Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2009:2378

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
17-11-2016
Zaaknummer
HD 103.001.349
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling nalatenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

zaaknr. HD 103.001.349

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 6 oktober 2009,

gewezen in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , hierna: [appellant] ,

appellant,

verweerder in het incidentele appel,

advocaat: mr. G.J.W. Verschuur,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , hierna: [geïntimeerde] ,

geïntimeerde,

eiseres in het incidentele appel,

advocaat: mr. B.Th.H. Boomsma,

als vervolg op de arresten van het hof van 19 december 2006 en 29 april 2008 op het hoger beroep van het door de rechtbank 's‑Hertogenbosch gewezen vonnis van 18 augustus 2004 tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie en [appellant] tezamen met [zus van appellant 1] en [zus van appellant 2] als gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie.

8 Het tussenarrest van 29 april 2008

Bij genoemd arrest heeft het hof een aanvullend voorschot vastgesteld ten behoeve van het deskundigenonderzoek dat in het eerdere tussenarrest van 19 december 2006 is gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

9 Het verdere verloop van de procedure

Na ontvangst van het deskundigenrapport, dat is gedateerd 2 september 2008, heeft [appellant] een akte uitlating naar aanleiding van het deskundigenbericht genomen, voorzien van bijlagen, en [geïntimeerde] een memorie na deskundigenbericht, eveneens voorzien van bijlagen.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

10 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel appel

10.1.

Aan de deskundige was allereerst opgedragen de waarde in verpachte staat vast te stellen van:

  1. de ligbox (bedoeld is: de ligboxenstal), de veldschuur, de sleufsilo's (bedoeld zijn: de kuilplaten) en de mestkelder, met 50.00 are (bedoeld is: 90.00 are) ondergrond;

  2. het perceel gras- en bouwland te [plaats] (sectie [sectieletter 1] , nr. [sectienummer 1] , groot 10.97.10 ha), het perceel grasland te [plaats] (sectie [sectieletter 1] nr. [sectienummer 2] , groot 5.41.85 ha) en het perceel weiland te [plaats] (sectie [sectieletter 2] nr. [sectienummer 3] , groot 1.50.00 ha), rekening houdende met het op deze gronden rustende mestquotum;

  3. van het woonhuis, plaatselijk bekend [adres] te [plaats] , met ondergrond en huisperceel, groot 10.00 are.

10.2.

De deskundige heeft de waarde van de onroerende zaken op de peildatum, rekening houdend met het mestquotum, berekend op f. 1.351.500,-, omgerekend € 613.283,96.

10.3.

[geïntimeerde] meent dat deze taxatie te laag is.

Het hof ziet echter in de door [geïntimeerde] gemaakte opmerkingen geen aanleiding af te wijken van de taxatie van de deskundige, die zijn conclusies deugdelijk heeft onderbouwd en die het hof overneemt.

10.4.

Hetzelfde geldt voor de door [appellant] gemaakte opmerking ten aanzien van de inhoud van de bedrijfswoning. Volgens [appellant] is de door de deskundige berekende waarde van de bedrijfswoning te hoog omdat bij diens berekening is uitgegaan van een inhoud van 722 m3 terwijl de inhoud niet meer is dan 525 m3. [appellant] verwijst in dit verband naar een brief van taxateur [taxateur] , overgelegd bij de akte naar aanleiding van het deskundigenbericht.

Het hof verwerpt dit bezwaar. De waarde van de bedrijfswoning is door de deskundige bepaald op grond van diverse factoren, waaronder de inhoud van de woning zoals de deskundige deze heeft waargenomen, alsmede de ligging van de woning, de bestemming, de bouwaard, de constructie en de staat van onderhoud. Ook al zou het in het deskundigenrapport genoemde cijfer van 722 m3 niet juist zijn, dan betekent dat niet zonder meer dat de waardering van de woning onjuist zou zijn. Dit geldt temeer omdat de waarde die door de deskundige Van der Walle wordt genoemd slechts in geringe mate afwijkt van de waarde die is genoemd in het rapport van de taxateur Russchen, welk rapport in eerste aanleg is overgelegd.

10.5.

Voor wat betreft het melkquotum diende de deskundige de volgende vragen te beantwoorden:

A. Wat was op 13 februari 1986 de waarde in het economische verkeer van de op 18 april 1986 bij het Productschap voor Zuivel op naam van [appellant] geregistreerde heffingsvrije hoeveelheid op grond van de Beschikking Superheffing 1985 van 542.848 kilogram?

