid waartoe hij met het oog op zijn opleiding en maatschappelijke positie in staat moet worden geacht. Deze eis is niet opgenomen in artikel 13 van het pensioenreglement. Toepassing van deze eis is onredelijk bezwarend dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid, aldus [appellant].

4.8.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Artikel 13, lid 5 van het pensioenreglement schrijft voor dat de toepassing van de in het pensioenreglement opgenomen bepalingen met betrekking tot arbeidsongeschiktheid plaatsvindt – kort gezegd – overeenkomstig de voorwaarden die zijn opgenomen in de herverzekeringsovereenkomst. Het bestuur van de stichting is daarom bevoegd en verplicht de voorwaarden van de herverzekeringsovereenkomst in acht te nemen wanneer hij moet beslissen op de vraag of en in hoeverre [appellant] arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 13, lid 4 van het pensioenreglement. Daaraan doet niet af dat [appellant] geen kennis heeft (genomen) van de inhoud van de herverzekeringsovereenkomst. Door [appellant] is niet gesteld, noch is gebleken dat hij van die voorwaarden geen kennis heeft kunnen nemen omdat het bestuur van de stichting hem daartoe de mogelijkheid niet heeft geboden.

4.8.1.

Ook heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat toepassing van de hierboven vermelde verzwaarde eis jegens hem onredelijk bezwarend dan wel in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn. Het enkele feit dat als gevolg van die eis de gevallen waarin sprake is van gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid sterk worden beperkt, is op zich niet onredelijk, nu daartegenover staat dat de premielasten terzake dienovereenkomstig lager zijn.

4.9.

[appellant] heeft in de toelichting op de grieven voorts gewezen op de brief van de stichting van 2 april 2001 (prod. 4 cva) waarin de stichting mededeelt: “Bij de bepaling van de mate van uw arbeidsongeschiktheid wordt dan ook rekening gehouden met de toekenningsbeslissing van de bedrijfsvereniging (BVG, Cadans).” [appellant] stelt dat, gelet op deze mededeling, de arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO van toepassing is op en van belang is voor “de in deze kwestie toepasselijke definitie van de arbeidsongeschiktheid”

4.9.1.

Deze stelling is onjuist voorzover [appellant] hiermee wil betogen dat de mededeling dat “rekening wordt gehouden met” zou inhouden dat de stichting daarmee zou hebben toegezegd dat zij bij de bepaling van de arbeidsongeschiktheid van [appellant] de beslissing van de bedrijfsvereniging zou volgen. Die mededeling houdt dat niet in en zulks kan uit die mededeling ook niet worden afgeleid; integendeel, in diezelfde brief (pag. 2) wijst de stichting er met zoveel woorden op dat de herverzekeraar de mate van arbeidsongeschiktheid bepaalt en dat die bepaling kan afwijken van die van een andere instantie omdat elke verzekeraar eigen criteria daarvoor hanteert.

4.10.

De grieven 3 tot en met 8 strekken ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat hij vanaf

28 september 2001 arbeidsongeschikt is in de zin als bedoeld in het pensioenreglement, kort gezegd arbeidsongeschikt is voor het verrichten van “passende arbeid”.

4.11.

[appellant] licht toe dat Alhermij, blijkens haar brief van 28 december 2004 (prod. C20 inl. dagv.), ervan is uitgegaan dat een arbeidsongeschiktheid van [appellant] van 30% voor het eigen beroep als dierenarts aan het einde van de wachttijd (28 september 2001) wel moest leiden tot een arbeidsongeschiktheid voor passende arbeid van minder dan 25%.

In die brief stelt Alhermij:

Zoals eerder in deze brief aangehaald dient het criterum passende arbeid thans als maatstaf. Gezien de niet of relatief geringe uitval voor het eigen beroep, is een feitelijke beoordeling naar passende arbeid achterwege gebleven. Immers het eigen beroep kan als meest passend arbeid worden beschouwd.”

Uit deze passage blijkt, aldus [appellant], dat Alhermij en daarmee de stichting zelf geen feitelijk onderzoek hebben verricht naar de vraag of en in hoeverre [appellant] aan het einde van de wachttijd (28 september 2001) arbeidsongeschikt was voor het verrichten van “passende arbeid”. Bovendien heeft Alhermij haar beslissing ten onrechte gebaseerd op de rapportage van mevrouw [arbeidsdeskundige 1] van Terzet B.V. Dat rapport heeft Movir abusievelijk aan Alhermij toegezonden op 14 februari 2002 en is, na bezwaar zijdens [appellant] en herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid door de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 2], door Movir niet langer gebruikt voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van [appellant] (punt 14 pleidooi in appel). Ter verdere onderbouwing van zijn stelling dat de arbeidsongeschiktheidsheidsbeoordeling per 28 september 2001 door Alhermij en dus van de stichting onvoldoende is gemotiveerd, beroept [appellant] zich voorts op de conclusie van de door hem ingeschakelde arbeidsdeskundige mevr. [arbeidsdeskundige 3] in haar rapport d.d. 18 maart 2008 (prod. 2 mvg). Deze concludeert dat er op arbeidsdeskundige gronden onduidelijkheden zijn ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van [appellant] door Alhermij.

[appellant] stelt dat voor een zelfstandig feitelijk onderzoek naar zijn arbeidsongeschiktheid in de zin van het pensioenreglement alle reden is omdat

  1. . de eigen arbeidsongeschiktheidsverzekering van [appellant], Movir, over de gehele periode vanaf 1999 [appellant] meer dan 25% arbeidsongeschikt acht en vanaf april 2006 zelfs 100% (zie de brief van Movir d.d. 9 oktober 2008: prod. 14 pleidooi in appel);

  2. . het UWV op medische gronden bij voortduring een arbeidsongeschiktheid van [appellant] van 45% tot 55% aanneemt, vanaf mei 2006 zelfs 80-100% (zie prod. 1 mvg).

4.12.

Wat betreft het standpunt van Movir onderbouwt [appellant] zijn stellingen nader door te wijzen op

  • -

    het in opdracht van Movir uitgebrachte rapport d.d.
    28 april 2003 van arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 2] (prod. B1 en B2 inl. dagv.): 25%-35% arbeidsongeschiktheid voor het eigen beroep van dierenarts vanaf medio juli 2002;

  • -

    het in opdracht van [appellant] uitgebrachte rapport van de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 4] d.d. 28 juni 2005 (prod. B4 inl. dagv.): meer dan 25% arbeidsongeschikt; [arbeidsdeskundige 4] heeft zijn onderzoek gebaseerd op het in opdracht van [appellant] uitgebrachte rapport van de verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] d.d. 12 mei 2005 met betrekking tot de belastbaarheid van [appellant] (prod. B3 inl. dagv.);

  • -

    het in opdracht van Movir uitgebrachte rapport van de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 5] d.d. 30 mei 2008 (prod. 13 pleidooi in appel)): ongewijzigd 80%-100% arbeidsongeschikt voor beroep als dierenarts;

  • -

    de brief van de neuroloog [neuroloog 1] d.d. 18 september 2008 (prod. 12 pleidooi): geen verbetering meer te verwachten;

  • -

    het in opdracht van Movir uitgebrachte rapport van verzekeringsarts [verzekeringsarts 3] d.d. 26 maart 2009 (prod. 17 pleidooi) met betrekking tot de beperkingen van [appellant].

4.13.

Wat betreft het standpunt van het UWV onderbouwt [appellant] zijn stellingen nader door te wijzen op

  • -

    het rapport van de UWV-verzekeringsarts [verzekeringsarts UWV 1] d.d. 20 februari 2006 (prod. 8 pleidooi in appel);

  • -

    de beslissing (op bezwaar) van het UWV d.d. 6 september 2006 (prod. 38 cvr): 45%-55% arbeidsongeschiktheid gehandhaafd op en na 7 december 2005;

  • -

    het rapport van de UWV-verzekeringsarts [verzekeringsarts UWV 2] d.d. 1 maart 2007 (prod. 46b akte in prima; prod. 9 pleidooi in appel): ophoging van de mate van arbeidsongeschiktheid naar een volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden 4 weken na datum ziekmelding per 12-4-2006;

  • -

    de beslissing (op bezwaar) van het UWV d.d. 8 maart 2007 (prod. 45 akte in prima en prod. 10 pleidooi in appel): 80%-100% arbeidsongeschiktheid vanaf 4 weken na 12 april 2006;

  • -

    de brief van het UWV d.d. 8 december 2008 (prod. 15 pleidooi in appel): 80%-100% arbeidsongeschikt.

4.14.

Gezien bovenstaand gemotiveerd betoog van [appellant] is het hof van oordeel dat [appellant] voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat [appellant] vanaf 28 september 2001 25% of meer arbeidsongeschikt was (en eventueel nog is) voor het verrichten van passende arbeid als bedoeld in artikel 13 lid 4, aanhef en onder b van het pensioenreglement, ook indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat bedoeld lid 4 moet worden toegepast met inachtneming van de strenge maatstaf die is opgenomen in artikel 2 van de tussen de stichting en Alhermij gesloten herverzekeringsovereenkomst.

4.12.1.

Nu de stichting die arbeidsongeschiktheid betwist zal het hof een deskundigenonderzoek daaromtrent gelasten.

4.15.

Wat betreft het onderzoek naar de beperkingen en de belastbaarheid van [appellant] is het hof van oordeel dat in beginsel kan worden uitgegaan van het rapport van de verzekeringsarts [verzekeringsarts 1] d.d. 20 november 2001 (prod. 13 cva). [appellant] heeft de inhoud van dit rapport niet gemotiveerd bestreden en ook geen steekhoudende argumenten aangevoerd waarom een volledig nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de gezondheidstoestand van [appellant] per

28 september 2001 noodzakelijk zou zijn.

4.15.1.

Het hof acht wel, zoals de stichting voorstelt (cva punt 5.4., cvd punt 5.4.), actualisering en aanvulling van het rapport van [verzekeringsarts 1] gewenst in verband met de ontwikkeling van de gezondheidstoestand van [appellant] na

19 november 2001 en de geneeskundige behandelingen die [appellant] na 19 november 2001 heeft ondergaan.