B. Wat was op 13 februari 1986 deze waarde indien rekening wordt gehouden met: (a) de verplichting van [appellant] het genot van dit melkquotum om niet aan de maatschap ter beschikking te stellen en (b) de omstandigheid dat vader in 1986 het genot van de gronden waarop dit melkquotum betrekking heeft in de maatschap heeft ingebracht, zodat het melkquotum door [appellant] niet tegelijk met de gronden kon worden overgedragen?

10.6.

De deskundige heeft de waarde in het economisch verkeer van het melkquotum, indien geabstraheerd wordt van de inhoud van de firmaovereenkomst, berekend op

f. 950.000,- (€ 431.091,-). Indien wél rekening wordt gehouden met die overeenkomst meent de deskundige dat het melkquotum geen waarde vertegenwoordigt. Ter onderbouwing van deze conclusie wijst de deskundige erop dat [appellant] op de peildatum de leeftijd van 36 jaar had; gezien deze jonge leeftijd en de onzekerheden in de landbouw (per jaar stoppen circa 2.500 agrariërs) zou er volgens de deskundige op 13 februari 1986 geen marktpartij te vinden zijn geweest die het melkquotum van de maatschap c.q. de maatschapsleden zou hebben willen kopen met de verplichting dit quotum om niet aan de maatschap ter beschikking te stellen.

De deskundige heeft er voorts op gewezen dat het bij bedrijfsoverdrachten (het hof begrijpt dat de deskundige doelt op de overdracht van agrarische bedrijven van vader op zoon) gebruikelijk is dat de gronden en de bedrijfsgebouwen worden overgedragen tegen een waarde in verpachte staat c.q. de agrarische waarde en het aan het bedrijf verbonden melkquotum om niet.

10.7.

Het hof is, mede gelet op het advies van de deskundige, van oordeel dat de onderhavige overdracht van het melkquotum niet moet worden aangemerkt als een materiële bevoordeling van [appellant] . Het hof neemt hierbij allereerst in overweging dat de waardebepaling van het melkquotum niet los kan worden gezien van de inhoud van het firmacontract en de nadere overeenkomsten tussen [appellant] en de vader van partijen (vergl. HR 3 mei 1968, NJ 1968,267 en HR 13 februari 2004, NJ 2004,653).

In de nadere overeenkomsten van 13 februari 1986 zijn [appellant] en zijn vader overeengekomen dat het melkquotum om niet aan [appellant] wordt overgedragen, waartegenover [appellant] het melkquotum om niet ter beschikking van de firma zal blijven stellen en zijn vader een vast winstaandeel van f. 24.000,- per jaar zal betalen.

In het tussenarrest van 19 december 2006 (r.o. 4.16) is reeds overwogen dat uit de inhoud van de overeenkomsten tussen [appellant] en zijn vader en uit hun feitelijke gedragingen kan worden afgeleid dat hen voor ogen stond een agrarische bedrijfsopvolging te realiseren en dat de overname van de boerderij c.a. tegen de waarde in verpachte staat niet tot een bij de afwikkeling van de nalatenschap in acht te nemen bevoordeling leidt.

Naar het oordeel van het hof geldt dit ook voor de overdracht om niet van het melkquotum, dit gelet op de inhoud van de tussen [appellant] en zijn vader getroffen regelingen zoals hiervoor omschreven en mede gelet op de door de deskundige gesignaleerde omstandigheid dat het bij de overdracht van agrarische bedrijven van vader op zoon gebruikelijk is dat de gronden en de bedrijfsgebouwen worden overgedragen tegen een waarde in verpachte staat c.q. de agrarische waarde en het aan het bedrijf verbonden melkquotum om niet.

Hierbij komt nog dat de overeengekomen betaling van een vast winstaandeel van f. 24.000,- per jaar het karakter heeft van een door de vader bedongen lijfrente, dit als tegenprestatie voor de overdracht van het melkquotum. Dit versterkt de conclusie dat de vader van partijen met de overdracht van het melkquotum niet voor ogen heeft gehad zijn zoon materieel te bevoordelen.

10.8.