Het hof zal daartoe [verzekeringsarts 1] als deskundige benoemen. De stichting heeft [verzekeringsarts 1] als deskundige voorgesteld in de gedingstukken en [appellant] heeft daartegen geen bezwaren geuit (zie cvr punt 6).

4.15.2.

Weliswaar heeft [appellant] in de conclusie van repliek (punt 6) te kennen gegeven benoeming van een neurochirurg/neuroloog wenselijk te achten en in de memorie van grieven voorgesteld Prof. Dr. [neurochirurg 2] (en in de pleitnota punt 27 dr. [neuroloog 2]) te benoemen als deskundige ter beoordeling van de beperkingen van [appellant], doch het hof acht, zoals hierboven overwogen, geen gronden aanwezig voor een geheel nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek van [appellant] naar de toestand per 28 september 2001 en daarna.

4.15.3.

Het hof zal aan [verzekeringsarts 1] de volgende vragen voorleggen:

  1. . Bent u van mening dat de argumentatie en conclusie die zijn weergegeven in uw rapport van 20 november 2001, gehandhaafd kunnen blijven in het licht van de ontwikkeling van de gezondheidstoestand van [appellant] sinds 19 november 2001 en de medische behandelingen die hij sinds uw onderzoek op 19 november 2001 heeft ondergaan ?

  2. . Geven de ontwikkeling van de gezondheidstoestand van [appellant] sinds 19 november 2001 en de door hem ondergane medische behandelingen u aanleiding tot aanvulling van uw rapport en zo ja, welke ?

  3. . Kunt u, met het oog op een thans uit te voeren arbeidsdeskundig onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van [appellant] per 28 september 2001 en daarna (tot heden), een belemmeringenprofiel van [appellant] opstellen ? Zo ja, dan verzoekt het hof U een dergelijk profiel op te stellen.

4.15.4.

In het kader van dit onderzoek naar het actualiseren en aanvullen van zijn rapport van 20 november 2001 dient de deskundige [verzekeringsarts 1] bij de medisch-specialisten bij wie [appellant] sedert 2001 in behandeling is geweest, de medische gegevens op te vragen en, zo nodig, met hen overleg voeren. [appellant] dient daartoe uitdrukkelijk toestemming te geven.

4.16.

Wat betreft het onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van [appellant] per 28 september 2001 en daarna in de zin als bedoeld in artikel 13 lid 4, aanhef en sub b van het pensioenreglement en artikel 2 van de herverzekeringsovereenkomst, heeft de stichting voorgesteld (cva punt 5.2., mva punt 4.7.) AD-net te [vestigingsplaats 2] te benoemen.

[appellant] heeft hiertegen geen bezwaren geuit.

4.16.1.

Het hof is daarom voornemens AD-net te [vestigingsplaats 2] als arbeidsdeskundige te benoemen.

4.16.2.

Aan AD-net zal het hof de navolgende vraag voorleggen:

  1. . Is [appellant] met ingang van 28 september 2001 25% of meer arbeidsongeschikt in de zin als bedoeld in artikel 13 lid 4, aanhef en sub b van het pensioenreglement met inachtneming van de criteria zoals die zijn opgenomen in artikel 2, lid 1 van de tussen de stichting en Alhermij gesloten herverzekeringsovereenkomst, zulks uitgaande van de bevindingen vermeld in de door [verzekeringsarts 1] in het onderhavige geding op last van het hof uit te brengen rapportage betreffende [appellant] ?

  2. . Indien [appellant] meer dan 25% arbeidsongeschikt is in bovenbedoelde zin, welke percentages arbeidsongeschikteid gelden dan en met ingang van welke data ?

4.17.

Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over de formulering van bovenvermelde vragen en suggesties doen voor andere aan de deskundigen voor te leggen vragen.

4.17.1.

Uit de gedingstukken heeft het hof opgemaakt dat partijen het ermee eens zijn dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige voor wat betreft het aanvullend verzekeringsgeneeskundig onderzoek en één deskundige voor wat betreft het arbeidsdeskundig onderzoek.

4.17.2.

Uit gedingstukken heeft het hof voorts opgemaakt dat, gegeven de beslissing van het hof dat er geen grond is een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de gezondsheidstoestand van [appellant] per 28 september 2001 te bevelen, [appellant] geen bezwaar heeft tegen de benoeming van de verzekeringsarts [verzekeringsarts 1], en evenmin bezwaar heeft tegen de benoeming van de arbeidsdeskundige AD-net. Partijen behoeven zich dus daarover niet meer uit te laten. Het hof heeft overigens aan bedoelde deskundigen nog niet gevraagd of zij bereid zijn het onderzoek te verrichten.

4.17.3.

Het hof is voornemens de kosten van de deskundigen voorshands ten laste te brengen van beide partijen, ieder voor de helft.

5 De uitspraak

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 15 december 2009 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de aan de deskundigen te stellen vragen, zoals onder rov. 4.17. is vermeld.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Waaijers en Van Rijen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 november 2009.