[geïntimeerde] heeft in haar commentaar op het deskundigenrapport bezwaar gemaakt tegen hetgeen door de deskundige is opgemerkt in zijn rapport onder 12.4 omdat de deskundige met die opmerkingen buiten zijn opdracht zou zijn getreden, maar dat bezwaar wordt door het hof verworpen. Aan de deskundige was verzocht om al datgene te melden dat van belang zou kunnen zijn voor de beoordeling van de waarde van de onderhavige vermogensbestanddelen. De opmerkingen onder 12.4 van het rapport zijn van belang voor de beoordeling van de zaak en ze zijn daarnaast gebaseerd op de kennis en de ervaring van de deskundige en deugdelijk onderbouwd.

10.9.

De conclusie van het hof is, dat de overdracht van het melkquotum aan [appellant] niet als een gift (in de zin van artikel 4:967 oud BW) dient te worden aangemerkt zodat er bij de afwikkeling van de nalatenschappen ook geen grond kan zijn voor inkorting wegens een aantasting van het wettelijk erfdeel, zoals door [geïntimeerde] is gesteld.

Een en ander betekent dat de grieven 1 t/m 5 van [appellant] in zoverre gegrond zijn en dat zijn zevende grief geen bespreking meer behoeft.

10.10.

Op grond van hetgeen hiervoor en in het tussenarrest is overwogen dienen de nalatenschappen tussen partijen afgewikkeld te worden op basis van de volgende uitgangspunten:

- de waarde van de gronden, de gebouwen en het mestquotum

bedraagt op de peildatum f. 1.351.500,-;

  • -

    aan het melkquotum wordt geen waarde toegekend;

  • -

    het bietenquotum valt niet in de nalatenschappen;

  • -

    de schuld aan de Rabobank ad f. 61.736,53 behoort tot de

nalatenschappen, evenals de schuld aan de administrateur

[administrateur] ten bedrage van f. 27.825,-;

- over het aandeel van vader in het maatschapsvermogen dat

door [appellant] wordt overgenomen is hij aan de

gezamenlijke erven (waaronder [appellant] zelf) een

rentevergoeding verschuldigd ter grootte van de

wettelijke rente vanaf 6 mei 2001 tot aan de betaling,

welke betaling ingevolge artikel 20 van het

firmacontract kan plaatsvinden in 10 gelijke jaarlijkse

termijnen;

- voor wat betreft de vermogensbestanddelen waaromtrent

geen geschillen tussen partijen bestaan dient de

afwikkeling plaats te vinden op basis van hetgeen in de

successieaangiften van [administrateur] BV (productie 3

van de akte van [geïntimeerde] d.d. 23 april 2003) is

vermeld.

10.11.

Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen, met uitzondering van de beslissing omtrent de proceskosten, en opnieuw rechtdoende bepalen dat de verdeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder van partijen dient te geschieden conform hetgeen hiervoor onder 10.10 is vermeld. [geïntimeerde] zal veroordeeld worden om aan die verdeling mee te werken. Voor vaststelling van een dwangsom zoals door [appellant] is gevorderd, bestaat naar het oordeel van het hof geen aanleiding, aangezien het hof een notaris zal benoemen om de verdeling tot stand te brengen, alsmede een onzijdig persoon voor het geval een partij mocht weigeren mee te werken aan de verdeling.

10.12.

Gelet op de familierelatie zal het hof de kosten van het hoger beroep compenseren, met dien verstande dat het hof in de uitkomst van de procedure wel aanleiding ziet om de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste van [geïntimeerde] te laten.

11 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen tussen [geïntimeerde] en [appellant] , behalve de proceskostenbeslissing, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de verdeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder van partijen dient te geschieden conform hetgeen hiervoor onder 10.10 is vermeld;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan die verdeling mee te werken en benoemt tot notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden zullen plaatsvinden mr. [notaris] , notaris te [standplaats] , of zijn waarnemer of opvolger, tenzij partijen de keuze van een andere notaris overeenkomen;

benoemt tot onzijdig persoon om die partij te vertegenwoordigen die in gebreke mocht blijven te verschijnen, of, verschenen zijnde, mocht weigeren tot de werkzaamheden ter verdeling mee te werken, mr. C.J.M. Linssen, advocaat te Oss;

wijst af het meer of anders gevorderde;

bepaalt dat de kosten van het deskundigenonderzoek geheel ten laste van [geïntimeerde] komen;

compenseert de kosten van het hoger beroep voor het overige in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 oktober 2009.

griffier rolraadsheer